is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 28, 08-04-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De knecht des Heren

DONATELLO

Jez. 53:1—11. Wie heeft geloofd wat ons is verkondigd, en wien was de arm des Heren openbaar? Hij kwam op als een loot voor zijn aangezicht, als een wortel uit dorren grond: hij had geen voorkomen of luister, dat wij naar hem zouden omzien, geen uiterlijk, dat wij hem zouden begeren. Verdacht en van de mensen verlaten, een man van smarten en gemeenzaam met krankheid, als een voor wien men het gelaat omhult, veracht, en wij telden hem voor niets.

Maar, onze krankheden had hij op zich genomen, onze smarten, hij heeft ze getorst. Wij hielden hem voor een geplaagde, een van God geslagene en vernederde, terwijl hij doorwond was om onze misdrijven, verbrijzeld om onze ongerechtigheden; de kastijding die wij verdiend hadden was op hem, en door zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen doolden gelijk een kudde schapen, ieder onzer had zijn eigen weg ingeslagen, en de Heer heeft op hem doen nederkomen ons aller schuld.

Hij was mishandeld, toch deemoedig, en hij deed den mond niet open, als een lam dat ter slachtbank gevoerd wordt, als een schaap dat voor zijn scheerders stom is. Uit druk en vonnis is hij weggenomen, en wie denkt nog over zijn lot? Want hij is afgesneden uit het land der levenden, om de wanbedrijven van mijn volk dodelijk getroffen; bij goddelozen werd zijn graf gesteld, bij onderdrukkers zijn grafheuvel, hoewel hij geen geweld had gepleegd, en er geen bedrog in zijn mond was. Maar het behaagde den Heer zijn krankheden te genezen: als hij zichzelf ten schuldoffer stelt, zal hij nakroost zien, lang blijven leven, en zal des Heren welbehagen door zijn hand gelukken. Van hetgeen hij moeitevol verwierf, zal hij laven en verzadigen: door zijn kenrns zal mijn dienaar de schare tot gerechtigheid leiden, en hun ongerechtigheden torst hij.

De tijden raken elkaar op de wonderlijkste wijze, „de ene dag doet den anderen sprake toestromen”, zegt de 19e psalm. Wanneer wij het bovenstaande lezen, geschreven door den Onbekende, die aan de profetie van Jezaja het tweede deel heeft toegevoegd, dan zien wij de gestalte voor ons, wiens naam eeuwen later in de geschiedenis opdook Zo schijnt het sonnet op deze bladzij de spanningen en de verstilde, heilige strijd, de onaantastbare eenheid te beschrijven die de 15e eeuwer iijn handen uithieuw.

der geschiedenis? Dan toch raadselen met een diepe, troostende zin. Eén geesteshouding in zo verschillende omstandigheden, één weten van diepste waarheden. Hoe het verband precies is weten wij niet. Was de deutero-Jezaja een ziener? Heeft Jezus, of hebben zijn „levensbeschrijvers” zich zo in de oude profetie ingeleefd, dat zij die met daad en woord vullen moesten tot tastbare werkelijkheid? Het doet niet ter zake: in deze mensen uit verschillende tijden heeft het weten geleefd dat uiterlijk succes geen maatstaf is voor innerlijke waarde, het besef dat schijnbare mislukking door mensen opgetild kan worden in het licht der gehoorzaamheid, dat het lot niet passief ondergaan hoeft te worden, maar uit zielskracht kan worden tot daad, tot „de éne daad”.

Wij gaan nu de Goede Vrijdag en het Paasfeest tegemoet. En dat is niet zo heel eenvoudig. Kerstmis kunnen wij met wat „gevoel” en „stemming” nog wel ontvluchten. Maar Pasen kent geen beschermend en vervagend kaarslicht, het staat in de kale nuchtere koelte van onze noordelijke lente en het eist: denken. Wij kunnen met luisteren naar de Matthaus Passion alléén nog geen Pasen vieren. Dan beleven wij het drama uit het Oude boek mee. Wij krimpen ineen bij de roep om „Barrabam”, wij vragen mee: „Was hast Du verbrochen”, maar het blijft voor velen een meegesleept, meegesleurd worden door diepten en over hoogten, waarvan we slechts één avond weten. Die avond is een rijk geschenk, maar slechts het voorspel van de paasviering. Pasen, dat zonderlinge opstandingsverhaal. Wat moeten we er mee? Wij kunnen het ver-

vlakken tot een blijmoedig geloof in leven uit de dood: kijk maar naar de herlevende natuur! Maar hebben we daar Golgotha bij nodig? Het is een dwaze omweg.

En is de Goede Vrijdag goed, omdat wij door het „zoenbloed” zouden zijn vrijgekocht van helse pijn? Er is nog altijd een geweten in ons, dat deze verlossing eenvoudig ontkent.

En toch: onze krankheden had hij op zich genomen.

Kunnen wij nog begrijpen wat de kerken, wat de Christenheid in deze dagen beweegt, en als er verstandelijk begrip mogelijk is, kan dat dan nog worden tot een weten van het hart? Kan het Paasfeest nog op andere wijze een feest voor ons worden dan door frisse lucht, eieren en krentenbrood?

DE GEKRUISIGDE

Wie is die oud-testamentische knecht des Heren? Het vrome, aan Jahwe getrouwe deel van Israël? het hele volk? de ware Messias’ Hij is het levende wonder van Gods handelen met mensen:

Wie heeft het geloofd? en wie was de grootheid hierin openbaar? Niemand immers. En toch was er het zegenende wonder.

Het was in die mens die van het offer wist.

Onaanzienlijk was hij, en verlaten en ziek, „en wij telden hem voor niets.”

Is in dezulken het wonder nog mogelijk? In blijvend-werklozen in steeds verjaagde emigranten, in al de scharen die deze wereld „voor niets telt”?

Is het mogelijk dat deze mishandelden ónze krankheden, ónze smarten zouden dragen? Het is niet alleen „wel mogelijk”, maar het is waar-Er is tussen mensen een zo innige gemeenschap, dat ons niet-uitgedragen leed, onze ongeboete schuld, inderdaad op anderer schouders terecht komt. Is niet de economische en de politieke misère ons aller schuld en zijn het niet bepaalde groepen op wie ze in volle zwaarte neerkomt? En ondertussen dolen wij als een kudde schapen: ieder onzer heeft zijn eigen weg ingeslagen, wij individualisten, wij egoïsten.

Maar is in allen, die voor ons boeten, dat zware lot vergeestelijkt, opgeheven; dragen zij hun kruis, inplaats van er aan te hangen? Zeker niet altijd. Maar het wonder ligt in de mogelijkheid. Overal waar het kruis wordt opgeheven in offerbereidheid „zal des Heren welbehagen door des geslagenen hand gelukken.” Daarin zal lafenis en verzadiging zijn, zegt het boek Jezaja.

Wij wisten wel dat van wat in deze wereld „slaagt”, weinig te verwachten is, en daarom wanhoopten wij:

Wij wisten ook van de scharen die in druk en vonnis omkomen. En in machteloos meelijden wanhoopten wij.

Maar Jezaja weet, en de evangeliën weten en Donatello weet, en de dichter weet, dat hier het wonder Gods kan schuilen. Zij zien hoe offerbereidheid de doornenkrans tot een echte kroon maakt. Zij weten dat het leed niet buiten God is, zij weten dat er redding is voor alleen in het leeddrapen van Gods onaanzienlijke uitverkorenen.

En zou het dan geen Pasen voor ons zijn?

En in deze Paasvreugde doemen verschieten op, waarvan de penibele wereldsituatie in April 1939 geen weet heeft, maar die maken dat zij te dragen is.

F. KALMA—KOOPS,

Eén daad is er, die staat geheel allene tussen alle andere daden opgericht en van den droom het parelende licht vloeit als een zachte sluier om haar henen.

Zij is als zielsmuziek, verstild tot stenen, als een door smart gelouterd, fel gedicht en van alle spanningen wier verenen den droom bouwt is in haar niet één gezwicht.

Kalm staat zij in haar blanke majesteit, zij die sterk is als strijd, maar heeft verloren al ’t luide en het schelle van den strijd.

Gezegend de mens tot haar uitverkoren, gezegend elk die tot het Offer schrijdt; in hem wordt droom en daad tot één herboren.

H. Roland Holst.