is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 42, 15-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OPENHEID

Markus 1. 9—ll. In die dagen kwam Jezus van Nazaret in Galilea en werd in den Jordaan door Johannes gedoopt. En toen hij uit het water steeg, zag hij aanstonds den hemel scheuren en den Geest als een duif op zich nederdalen, terwijl een stem uit den hemel kwam: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb Ik welgevallen.

I Jobannes doopte aßen, die tot hem kwamen in het „levende”, het stromende water van de Jordaan. Van oudsher had het Joodse volk zijn rituele wassingen gekend allerlei oud bijgeloof had zich daarin gehandhaafd —, waarmee men zich „heiligde”, afzonderde voor God, evenals door vasten. En In verschillende secten was de onderdompeling daarenboven —■ of daarboven als symbolische handeling opgekomen: worde de ziel gereinigd zoals het lichaam. Zo Is dan ook hier sprake van ~de doop der bekering”. De gedachte van deze bekeiingsdoop leeft nog altijd, waar men, mln of meer bewust, bezwaar maakt tegen de kinderdoop, die het accent zo zeer verlegt naar de biddende belovende ouders. En b.v. In Friesland met zijn sterke „doperse” Inslag komen de ongedoopte volwassenen dan vaak moeilijk tot de kerk, omdat zij zich niet bekeerd achten, of weinig neiging hebben tot een In- | nerlßke ommekeer! I

Zover reikt de invloed van de Johannesdoop die het jonge Christendom overnam.

Onze plaat toont, naar de overlevering, die alle vier de evangeliën geven, Jezus in het water van de Jordaan. Bij Mattheüs vinden we al de verwondering der christelijke gemeente dat Jezus zich door Johannes dopen laat, maar Markus vertelt argeloos over den mens, die zijn gezindheid in een daad wU waar maken.

Maar toen Jezus uit het water steeg, zag hij de hemel scheuren. Als bij Jezaja, als bij Jeremia vangt ook bij Jezus het werk aan met een vizioen. Hij staat in hun lijn, maar dit vizioen is het soberste en tegelijk geweldigste, dat zich denken laat. De geest Gods daalt neer als een duif we denken aan het héél oude verhaal, dat spreekt van Gods geest, die „broedde” over de wateren van de chaos. En een stem spreekt de heel oude woorden: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb Ik welgevallen. Het Lucas-evangelie zegt: Gij zijt mijn geliefde zoon, dien ik heden verwekt heb. Dat is de oude kroningsformule van Israëls koningen,die ook in de 2e Psalm voorkomt. Daarmee werd de koning op de dag van zijn kroning heel dicht voor God gesteld: een genade en een opdracht. En toen het Joodse volk steeds meer uitzag naar dien heei bijzonderen koning. den messias, die ook priester en profeet zou zijn, toen scheen dit woord speciaal voor hém te gelden.

Dit woord, vol inhoud, vol herinnering en vol verwachting, hoort de gedoopte. Voor wie deze beide verzen van Markus in de oude Christengemeenten hoorden, was het de kroning van den messias, het moment, v/aarop de drie-eenheid van Vader, Zoon en Heilige Geest haast tastbaar werd.

De wieken ter weerszijden van de kleine plaat doen aan de Cherubs van Jezaja’s vizioen (Jez. 6) denken, die het grote licht met hun vleugelen verhullen, maar in de glans van dat licht daalt toch de duif, boven de wateren, waaruit de nieuwe mens opstaat. Zoals in alle Oosters geloof wat nieuw en groot is opstijgt uit het water.

Een opstapeling van vreemde motieven? Geleerdheid over wat ons innerlijk vreemd is? Toch niet. In die Christusgestalte leeft ons aller hunkering naar het licht. Zoals ons van hem verteld wordt zo zouden wij eigenlijk willen. Wij weten het wel, dat ergens diep in ons, haast verstikt door onszelf en door de wereld, toegestopt, vaak verloochend, de neiging leeft om zó te staan met opgeheven gelaat, met open handen.

En als ons dat eenmaal volkomen bewust is geworden kunnen wij ook het oude beeld, dat de eeuwen vroom aan ons hebben doorgegeven, niet meer loslaten.

Zo staat dan hier voor ons de open mens. De „openheid” was vóór Anker Larsen al ontdekt! Maar nog altijd leeft in ons de bede van Des Amorie van der Hoeven ~Geef mij, O Heer een open harte”, want dit opene is in geen mens ten volle werkelijkheid.

Om vervuld te kunnen worden van den Geest, zou een mensenhart volkomen ledig moeten zijn. Er zouden geen geheimen mogen wezen. Och, geheimen voor de buitenwereid zijn niet zo belangrijk. Vaak zijn het niet eens geheimen, öf ze interesseren de gevreesde buitenwacht in het minst niet. Nee, gevaarlijk zijn de geheimen, die wij zeif niet willen kennen zoals er vaak hoeken in ons huis zijn die we mijden, omdat we weten dat daar nodig opgeruimd moest worden. Als het zo is met ons innerlijk, dan durven we het licht niet toe te laten, uit een vage angst die al wat mooi en blij is aanvreet.

Of wij vrezen de eisen van de Geest, Dan zouden wij er wel iets van willen ontvangen, maar niet alles willen geven. En we reserveren een beetje tijd voor onze liefhebberijen, een

beetje aards bezit om onze bevoorrechting te handhaven, een beetje aardse genegenheid voor het geval de hemelse wat te streng mocht blijken.

En al weer: wat niet waarlijk ledig is, kan niet nieuw gevuld worden. Het schijnbaar nieuwe wordt halfslachtig gedoe.

Of wij willen uit ons oude leven het een en ander meenemen. Niet uit angst of uit hebzucht, maar uit een onmacht om vooruit te zien, uit een onmacht om te breken. Hoe moeiiijk dat breken is, men herieze om het te voelen mevrouw Holst’s „Op de kentering der tijden geboren”.

Nee, slechts wie al het eigene, zijn ganse verleden, ook zijn verborgenste gedachten en gevoelens durft bloot te leggen kan zich reinigen, en alleen in het gereinigde vat blijft de nieuwe inhoud zuiver.

Dan kan het zijn dat het nieuwe ook alles weer teruggeeft wat goed was in het oude. Voor wie het waagt de hand aan de ploeg te slaan zijn veel verrassingen weggelegd maar wij weten niet hoe en waar. Wij zien de Heilige Geest, waarnaar ons diepste ik verlangt niet als een duif die uit den hoge neerdaalt.

Wij zien de Heilige Geest ook niet als een geloofsstelsel, waarbinnen het goed wonen zou zijn. Wij mensen van deze tijd wantrouwen zelfs alle spreken over de heilige Geest, omdat wij stellig weten dat die geest zich nooit manifesteert buiten de tastbare, zichtbare, ervaarbare wereld om. Wij aanvaarden dit beeid voor de Jezus-figuur, omdat Jezus ons getekend wordt als een, die open was voor ieder mens en ieder kind, voor de bloemen des velds en de vogelen des hemels, omdat Jezus’ woorden over God en Geest als het ware slechts samenvattende formules waren voor wat hij beleefde van dag tot dag.

Als wij iets kennen mogen van een openheid, die de moeite waard is om er naar te verlangen dan is het dit, dat wij zo „ontledigd” zijn dat waar onze schaamte, onze zelfzucht, onze traagheid, niet meer hinderen al het gewone een nieuwe taal tot ons gaat spreken. Dat er sprake is van een nieuwe gemeenschap met al wat leeft, met al wat is.

Martin Buber vertelt van twee mannen. Zij kennen elkaar niet, maar gaan toevallig een eindweegs samen en rusten op dezelfde bank. De ene heeft een moeilijk karakter met veel reserves, stug voor anderen, stug voor zichzelf. De ander kent het opene. Hij ziet uit over het schone land en schijnt er één mee. Dan voelt zijn metgezel hoe iéts van zijn hardheid zich oplost, hoe hij is opgenomen in de onpersoonlijke vreugde van den ander, en het is als een bevrijding. Beiden gaan huns weegs. En nooit heeft de een geweten hoe hij den ander hielp.

In deze openheid, die gemeenschap brengt en wonden heelt, woont heilige geest. En wij bidden om openheid, om ontvankelijkheid, niet opdat wij zalig of opdat wij braaf worden, maar opdat wij bruikbare instrumenten mogen zijn voor het werk des Geestes. F. KALMA—KOOPS.

Gelijk, o grote zon, de bloemen dezer hoven ’s Morgens te wachten staan op ’t rijzen van uw gloed. En, als uw schijnsel komt, dien lichtglans van hier boven In ’t hart ontvangen, dat zich voor u open doet.

En bloeien naar uw wil, en met hun schoon u loven, U, die hun schoonheid zijt, en God, en hoogste goed. En ’s avonds, als de glans van uw zoet licht gaat doven. Tevreden slapen gaan, als alles rusten moet.

Zo ligt mijn ziel voor God en doet zich voor Hem open, voor Hem, der zielen Zon ,die ’t eeuwig schijnsel geeft. En bij Wiens godlijk licht mijn zitten, opstaan, lopen.

Al, wat ik ben, of doe, of niet doe waarde heeft; Zo ligt mijn ziel voor God, zo zonder vreze of hopen. Tevreden zo ze sterft of zo ze eeuwig leeft.

JACQ. V. d. WAALS.