is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 34, 20-05-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de Kerkelijke Wereld

Uit de |eugdiieriiineringen yan Louis de Visser

Kennis te nemen van de godsdienstige beinvioeding, die publieke personen in hun jeugd ondergaan hebben, is steeds belangrijk. Zij bepalen immers vaak de houding tegenover de godsdienst in het verdere leven. Juist om het doodgewone, het volkse van zijn opmerkingen citeer ik uit de zeer onlangs verschenen levensbeschrijving van Louis de Visser, het communistisch Kamerlid, wat hij over zijn aanraking met de godsdienst schrijft.

Hij komt, zo vertelt hij, uit een zeer christelijke familie. Zijn ouders zijn in een weeshuis opgevoed. De rest van de familie liet zich aan die ouders niets gelegen liggen. Die groeiden dan ook in minder burgerlijke verhoudingen op, dan hun andere familieleden, tot de bekendsten waarvan de minister van Onderwijs, dr. J. Th. de Visser behoorde, een volle neef van Louis.

Zonder dat aan positieve vorming in die richting wordt gedaan, blijft christelijk geloof bij de moeder van Louis leven. De vader is jong gestorven en Louis is wel heel gauw aan zichzelf overgelaten. Zo komt het als jongen tot conflict over de godsdienst.

..Mijn moeder meende, dat mij van het socialisme grote gevaren dreigden, omdat het, naar zij dacht, tegen de godsdienst inging. Er ontstond tussen mijn moeder en mij een fel twistgesprek, waarin ik in mijn naïveteit juist zag, dat het werk Gods dat door de mensen in het algemeen, die zich Christenen noemden, werd verwaarloosd, door de socialisten met de daad werd ten uitvoer gelegd. Vanaf dit moment tot diep in mijn latere leven kan ik zeggen, dat de tegenstelling tussen mijn moeder en mij is blijven bestaan. En als ik sprak van de schrijnende tegenstelling, die er bestond tussen de christelijke naastenliefde, zoals die naar mijn gedachten in de practijk diende te worden gebracht en de godsdienstig-kerkeliike opvattingen, zoals zij .dan toch ook beleed, dan wees zij mij zelf de plaatsen in de Bijbel aan, bij voorkeur uit het Evangelie van Mattheus, waarin getoornd werd tegen de geveinsden, tegen 'het adderengebroedsel, dat de huizen der weduwen opat en dat onder de schijn van lang te bidden. Voor mij was dat echter niet voldoende, mijn

Hollands voorjaarsglorie

sympathieën gingen uit naar de socialisten, die hongerden en dorsten naar gerechtigheid en er voor wilden strijden. Later, toen ik in de socialistische beweging actief deelnam en meewarige kennissen mijn moeder beklaagden, dat zij zulk een verdoolde zoon had, dan verweerde zij zich steeds tegen dit medelijden. Zij was van mening, dat mijn streven niet m strijd was met de geest van het Christendom. Maar tot haar dood toe heeft zij het betreurd, dat ik. hoewel het goede nastrevende, nochtans een ongelovige was.”

Dit is het enige, dat de Visser over zijn verhouding met de godsdienst zegt. Wij polemiseren daar niet over. Wij constateren alleen, dat de Visser tot de tienduizenden behoort, die de godsdienst blijkbaar ondanks zijn moeder alleen maar in zijn reactionaire vorm heeft ontmoet en de weg tot het geloof niet vond, ofschoon hij gedreven werd door motieven, aan het christendom ontleend. Het is onze religieus-socialistische taak, er voor te zorgen, dat in de toekomst zulke kortsluitingen steeds minder plaats vinden.

Stanley Jones

Een typische trek van Amerikaanse mentaliteit is de enquête, die het grote sociaalvooruitstrevende Amerikaanse weekblad „The Christian Century” doet houden onder het motto: „Hoe is uw geestesgesteldheid de laatste 10 jaar veranderd?” In die serie schrijven belangrijke figuren. De vraag wordt dus de moeite waard geacht. Het voorlaatste nummer bracht Reinholt Niebuhr aan het woord en in dat van 3 Mei is het Stanley Jones, die zijn eigen veranderingen over 10 jaar registreert.

De vraag op zichzelf ligt ons niet. Er leeft bii ons wel een bewustzijn, deel te hebben aan allerlei veranderingen in het geestelijke klimaat, maar wij zullen niet spoedig een twintigtal figuren van gi’oot formaat bereid vinden, de veranderingen, die in 10 jaar bij hen plaats vonden, te beschrijven. Het kan niet anders, of daar moet tussen de Amerikanen en de Europeanen een verschil zijn in tijdperkbewustzijn. Terwijl voor het jonge Amerika 10 jaar lang is, is voor het oude Europa 10 jaar kort. Dat is geen periode, die gewicht in de schaal legt.

Het artikel van Stanley Jones op zichzelf trekt onze aandacht, omdat hij een internationaal-geëerd en veelgelezen figuur is. Hij heeft lang in voor-Indië geleefd, werkte voor „Verstandigung” tussen oost en west, kon daardoor ons westerlingen veel leren.

Zijn boek over het communisme heeft ons, religieus-socialisten echter geleerd, niet al te zeer op zijn autoriteit te bouwen. Verschillende communisten (niet de kundigsten) hebben gejuicht, omdat zij in dat boek een rehabilitatie van het communisme zagen. Anderen en daaronder vrijwel alls niet-communisten hebben het boek naast zich neergelegd, omdat hij toch wel tezeer het communisme interpreteerde van zijn Amerikaanse christendom uit. En daardoor het fundamentele verschil tussen christendom en communisme te kort deed.

Deze reserve wordt verstevigd, door dit laatste artikel, waarin hij dan in het kort zijn veranderingen weergeeft.

Van Barth wil hij slechts een kleine dosis aanvaarden, als was het Barthlanisme een soort zenuwstUlende poeder.

Hier citeer ik letterlijk;

Een aanmerkelijke wijziging heeft zich voorgedaan In mijn gedachteleven, betreffende de vraag, hoe de aard van dit Koninkrijk zich in het leven heeft te verwerkelijken. Ik zie nu, dat dit alleen maar door een gemeenschap kan. Hoewel het ingaan in het Koninkrijk een persoonlijke feit is, en plaats vindt door een nieuwe geboorte, is nochtans de aard van dit Koninkrijk maatschappelijk en moet zich maatschappelijk verwerkelijken. Zo kwam ik er toe naar een gemeenschap te zoeken, waarmee ik dit gemeenschaps-aspect va nhet Koninkrijk kon verwerkelijken. Ik vond deze in de „Astram Fellowshlp” een groepen Christenen van allerlei rassen en van allerlei belijdenissen, die pogen aan hun gemeenschappelijk leven te tonen de betekenis van het Koninkrijk Gods. Nu maak ik me gee nillusies omtrent het feit, dat deze demonstratie alles behalve volmaakt is. Maar het Koninkrijk is te verwerkelijken door een gemeenschappelijk leven van welke aard dan ook. De kerk moet in deze behoefte voorzien en ze doet dat ook dikwijls.

Het onbevredigende van dit standpunt is, dat hier tenslotte het Koninkrijk Gods gesteld wordt door mensenhanden alleen verwerkelijkt te kunnen worden. En dan nog voor Jones verwerkelijkt door een genootschap, de „Ashram Fellowship”, dat ongetwijfeld heel vroom zal zijn, maar zeker niet minder ongetwijfeld geen biezondere grondslag voor de verwerkelijking van het Koninkrijk Gods mag heten. En dan: „het Koninkrijk Gods is te verwerkelijken door een gemeenschappelijk leven van welke aard ook” Alsof niet juist het steeds weer gaat in de prediking van Jezus om zeer bepaalde aard, van het naderend Rijk en niet om een of ander gemeenschap waarvan de aard er niet toe doet!

Maar aan het eind komt de gedachte aan een bovenmenselijk, een waarlijk Gods-Koninkrijk naar voren. Met volle Instemming kunnen wij, dunkt mij, Stanley Jones de woorden nazeggen, waarmee hij zijn artikel besluit.

Dit Koninkrijk zal al de dictators en hun korte eendaagse koninkrijkjes overleven. Gisteren landden wij aan te Conica, het vaderland van de wereldveroverende Napoleon; vervolgens te Napels, waar een andere wereldveroveraar in de dop zijn heerschappij uitoefent; daarna in Griekenland, van waaruit Alexander uittrok om de wereld te veroveren. Morgen zullen we over Babylon vhegen en de bergen stof aanschouwen, achtergelaten door mensen, die veroveraars wilden zijn en de dag daarna zullen we op Perzië neerzien van waaruit zo vele militaristen kwamen, die de aarde deden sidderen. Allen zijn ze heengegaan en met hen hun Koninkrijk, allen, behoudens ene, Mussolini. Zal hij alleen het volhouden. Vanaf deze hoogte, waarvan men neerziet op het panorama, schijnt het onwaarheid om zelfs de gedachte te koesteren. Hij ook zal voorbijgaan en met hem h6ol d0 rost Maar uw Koninkrijk, o Christus, is een eeuwigdurend koninkrijk.

Het godlozen tijdschrift „Beobosjuik” moet vaststellen, dat het Verbond van Godlosen, dat in 1933 nog 5 millioen leden telde, tot minder dan 2 millioen is teruggelopen. Het grootste deel der leden neemt bijna geen deel aan de anti-godsdienstige propaganda.

Geestelijke iueiitbeseherming

Boven het hoofdportaal van de (R.K.) Maria-kerk te Bolton-le-Sands in het Engelse district Lancashire staat het volgende te lezen: