is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 39, 24-06-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLANDSE KRONIEK

Minister Van Dijk kan zelfs meer krijgen, dan fiij fiebben wil

De ministers van oorlog hebben lang een groot deel der Kamer en vaak ook de meerderheid tegenover zich gehad, ais zij met eisen kwamen, die over de schreef gingen. Die schreef reikte bij velen niet ver en was eng getrokken. De socialisten stemden steevast tegen elke oorlogsbegroting. Een aantal vrijz.- democraten en linksiiberalen was wel bereid voor niet al te hoge militaire uitgaven te stemmen, omdat Nederland, naar het bekende woord van Kerdijk, voor zijn fatsoen wel moet meedoen. De Roomsen zijn lang tegen Mars niet bijzonder scheutig geweest. Anders was het met de anti-revolutionnairen, die steeds een sterke band legden tussen religie en defensie in navolging van Cromwell, die de hand geroepen achtte voor gebed en geweer. Ontwapenaars, leden van „Kerk en Vrede” of de C.D.U. zijn daarom onwaardig geacht, leden der Geref. Kerken te blijven.

Er is een grote kentering gekomen; thans zijn bijna alle partijen in de Kamer bereid, zonder verzet of aarzeling den minister van defensie te geven, wat hij vraagt. En niet alleen het parlement maar ook het Nederlandse volk is meegesleept in de wedstrijd in de beste bewapening, hoewel het zeker is, dat deze wedstrijd eerst miilioenen guldens en daarna onvermijdelijk miilioenen levens zal kosten. Hoe meer wapenen er zijn, des te zekerder komt de oorlog. Wij doen ook mee, al komen wij als kleine natie met korte beentjes achteraandribbelen. Bijna geen enkele stem laat zich in de Kamer horen tegen de buitengewoon zware lasten, die defensie de laatste twee jaar aan schatkist en volk stelt. De minister kan krijgen, wat hij wil en zelfs meer dan dat. Zelfs de N.R.Crt., die anders als een degelijke, zuinige huisvrouw de staatsuitgaven wü verminderen, opdat er evenwicht kome met de inkomsten, wordt luchthartig en is niet bang voor het maken van schulden, wanneer het verdedigingswerken of slagschepen betreft. En het meest bedenkelijk is wel, dat dit in ons volk geen verzet van enige betekenis wekt. Wij kunnen niet anders, wij moeten wel! Zo is thans de publieke opinie. Vroeger sprak men van het militairisme als van een onverzadigbare slokop; thans acht men de enorme uitgaven voor leger en vloot noodzakelijk als voor een dure motorspuit uit een arme gemeentekas, om toch maar met de beste middelen tegen brandgevaar te kunnen optreden. Als het kanon ook maar even doelmatig werkte ais de brandspuit en men er het oorlogsvuur mee zou kunnen blussen of zijn voortgang stuiten! Ais het gevoel dat achter het kanon staat, evenals dat bij de brandspuit het verlangen was, om te redden en de macht van verwoesting te beperken! Als de man achter het kanon met evenveel vrede na zijn werk rust kon genieten als de spuitgast, wanneer het vuur overwonnen is en de slangen weer opgerold kunnen worden!

De legersterkte van 19.500 man is in een paar jaar vermeerderd tot een van 32.000 man en in de Kamer gingen de vorige week meerdere stemmen op, om nog veel verder te gaan. De eerste oefeningstijd van maand is tweemaal langer geworden en de regering heeft bovendien de bevoegdheid gekregen, om de soldaten 24 maanden onder de wapenen te houden. Weinige jaren geleden zou tegen dergelijke plannen een heftige volksbeweging ontstaan zijn en zou geen minister daarvoor in de Kamer een meerderheid hebben gekregen. Maar nu kan alles. Slechts twee sociaal-democraten stemden tegen de nieuwe Dienstplichtwet.

Vechten zullen en moeten wij! Zo is de stemming van regering en parlement en bij het volk in grote meerderheid. Of verweer bij een mogelijke aanval veel baten zal? Of wij meegesleurd in een strijd tussen de grote mogendheden, zelfs als we daarbij aan de kant

der sterksten komen te staan, onze zelfstandigheid zuilen kunnen bewaren? Of het gevaar van een aanval geringer zal worden, wanneer wij naar alle zijden zo paraat en sterk mogeiijk zuilen zijn? Dat zijn vragen van gewicht, afgezien van de zedeiijk-godsdienstige bezwaren tegen alle ooriogswerk en voorbereiding daartoe. Maar wat kunnen we in de tegenwoordige omstandigheden anders doen? Zou het voorbeeld van een kleine natie, die de oorlogswapenen neerlegde te midden van een wereld, die onder een doem van bewapeningsnoodzaak schijnt te liggen, niet bevrijdend werken? leder vreest de oorlog, ieder verkiest de vrede en ieder roept, door bewapening voor te staan en voor sterkere bewapening te ijveren, het gevaar van de oorlog dichterbij. Ais de harten konden en durfden spreken, dan zou men waarschijnlijk ook de meerderheid der Duitsers en Italianen tegen de oorlog horen getuigen.

Men gelooft echter niet in zedelijke krachten, of meent ze met kanonnen te kunnen dienen. Dat is de noodlottige dwaling van onze tijd.

Zal Coiijn kunnen, wat De Wilde niet vermocht?

Door de interpellatie-Wijnkoop over het aftreden van minister De WUde is zeker geworden, wat men allang vermoedde, dat het ministerie allesbehaive eensgezind is. Minister De Wüde is heengegaan, omdat de andere ministers te veel geld wilden uitgeven. Dat zal zeker wel in het bijzonder doelen op de ministers van Sociale en Economische Zaken. Minister Slotemaker de Bruine is er zeker onschuldig aan; die wil alleen maar verkwistend met de ennetjes in onze taal omgaan. Ook heeft minister De Wilde zeer waarschijnlijk geen bezwaar gehad tegen de sterke stijging der uitgaven voor defensie, mits de andere ministers maar extra zuinig wilden zijn. Of het geschil echter alleen van financiële aard is? Tussen de ministers Coiijn en zijn collega’s van Sociale en Economische Zaken zijn principiële verschUien, die niet alleen de schatkist betreffen. Coiijn heeft afgewezen een luchthartige financiële politiek van voortdurend regeren met tekorten op de gewone dienst. Hij eist besparingen in overeenstemming met noodzakelijke verhogingen, zodat uitgaven en inkomsten elkaar weer zullen dekken. Zijn de andere ministers daartoe niet bereid of in staat, dan gaat hij heen en met hem het ministerie.

Zal zijn gezag sterker blijken en meer uitwerken dan van den vorigen minister van Financiën? Zuilen we dan een versterking der aanpassingspolitiek krijgen, een politiek van loondruk en salarisverlaging, van het potlood, dat gaat schrappen in de uitgaven voor onderwijs, volksgezondheid, kunst, sociale wetgeving enz.? Zelfs wanneer alle ministers daartoe zouden wUien meewerken, zal men nog geen eensgezinde regering krijgen. Minister Coiijn is een gereformeerde liberaal; daarom was hij bij de laatste verkiezingen voor de Kamer ook de man naar het hart der liberalen; de Roomse ministers van Sociale en Economische Zaken zijn voorstanders van ordening, van het leiden en richten der maatschappelijke krachten, die de liberalen vrij wUien laten werken, De vrije werking der maatschappelijke krachten is het goedkoopst, maar niet het best m gebruik. Bovendien moet niet de staatshuishouding, maar de volkshuishouding in de eerste plaats geholpen worden. De zuinigheid der aanpassingspolitiek bedriegt zeker de wijsheid, Door vermindering van inkomens en verarming van het volk brengt men de staatshuishouding nog meer in de war. Een verstandige boer bezuinigt niet op het veevoer; magere, slappe koeien geven geen melk. Er moet wat in, om er wat uit te halen! is wijsheid, die ook buiten de stal geldt. Daarom is terecht tegenover de aanpassings- en bezuinigingspoiitiek de welvaartspolitiek geplaatst. De ministers moeten

binnen veertien dagen komen met bezuinigingen op hun begrotingen der uitgaven voor 1940 en anders gaat Coiijn en met hem de regering heen. Het is wei heei onwaarschijnlijk, dat dit lukken zal en de heren het met elkaar eens zuilen worden, op welke begrotingen bezuinigd en tot welk bedrag en op welke posten bezuinigd zal worden. Ook zuilen zeker niet allen in een sluitende begroting in deze buitengewone omstandigheden de hoogste wijsheid en het heU der natie zien.

Terecht merkt ~De Maasbode” op, dat een politiek, die een half mllliard voor defensie en daarnaast afbraak van sociale, hygiënische en culturele voorzieningen benevens salarisverlagingen eisen zou, een onoverwinnelijke tegenstand zou oproepen.

Een regeringscrisis komt in deze moeilijke tijd zeker zeer ongelegen. Maar het is nog meer ongewenst, dat het schip van staat genavigeerd wordt door een staf van officieren, waarvan een deel zich mokkend neerlegt bij de wil van den kapitein.

Fouten, geen schandalen

Het rapport over de erfpachtskwestie, waarbij drie Amsterdamse sociaal-democratische gemeenteraadsleden betrokken zijn, heeft tegenstanders van het socialisme doen gnuiven: Nu hebben ook de roden hun Oss! Er is een groot verschil. Door het rapport in zake Oss is gebleken, dat er mannen onverdiend en onrechtvaardig gestraft zijn, al maakten zij fouten. Er is echter in Amsterdam geen onrecht gepleegd, al hebben de drie sociaal-democraten ernstige fouten begaan. Sterk opgeblazen is het oordeel van „De Telegraaf”, dat het rapport een somber beeld van de aftakeling van het gemeentebestuur der hoofdstad geeft.

Het „Handelsblad”, dat men zeker niet verdenken zal van vergoelijken of verkleinen van de fouten door sociaal-democraten gemaakt, schrijft: Met voldoening zien wij, dat er van enige corruptieve handeling noch van overheidspersonen noch van ambtenaren gebleken is.

Wel zijn er door alle drie ernstige beleidsfouten gemaakt. Men kan van wethouder De Miranda zeggen, dat hij te eigenmachtig gehandeld heeft, dat hij zijn wil heeft doorgezet, alsof hij alleen te beslissen had, dat hij in de fouten vervallen is van een ijverigen, krachtigen bestuurder, die tegengewerkt wordt. Zijn wü om werklozen aan het werk te zetten en de volkshuisvesting te dienen heeft tot zijn fouten geleid. Het raadslid Gulden was financieel te zeer afhankelijk van het bouwkapitaal om het raadslidmaatschap uit te oefenen en mede te beslissen over de uitgifte van erfpachtgronden. Het raadslid Matthijsen heeft in een geval het belang der partij zwaarder laten wegen dan het belang der gemeente. Van persoonlijke bevoordeling is echter geen sprake. Wij wUlen ons door famUiegevoei tegenover partijgenoten niet laten verleiden, een oogje dicht te doen voor fouten, die zij maakten. Misschien is him positie in de gemeenteraad er wel ónmogelijk door geworden. Tegenover de ernstige beleidsfouten door den wethouder in deze kwestie gemaakt, staat echter zijn grote verdienste. Hij heeft ais bekwaam bestuurder en harde werker de gehele gemeente, en in het bijzonder de Amsterdamse arbeiders, vele diensten bewezen en de fouten, die hij gemaakt heeft, zijn de fouten van zijn deugden.

De democratie werkt als een bezem en wij moeten de bezem ook hanteren om eigen huis te reinigen. Het pleit voor het sociaal-democratisch lid der commissie, dat hij rechtvaardig en onpartijdig genoeg was om de fouten van zijn partijgenoten te erkennen en mee te gaan met het oordeel, dat er door het drietal ernstige beleidsfouten gemaakt zijn. J. A. BRUINS.

Eericht:

Wij verzoeken de medewerkers aan „Tijd en Taak” en de secretarissen der R.S.G. al hun copie tot en met Maandag 26 Juni te willen toezenden aan mevr. I. Donker Rutgers, 73 Groenburgwal, Amsterdam C.