is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 32, 06-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lit de KerkeEijke M^ereld

Humor bij collecteren

Dat de een beter kan bedelen dan de ander, staat vast. Voor den predikant bestaat er uitmimtende gelegenheid, zijn sluimerende bedeltalenten op te wekken. Niemand heeft zozeer de kans om met onverdacht menslievende motieven bij de gemeenteleden op te komen voor een kostelijk, maar kostbaar doel.

Hij zal dat werk alleen kunnen verrichten, als hij met een scheut humor en een rijke fantasie gezegend is.

Persoonlijk heb ik mij weinig op dat gebied begeven. Maar toch moest het wel eens. De kerkekas in de gemeente was leeg. Een maandelijkse extra-collecte moest worden ingesteld, en voor de wekelijkse collecte moest de kerkcent worden afgeschaft. Zo had de kerkvoogdij besloten.

Dus kondigde ik het besluit af. Ik wees op het verlangen van alle grote mensen, om heus grote mensen te worden. Maar dat wij op één punt kinderachtig bleven: zoals Moeder ons vroeger met een cent naar de Zondagschool stuurde, zo stappen wij nog steeds met die ene cent naar de kerk. Ik nodigde de gemeente uit om zich op financieel gebied tegenover het coUectezakje mannelijk te gedragen, indachtig het woord van Paulus: „Toen ik een kind was. was ik gezind als een kind; maar nu ik een man geworden ben, heb ik teniet gedaan hetwelk eens kinds was.”

En het resultaat? Een paar centen waren in de loop der week aangegroeid tot vier-

duitenstukken. Maar één zeer trouwe kerkganger was demonstratief weggebleven. Het was 'een oprechte Fries, die niet toestond, dat men zich met zijn particuliere zaken bemoeide. Na een paar weken zat hij weer op zijn gewone plaats. En in de collectezak voor de kerkvoogdij werd een briefje gevonden. Met inhoud: een halfje. Op het briefje stond: wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. Een geestig, maar goedkoop antwoord op mijn bedelpartij.

Gelukkig is de stugge weerstand om te offeren interconfessioneel. Daar lees ik in „Woord en Geest” van den bekenden Haagsen ethischen predikant Van Gheel Gildemeester. Hij moet eens boos geweest zijn op een slechte collecte-opbrengst. Maar boosheid past op de kansel niet. Dus reageerde hij zijn boosheid af met dit humoristisch beeld: „Het dubbeltje en de cent hadden ruzie met elkaar. Het dubbeltje zei: Ik ben veel voornamer. Maar de cent zei: ik ben veel vromer, want ik kom meer in de kerk.” Daarop gaf hij zijn reeds ontwapende hoorders de raad, die schijnheilige cent op zijn nummer te zetten door hem thuis te laten, en het dubbeltje te straffen voor zijn onkerksheid, door hem meteen maar in de kerk achter te laten.

Intussen, er zal nog veel humor moeten worden versleten van kansel en katheder, voor de centen tot dubbeltjes omgemunt zijn.

Gedeeltelijke rehabilitatie

Sommige lezers zullen zich herinneren, dat hier een paar jaar geleden voor allerlei sociaal-humanitaire bewegingen een merkwaardig man kwam spreken: de R.K. Oostenrijkse priester Uhde. Radicaal pacifist, vegetariër, geheelonthouder, in vier faculteiten gedoctoreerd, de antipathie trotserend van de hogere geestelijkheid, was hij wél in staat, de aandacht te trekken.

De bezetting van Oostenrijk echter begroette hij, tot grote ontsteltenis zijner vrienden, met vreugde. Blijkbaar was zijn verzet tegen het reactionnaire clericalisme van Schuschnigg zo groot, dat hij Hitler als bevrijder zag. Wie zijn geschriften kende, was echter op een dergelijke zwenking voorbereid. Hij was te simpel, tezeer bevangen in schema’s, om zich nieuwe mogelijkheden te kunnen realiseren.

Gelukkig is daar door de druk van het nazidom verandering in gekomen. Prof. Ragaz bericht in de laatste „Neue Wege” het volgende van hem:

~Uit betrouwbare bron verneem ik, dat Uhde tot zijn uitgangspunt is teruggekeerd. Zoals hij beloofd had, protesteerde hij met kracht bij zijn gouwleider tegen de Jodenprogrom van 9 November. Natuurlijk zonder enig succes. Toen hij voor zijn geheelonthouderslezingen vrijheid van spreken vroeg, werd hem geantwoord, dat hij die in onbeperkte mate zou krijgen, ja, zelfs daarbij van staatswege ijverig geholpen zou worden, als hij de kerk zou willen bestrijden.

Woedend heeft hij daarop zijn verzoek ingetrokken en hij verklaart nu in een brief aan een vriend: „Nationaal-Socialisme en Christendom zijn onverenigbaar ’, wat hij weliswaar al eerder had kunnen weten”.

Waaruit blijkt, dat de aanvaarding van de „Anschlusz” door Uhde te goeder trouw geschiedde. Waaraan toegevoegd moet worden, dat onnozelheid in bepaalde situaties ook een zonde kan zijn.

slo>^akije, het Oostenrijk

De ingang tot een roemrijk verleden (Oud-Cronings poortje)

Uit een interview, dat de Leider van de Slowaakse staat, Mgr. Tiso, voor kort gegeven heeft, citeert de Oecumenische Persdienst te Genève het volgende:

„De belangen van de Katholieke Kerk zijn veilig. Het katholieke leven zal zich van nu af aan bij voortduring tot volle bloei kunnen ontwikkelen. Wij beleven thans in dit land een grote katholieke wedergeboorte. Er is al veel gedaan om het katholieke leven sterker en dieper te doen wortelen. Wij hebben in alle scholen van Slowakije crucifixen laten aanbrengen. In alle scholen werd het godsdienstonderwijs als verplicht vak ingevoerd. De soldaten moeten Zondags de godsdienstoefeningen bijwonen. Ter bevordering van de Zon-

dagsheiliging hebben wij een Zondagssluitingswet uitgevaardigd. De gardisten van de Hlinka-Garde komen op Zon- en feestdagen in groepsverband naar de kerk, om de H. Mis bij te wonen. De Hlinka-garde heeft haar eigen aalmoezeniers”.

Op de vraag: „Zal de Slowaakse staat een corporatieve staat zijn?” antwoordde Mgr. Dr. Tiso: „Ja, de Grondwet is reeds in voorbereiding. De opbouw van deze corporatieve staat zal volgens de richtlijnen van Quadragesimo Anno geschieden”.

De andere christelijke kerken worden niet genoemd.

Het Christendom in Japan

Hoe elke kerkelijke wetgeving beoordeeld moet worden naar de omstandigheden, waarin zij geboren wordt, bewijst het oordeel van de Japanse christenen over de aanhangige wetsvoorstellen, regelende het toezicht op godsdienstige organisaties.

Tot nu toe was het christendom een vreemde godsdienst in Japan, waarmee de regering feitelijk geen raad wist. Lange jaren werd naar een goede regeling gezocht. Eindelijk is deze regeling het Lagerhuis voorgelegd ter goedkeuring.

Ziehier de kern van het wetsontwerp: Het zal zich niet bemoeien met de godsdiensten, wel met de organisaties. Alle godsdienstige organisaties komen onder controle. Zij moeten hun grondslagen en hun ganse inrichting aan de overheidsorganen meedelen.

Alle organisaties moeten een verantwoordelijk leider benoemen, die het contact vormt tussen de godsdienstige organisatie en de regering.

Als dat allemaal in orde is, dan hebben de godsdienstige gemeenschappen rechtspersoonlijkheid en behoeven ze geen belasting te betalen.

Hoe oordelen nu de Japanse christenen over deze nieuwe wetten? Aldus: veel hangt af van de houding van de plaatselijke overheid, waar de christelijke gemeenten mee te maken hebben.

Een groot deel van de Japanse bevolking heeft tot nu toe het christendom als een buitenlandse godsdienst beschouwd. Sinds onder de heerschappij van Tokugama de Japanse Christenen vervolgd werden, zagen velen in deze godsdienst een vreemd element in de volksgemeenschap. Door deze wet wordt het Christendom door de hoogste wetgevende macht erkend en wordt een verbinding gelegd met het godsdienstige leven van het Japanse volk.

Tachtig jaar gold het Christendom als een indringer in het godsdienstig leven. Rechtsgrond had het niet. Het werd slechts geduld, niet in rechte erkend. Deze wet geeft het eén rechtsgrond en stelt het juridisch op dezelfde grondslag als de andere godsdiensten van het Japanse volk, het Shintoïsme en het Boeddhisme.

Het betekent, dat de overheid de grote invloed van het Christendom in verleden en heden erkent. En het betekent tevens een mogelijkheid tot krachtsontplooiing in de toekomst.

Onder tbeologen

Een rechtzinnig theologe is in de theologenweek na Pasen naar Amsterdam gereisd, om onder haar stand- en sexegenoten te verkeren.

In het orthodoxe weekblad „Woord en Geest” geeft zij een verslag, waaruit ik sommige stukken citeer. Ik laat de schrijfster aan het woord.

„’s Middags vergaderden wij samen met de „Bond van vrouwelijke predikanten”, dames gemiddeld tussen de 40 en 50 jaar. De jongeren werden betiteld met „meisjes” en „kinderen”. Wat pretendeerden zij? Dachten zij heus nog aan de mogelijkheid later een baan te krijgen? Zij zaten hier als voorbeeld, hoe moeilijk het was: wie hunner had een levenspositie? Vrijwel geen één. Inspirerend voor ons jongeren!

Toch hoe hadden zij in hun jeugd (lang, lang ist’s her!) er voor gevechten. Inderdaad, sporen van strijd en glorie tekenden zich op veler gelaat af. Eén had het in ’t uiterlijk ge-