is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 41, 08-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de kerkelijke wereld

Crematie en Christendom

Een lezer heeft ernstig bezwaar gemaakt tegen mijn opmerking over de crematie in het nummer van 17 Juni. Men zal zich herinneren, dat ik een stukje opnam van de hand van ds. J. C. van Dijk, die in de crematie de ontkerstening van het openbare leven zag, terwijl ik eraan toevoegde, dat de crematie aestethisering, verfraaiing van de dood was.

De opponerende lezer, wiens stuk te lang was om in zijn geheel op te nemen en waarvan hier de kern van zijn betoog volgt, noemt deze zienswijze reactionair. Voor de orthodoxe Christen moge, zolang hij vasthoudt aan het geloof in de lichamelijke opstanding, dit zo zijn, „doch zijn vrijzinnige broeder, als hij Christocentrisch is ingesteld, zal weten, dat Christus in zijn wezen is opgestaan. Hij zal in principe weten: niet meer ik leef, doch Christus leeft in mij, als dominerende Macht, hoe versluierd ook!”

„Dat is levende openbaring van de Hemel”, zo schrijft hij, „die ik boven de dode traditie, al of niet met hoge hoeden, verkies. En waarom zou dit niet op schone wijze geschieden? Is de Waarheid niet schoon uit zichzelve en schoon en troostvol en sterk in zichzelve? Schoonheid is nooit troosteloos; zij komt van de Hemel en zij leeft uit de Hemel; zij wijst en voert naar „de Hemel” en ontvoert de wankele en geslagen mensenharten voor één ogenblik aan de leugen van de stof. Want leven is Geest: levenszin is vergeestelijking en vergeestelijking is op schoonheid gericht en in wezen grensloos, is dus in wezen een negatie van de grens, die de Dood trekt.

Wij moeten vooruit op ieder gebied, een dode traditie van de dood niet handhaven maar een bewust doordachte en in heilig schouwen aanvaarde slotacte van dit leven op sob’re, waardige wijze voorstaan als pioniers van een komende beschaving, een vernieuwd, waarachtig-Christelijk levensbesef, een nieuwe levensstijl, die uit volkomen eerlijke, ja, heroïsche aanvaarding en waarachtige levenseerbied opbloeit en in deemoed gegrond is.”

Tot zover mijh tegenstander. Nu wordt het moeilijk, daarop te antwoorden. Want ook al zou ik mij geheel met zijn zienswijze kunnen verenigen, dan nog volgt daar niet uit, dat crematie aanvaard en begraving verworpen moet worden.

In het algemeen kan men niet zeggen, dat het verwerpen van het oude, omdat het oud is, noodzakelijk is om niet reactionair te zijn. Bovendien: crematie is even oud als begraven. Dat het zich hier nu als een nieuw verschijnsel voordoet, komt, omdat verschillende argumenten, aan de maatschappij ontleend, ertoe noopten deze oude, maar voor onze cultuur nieuwe wijze van lijkbezorging hier ingang te doen vinden. Ik, die reeds enige jaren lid was van de Arbeidersvereniging voor Lijkverbranding, behoef deze argumenten niet meer door mij heen te laten gaan. Die argumenten, hoofdzakelijk van sociaal-hygiënische aard, laat ik nog steeds tot belangrijke hoogte gelden. Waar het mij echter om gaat is dit: de Christelijke traditie heeft lijkverbranding verworpen. In het begraven heeft zij een stuk van haar overtuiging neergelegd. Het geloof in de wederopstanding uit de doden speelde daarbij een grote rol. Maar niet de enige rol. Er ligt ook eerbied voor de stof in. Voor het lichaam.

Het is hier niet de plaats, om er verder diep op in te gaan. Daarom volsta ik met twee opmerkingen:

Ten eerste: er is geen reden voor den Christen, om vormen, die niet dood zijn, die weliswaar voor een deel hun zin verloren hebben, maar voor een ander deel in de lijn der geloofsovertuiging liggen, af te schaffen, en ze te vervangen door een even oude vorm, die echter ontleend is aan een cultuur, waar onze geloofsovertuiging maar zeer ten dele in worteit. Concreter: het Christendom heeft Griekse elementen in zich opgenomen. Maar daarom behoeven wij toch niet, in afwijking van de lijn der

Christelijke traditie, een stuk Griekendom over te nemen, om dan te menen, dat wij daardoor uit een waarachtig-Christelijk besef gaan leven!

Ten tweede: Het standpunt van mijn opponent kan heel diep zijn, het kan zijn grote waarde hebben, maar het wortelt niet in de voorstelling van het Christendom. Dat is op zichzelf geen bezwaar. Als hij dan maar niet de mening is toegedaan, dat hij, de christelijke voorstellingswereld verlatende, tot het waarachtige Christendom komt. Om nog duidelijker te zijn: nooit zal een Christen, links of rechts, spreken van de leugen van de stof. Want hij weet, dat de aarde en hare volheid des Heren is. Nooit zal een Christen, links of rechts, zeggen, dat Leven Geest is. Hij weet, met Paulus (Rom. 8 vs. 14), dat wie door de geest van God geleid wordt, Zijh kind is. Maar hij weet juist ook, dat Leven en Geest tevaak felle tegenstellingen zijn.

Conclusie: er is geen bijbels gebod te vinden, dat crematie verbiedt. Het feit echter, dat, op enkele uitzonderingen na, crematie door de Christenen van alle eeuwen is afgewezen, dwingt ons, ons er rekenschap van te geven, dat het méér dan een vormkwestie is. Het hangt alleen ervan af, hoe zwaar men die traditie laat gelden, of men aan blijft sluiten bij een eeuwenoud gebruik, dan wel of men een andere oude traditie weder opvat. De innerlijke noodzaak van d.at laatste zie ik als Christen niet in.

Het geral Ekering

Men weet het: ds. mr. Ekering ijvert voor de N.S.B. De Amsterdamse kerkeraad moet daar niets van hebben. Er wordt gediscussieerd, maar tot een besluit kan men niet komen. Niet, omdat de kerkeraad niet in meerderheid tegen het nationaal-socialisme zou zijn. Integendeel. Maar omdat een dergelijke uitspraak geen effect zou sorteren. De Ned. Herv. Kerk is een kerk zonder leertucht.

Nu is deze predikant tot lid van de Gemeenteraad verkozen. Weer komt de kerkeraad samen. Maar nu spreekt hij als zijn mening uit, dat het niet gewenst is, dat ds. Ekering lid is van de Gemeenteraad van Amsterdam.

En ook het orgaan van de Ned. Predikantenbond heeft een woord meegesproken. Het spreekt, als gewoonlijk, duidelijke taal: de N.H. Kerk moet haar predikanten verbieden, lid van de gemeenteraden te zijn, zoals zij ook tot emeritaat gedwongen worden, als zij lid zijn van de Staten-Generaal of van de Provinciale Staten. Ten gevolge daar weer van zijn op de jongste classikale vergaderingen voorstellen bij de Synode ingediend om een samengaan van predikantenambt en lidmaatschap van de gemeenteraden onmogelijk te maken. Zo heeft het geval-Ekering heel wat deining veroorzaakt.

Wij stellen nu de vraag: is dat juist? Ik meen te moeten antwoorden: neen. Ik zie nu geheel af van mijn persoonlijke voorkeur. Het lijkt mij n.l. uitgesloten, dat ik voor mijzelf een candidatuur voor enige gemeenteraad zou aanvaarden. Zo denken verreweg de meeste predikanten en ook gemeenteleden erover. Maar daarom is het nog geen reden te verbieden. Vooral niet, omdat hier een N.5.8.-er de stoot zou moeten geven. Dat is in ieder gevM teveel eer aan deze mannen bewezen.

Het afwijzen van een gemeenteraadszetel voor predikanten berust op verschillende motieven. Ik zie er drie:

le. De predikant staat boven de partijen. Antwoord: dat is in feite niet waar. De predikant hoort, als hij daar roeping voor voelt, in de partijen te staan. En daar predikant te blijven. De predikant moet de verscheidenheden in de maatschappij volkomen in ernst nemen. Al zal hij er niet in mogen blijven steken.

2e. De predikant heeft zijn bijzondere werkkring niet in de gemeenteraden.

Antwoord; dat laat ik gelden. Voor mijzelf en voor honderden anderen. Maar ik kan mij' gevallen voorstellen, dat een bijzondere begaafdheid hem daar wel zet. Zoals een predikant óók redacteur van een krant, secretaris van een boerenleenbank, voorzitter van een waterschap, lid van een woningbouwcommissie kan zijn. En soms met ere is. De Kerk treedt op alle levensgebieden op. Als er dienaren zijn, die bijzondere bekwaamheden hebben voor een dier gebieden, dan is het een zegen voor de Kerk, indien zij ook daar haar mannen heeft.

3. Het strijdt met de waardigheid van het ambt.

Antwoord: dit is alleen te aanvaarden, als de practische politiek minderwaardig zou zijn. Dan zal elke predikant, en met hem de Kerk, er tegen moeten vechten. Maar nu er alle reden is, om het gebied der practische politiek hoog te houden als het terrein van zedelijke arbeid, mag dit geen reden zijn, om in het bijzonder predikanten daarvan af te houden. De Kerk verbiedt haar dienaren niet actief deel te nemen aan de militaire dienst. Waarom dan wel als het zo uitkomt, deelnemen aan de burgerlijke dienst verbieden?

Het is niet te hopen, dat het geval-Ekering tot een gelegenheidswetgeving leidt. Daarvoor is het geval de moeite niet waard en daarvoor worden argumenten gebruikt, die niet op de hoogte van hun zaak staan.

Geestelijken in opleiding

Hier volgen de cijfers van de geestelijken in Nederland, gegeven voor „Sancta Maria” van 1 Juni 1939.

Rooms-Katholieken: Cursus 1937—’38 waren ingeschreven aan de gezamenlijke grootseminaria en R.K. universiteit: 3146, dat betekent 1 a.s. geestelijke op 1040 Rooms-Katholieken.

Joden: Aan de seminaria 77 leerlingen, dat is 1 a.s. geestelijke per 1623 Joden.

Oud-Katholieken: ingeschreven aan het seminarie 3 leerlingen, d.w.z. 1 a.s. geestelijke op 3400 Oud-Katholieken.

Protestanten: Ingeschreven aan de universlteiten, theologische scholen en het zendingsinstituut: 961 leerlingen, dat betekent 1 a.s. geestelijke op 4086 protestanten.

Een niet Ie belvrijfelen mededeling

In aflevering 11 van het godlozentijdschrift „Partynoje Stroitelstwo” schrijft Jaroslawsky, de voorzitter van de Godiozenvereniging, het volgende:

„De van de Staat gescheiden Orthodoxe Kerk heeft in de collectieve boerenstand «n nieuw sociaal fundament gevonden. Er zijn veel voorbeelden aan te voeren, dat de kerk door de kolchozen (de collectieve landbouwbedrijven) gedragen wordt. Dat gaat zo ver, dat de kolchoz-brigades het brandhout voor de kerk vervaardigen en de daarvoor gebruikte arbeidstijd door de leiding va.n de kolchoz als „geldige arbeidsdagen” wordt gerekend. Zich beroepend op de grondwet van Stalin verklaren de leden van de kolchoz, dat zij gerechtigd zijn bij meerderheid van sternmen het houden van regelmatige oefeningen door te zetten. Een sociale basis vindt de Orthodoxe kerk echter ook in de stad onder de arbeiders, ja zelfs in de kringen van de Sowjet-intellectuelen. Daar de planmatige uitroeiing van de christelijke godsdienst niet het gewenste resultaat heeft gehad, geloven nog steeds millioenen mensen, dat onder Gods wil geen haar op hun hoofd gekrenkt zal worden.”

Vrijzinnige opgang

Dr. H. Faber schrijft in zijn alleszins lezenswaardige kroniek in „Theologie en Practijk” van Juli j.l. over de positie van de Vrijzinnigen. Die is, vooral internationaal gezien, niet gunstig. Maar, zo vervolgt hij, er zijn tekenen van kentering.

„Merkwaardig, dat op politiek gebied hetzelfde verschijnsel zich voordoet. De gemeenteraadsverkiezingen tonen, hoe de'was van het aantal vrijzinnige stemmen doorzet, en internationaal tekent zich een democratisch blok steeds duidelijker als een geharnaste grootheid in de wereld af.”