is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 41, 08-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KRITISCHE KRONIEK

ESSAYS

De beschouwingen, die er zoal over boeken geschreven worden, kan men verdelen in vier soorten, waarvan de grengien overigens niet scherp te trekken zijn: boekbeoordelingen, kritieken, essays en studies. In wat vrije toon zou men kunnen zeggen, dat boekbeoordelingen een slecht gepïe kritieken zijn, of kritieken een superieur slag boekbeoordelingen. De meeste boekbeoordelingen worden geschreven door onbevoegde lieden over onbelangrijke boeken; ze horen dus inderdaad thuis waar ze de ochtend na hun verschijning reeds plegen beland te zijn: in de vergetelheid. De verschillen tussen kritiek en essay liggen niet in de omvang, hoewel inderdaad meestal het essay langer is. Dit echter is een begrijpelijk gevolg van het principiële onderscheid: een kritiek houdt zich bezig met één werk, hoogstens met enkele werken, en tracht daarvan de waarde te beoordelen; een essay poogt een samenvattend begrip te formuleren, en streeft dus in zekere zin van het bijzondere naar het algemene.

Dit is weer de overeenkomst tussen essay en studie, die overigens verschillen, doordat de studie wetenschappelijk moet zijn, en dus dient te worden opgetrokken op een basis van feiten, terwijl het voor een essay voldoende is, niet tegen de bekende feiten te zondigen. Uit het bovenstaande blijkt reeds, dat een essay vaak subjectief zal zijn en zelfs geen poging behoeft te doen om die subjectiviteit te verbergen.

Ik weet in de moderne litteratuur nauwelijks mooier essays, dan de boekjes, door Henriëtte Roland Holst gewijd aan Gezelle en aan Gorter. Hun belang ligt geheel in de confrontatie : zij zeggen zowel iets over de beschrevene als over de schrijfster, en in beide opzichten iets bijzonders. Het is dus stellig een grote lof, wanneer ik meen., dat het nieuwe grote essay van Bernard Verhoeven: „De zielegang van Henriëtte Roland Holst” (Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht), nauwelijks voor de genoemde boekjes onderdoet. Veertien jaar geleden heeft Verhoeven onder dezelfde titel een werkje gepubliceerd, dat uiteraard niet verder kon reiken dan de verzen van „Tusschen twee Werelden”; de gehele religieus-soclalistische periode van Mevrouw Roland Holst, een periode van een ongekende publicistische arbeid, bleef dus onbeschouwd.

De thans verschenen herdruk heeft dan ook een dubbele omvang verkregen, en in het nieuwe tweede gedeelte vindt men zowel de lekenspelen als de biografieën besproken.

Ik wil niet verzwijgen, dat het katholicisme van den schrijver mij soms wat al te nadrukkelijk aanwezig is in kleine zinnetjes, die zonder enige schade gemist hadden kunnen worden maar aan de andere kant zie ik zeer goed, dat ook het omgekeerde gezegd kan worden ert waarschijnlijk van roomse zijde gezegd zkl worden: Verhoeven heeft een bijna oncritische bewondering voor Henriëtte Roland Holst en neemt veel minder vaak een houding van principieel verzet aan', dan men van hem mocht verwachten.

Naast het boek van Proost, dat het politieke leven van deze grootste socialistische dichteres behandelt, is het essay van Bernard Verhoeven voorlopig het enige, dat op verant■woorde wijze het dichterlijke ie ven bespreekt. Kleine vlekken, die met iets studieuzer nauwgezetheid te vermijden waren geweest, vond ik op pag. 9: „het stoer-Hollandse skeletvaste sonnet der Tachtigers” is met de waarheid in strijd; op pag. 34, waar Verhoeven het over versvoeten heeft, als hij lettergrepen bedoelt; op pag. 35 en 38, waar niet Wijnkoop maar Gorter zou jnoeten staan; op pag. 59, waar Verhoeven ogenschijnlijk onbekend is met het bestaan van een Russische revolutie-poging in 1905; „De Opstandeiingen” is allerminst een voorspelling van een kO'mende, doch een naspel van een voorbije opstand; op pag. 98 en 120, waar Verhoeven de bundel Verworvenheden dateert op 1928, terwijl hij reeds in het voorjaar van 1927 in een luxe-editie verscheen, een halfjaar vóór Heldensage. Dit laatste punt is eigenlijk niet meer tot de kleine vlekken te rekenen, want Verhoeven bouwt er een deel van zijn betoog mee op.

Nog één opmerking moet mij van het hart: het boekje is „versierd” met twee portretten, waarvan het eerste weinig minder dan ontzettend genoemd moet worden. Het is met de iconografie van H. Roland Holst een vreemd geval: tot voor een jaar of vijftien was er van haar geen enkele portret bekend, en thans is het dozijn bereikt, zo niet overschreden het lijkt mij van het goede te veel.

Een geheel ander karakter vertoont de nieuwste publicatie van Marsman: Menno ter Braak (Querido, Amsterdam). Want Marsman’s onderwerp is geen afgerond dichterlijk levenswerk van een in wezen mystieke figuur, doch een nog steeds als inzet en voorbereiding aandoende reeks essays van een polemische intelligentie. Hoe opvervangbaar belangrijk ook de serie boeken van Ter Braak is ze zijn nog steeds vol „beloften”, ja, misschien Is het onvervulde zelfs wel hun gróótste kvraliteit.

Met uitzondering van het slotgedeelte was de tekst reeds bekend uit de vorige jaargang van „Groot Nederland”, en terecht werd er toen opgemerkt, dat dit essay een wijziging betekent in Marsman’s werkmethode. Vooral als men het vergelijkt met het ongeveer even grote boekje over Gorter, ziet men een opmerkelijk verschil, dat slechts ten dele op rekening van het onderwerp kan worden geschoven. Het hautaine, absolutistische, betweterige, dat bij Gorter onaangenaam treft, mist hier volkomen; de van boek tot boek voortschrijdende beschouwing raakt Ter Braak op vele punten: slechts op één punt schiet m.i. Marsman tekort: de intelligente humor van Ter Braak, een essentieel bestanddeel van zijn schrijverschap, komt niet tot z’n recht.

Hierin vind ik althans voor mijzelf de verklaring, waarom de herlezing mij minder bevredigde dan de eerste kennismaking verleden zomer.

Totnutoe lag een deel van Vestdijk’s veelzijdigheid onder krantpapier begraven. Als novellist en romanschrijver bracht hij zijn werk binnen ieders bereik, als kritikus en essayist had hij zijn talloze beschouwingen in tijdschriften en dagbladen verborgen gehouden. Thans omvat een uitvoerig boekwerk „Lier en Lancet” (Nijgh en Van Ditmar, Rotterdam) een verzameling van veertien essays, waaronder enkele zeer grote. Enerzijds ligt in deze essays het accent sterk op het studieuze, anderzijds zijn ze vol wendingen en speculaties, die typisch persoonlijk van Vestdijk zijn. Als samengevat geheel acht ik dit boek belangrijker voor de kennis van hém, dan voor de kennis van de beschouwde gestalten.

Ik erken, dat ik niet bevoegd ben zijn oordeel over Engelse, Franse en Duitse kunstenlaars te beamen of te bestrijden, maar gelukkig handelt het laatste gedeelte over enige Nederlanders, waaronder ik tot mijn spijt Verwey heb gemist. Wat men hier leest over Greshoff, Engelman, Hendrik de Vries, Du Perron en Slauerhoff, is een even belangwekkende als een;zijdige bijdrage tot de kennis van hun kunst en hun persoonlijkheid. Eenzijdig, omdat uitsluitend de naar Vestdijk toegewende zijde gezien en beschreven wordt; belangwekkend, omdat Vestdijk zelden of nooit zijn rangorde verliest en tot ónder het belangwekkende daalt. Al zou ik wél willen, dat hij de voortreffelijkheid van een heldere formulering boven een ingewikkelde, en van een beknopte boven een omvangrijke in kon zien, zodat althans de vele önnodige moeilijkheden uit zijn critische werk verdwenen.

Tot slot een klein essay van den pas-bekroonden (en terecht bekroonden) dichter Ed. Hoornik over „J. Greshoff, dichter en moralist” (P. N. van Kampen en Zoon, Amsterdam). Men vindt hier een welbewuste confrontatie tussen één der leidende „jongeren” en een ouderen leider van de reeds weer iets ouder geworden jongeren-van-gisteren. Misschien zijn de drie jaren, die ik van; Hoomik verschil, beslissend; zeker speelt ook het onderscheid tussen een litterair-critische en een litterair-historische voorkeur een rol. Hoe het zij: verder dan „wel aardig” kan mijn waardering in dit geval niet gaan.

G. STUIVELING.

Instituut voor Religieuze en Kerkelijke Kunst Beeldhouwwerken van Wilhelm Grosz

„Christus Expulsus”

Achter St. Pieter no. 14, in de schaduw van de Domkerk, vindt men in Utrecht het Instituut voor Religieuze en Kerkelijke kunst. Het getuigt van wijs beleid, dat men voor de twee grote vertrekken waar Religieuze en Kerkelijke kunst wordt tentoongesteld, de naam ~Instituut” heeft gekozen..

Want, doordat men hier de mogelijkheid heeft geschapen voor steeds wisselende tentoonstelingen, mist dit Instituut de starheid, die een Museum dikwijls kenmerkt.

De tentoonstellingszaaltj es bieden vele mogelijkheden, zowel voor het exposeren van schilderijen als beeldhouwwerken. Voor de eerste schijnen zij ons over het algemeen beter geschikt, dan voor het tweede. In het achtervertrek mag de belichting voor schilderijen

voortreffelijk heten. De donkere hoeken doen de beeldhouwwerken, met name de donkerkleurige houtplastiek van Wilhelm Grosz, niet steeds op hun voordeligst uitkomen. Niettemin valt er nog genoeg te genieten.

Wilhelm Grosz is één van de belangrijkste hedendaagse Duitse beeldhouwers. In zijn werk ontdekt men ontegenzeggelijke verwantschap met zijn kunstbroecfer Barlach, die zich echter meer bepaalt tot een overeenstemming in de werkmethode dan wel tot een scheppende gelijkgestemdheid.

Zoals men weet, modelleerden zowel Rodin als Kolbe hun plastische vormen eerst in klei om ze daarna hun eindvormen te geven in het materiaal, dat de scheppers daarvoor uitkozen. Beide, Barlach en Grosz gaan daarentegen van het standpunt uit, dat de stof primair is en dat de kunstenaar in de eerste plaats haar dienaar zij. Zij scheppen dus hun figuren uit het materiaal en onderwerpen zich geheel en al aan haar bijzondere eisen. Grosz is in tegenstelling tot Barlach echter zuiver christocentrisch. De laatste is pantheïstisch en Grosz zelf acht dit verschil belangrijker dan de meer technische overeenkomst tussen hem en Barlach. In Grosz’ werk is de Christusfiguur het allesbeheersende thema geworden. Van de vooroorlogse jaren is vooral zijn meer dan levensgrote sikkelslijper de moeite waard. Daarna concentreert zich iedere schepping om een bijbelse figuur. Het is de oorlog geweest, die in Grosz deze ommekeer heeft teweeg gebracht.