is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 42, 15-07-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ENKA t

(Mevr. A. Tjaden-van der Vlies)

Op 5 Juli j.l. overleed na een langdurig en smartelijk lijden mevr. Anke Tjaden—van der Vlies. Met haar daalde een militante vrouw ten grave, die in 1907 de krachtigste stoot gaf tot de oprichting van de Bond van Christensocialisten. Eenmaal, in de jaren 1906—1925, was haar naam als een klaroenstoot voor waarheid en recht op christelijk sociaal gebied. Haar groot warm hart trok haar naar de onterfden en rechtelozen en om Christus wil werd de nood der naamlozen hadr nood. Jaren lang heeft zij |]i pioniere de hitte dil daags en de koude des nachts getrotseerd, om het geweten wakker te roepen van een slapende en verwereldlijkte christenheid; jaren reisde zij, als een moderne Debora, ons land door, strijdend tegen een mammonistischkapitalistische productiewijze, die, krachtens haar wezen, overal Gods geboden van waarheid, gerechtigheid en liefde schond en vertrad en onvermoeid, met geheel den inzet van haar leven, voerde zij het pleit voor het socialisme als de economische grondslag voor zuiverder en rechtvaardiger maatschappelijke verhoudingen.

Het is hier niet de plaats om daarover uit te wijden. Alleen dit: had Nederland een honderdtal van deze edelen des geestes gehad, het christelijk politieke Nederland zou minder beschamende bladzijden geschreven hebben van liefdeloos onverstand en benauwende kleinzieligheid en op nobeler wijze haar christelijksociaie tekorten hebben opgelost. Natuurlijk had Enka niet altijd het gelijk aan haar zijde.

Daarvoor was zij te hartstochtelijk, te fel geborneerd: een en al striemende oprechtheid, een en ai bezielde waarheidminster, gelijk zij die zag en dan soms te onbesuisd en te eenzijdig uitsprak. Zij had haar scherpe kanten, zij gaf meermalen aanstoot en wondde ook wel eens onnodig. Maar dat waren de kleine keerzijden van haar grote deugden. Nooit ontmoette ik een vrouw zó staalhard sterk in haar bewogen strijdbare trouw voor de zaak van het proletariaat.

Offerbereid heeft zij in haar ongemakkeiijk leven het lot gedeeld van de waarachtig geestelijk groten der aarde: zij kwam niet tot eer en aanzien en tot de statie in het gestoelte van de groten dezer wereld, integendeel, zij is, als de profeten van Oud- en Nieuw verbond, om des beginseiswiiie vervolgd, met smaad overladen en in de gevangenis geworpen. Van de kleinen en eenvoudigen, de schare zonder naam, ondervond zij veel liefde, veel trouw en ontroerende aanhankelijkheid, die haar volkomen genoeg was en haar goed heeft gedaan. Door haar waarheidsliefde, door haar groot rechtsgevoel, werd zij een getekende.

Zij heeft bitter geleden onder de spanning van ideaal en werkelijkheid, wUlen en kunnen, moeten en mogen. Zij heeft geestelijk als Voortrekster, de alsembittere eenzaamheid gekend. Maar haar dienstbetoon om Christus wil heeft haar telkens weer de wacht doen betrekken bij wat zij als haar roeping en haar taak leerde zien; zij heeft op des Meesters bevel haar lampen brandende mogen houden: in een kleinen kring van geestverwanten en vrienden bleef zij tot het einde een vraagbaak, de steun van zeer velen.

'Haar strijd is nu gestreden. Zij is de eeuwige rust in gegaan. Broeder ezel, haar smarte-lichaam, is dood. Maar haar geest blijft levend. Voor de oude wapenbroeders, vooral voor de zwaarmoedigen onder hen, die, ontworteld, nergens meer aaiaien kunnen, blijft haar leven een voorbeeld en een troost. Dank, trouwe makker, om wat ge eenmaal in mijn en anderer leven, in Gods bestel, in den strijd om sociale gerechtigheid zijn mocht. Wassenaar, 6 Juli. H. J. NIEMAN.

Brieven uit het Zuiden

Het is ai weer enige tijd geleden, dat we uitgenodigd werden de Unie van Utrecht te vieren. Heel schuchter werd toen van Roomse zijde geopponeerd, dat men daar nauwelijks om feesten kon. Als men eerlijk wilde zijn en maar een klein beetje zijn vaderlandse geschiedenis kende, kon men hun geen ongélijk geven. Sedert is dit zelfbewustzijn gegroeid: het werd nadrukkeljjker, toen men zijn reserves maakte bij de viering van Willem van Oranje. Er waren toen twee stromingen: sommigen stelden de nationale eenheid op de voorgrond en besloten mee te doen. Prof. Nolet werd hun woordvoerder en het episcopaat was op hun hand. Maar er was een aanzienlijke groep katholieke Nederlanders, die met de hand op de geschiedteksten bedankten voor zulk een dubbelzinnige viering en er zijn in dat jubeljaar op sommige plaatsen in het Zuiden redevoeringen gehouden ter ere van den groten Zwijger, die meer van een requisitoir hadden dan van een huldebetoog. Er verschenen o.a. artikels in een R.K. onderwijzersweekblad „Ons Eigen Blad”, die regelrecht protesteerden tegen een Oranjefeest.

Een elegante oplossing, maar hoezeer onwaarachtig was die van Gerard Knuvelder, redacteur van hfet maandblad „Roeping”, die de vorming van een „mythe Oranje” bepleitte. Maar mythen kunnen weliswaar onopzettelijk ontstaan bij gebrek aan geschiedenis, maar moeten, ais ze opzettelijk aangekweekt worden, toch eigenlijk afgewezen worden als geestelijke zwendel. Wat gebeurd is, is gebeurd en men hoeft nog niet zo ver te gaan als wijlen dr. Nuijens, die in zijn geschiedenis der Nederlandse Beroerten Willem van Oranje kortweg een rebel en de opstand onzedelijk noemde, men kan zelfs bewondering hebben voor ’s mans kunde en karakter, maar toch van oordeel zijn, dat sommige van zijn levensdaden noodlottig zijn geweest voor de Nederlandse stam.

Men hoeft er vandaag dan ook zeker niet op te rekenen, dat de katholieken aan de nationale viering van Mamix van Sint Aldegonde mee zullen doen.

Laat men niet menen, dat deze zaken, waarvoor uiteraard slechts weinigen oog hebben wat kennen we slecht onze vaderlandse geschiedenis van geen of weinig belang zijn. Er is geen saamhorigheidsbesef zonder geschiedenis. En wü men de plaats bepalen van de Zuidelijke provincies in het cultuurleven van ons vaderland, dan kan het heel nuttig zijn eens te vernemen, hoe de inteUectuele kringen onder de katholieken de vaderlandse geschiedenis wensen te beoefenen. J

In de geschiedenis wordt een volk zich bewust, omdat, zoals A. Brink zeer juist schreef In een vorig nummer van T. en T. (No. 41, pag. 7), het besef, tezamen lets te hebben beleefd, een der wezenlijke elementen uitmaakt van een levende volksgemeenschap. Welnu, het zuidelijke volksdeel Is zich op de historie gaan bezinnen en twee feiten vallen hierbij op: le. Zoals reeds vele jaren geleden op een Katholiekendag door Alfons Laudy, destijds redacteur van De Tijd, nadrukkelijk werd betoogd: onze vaderlandse geschiedenis begint niet bij de Reformatie en de Tachtigjarige oorlog. Het kan niemand verwonderen, dat juist de Rooms-Katholleken met begrijpelijke trots wijzen op de middeleeuwse geschiedenis van ons volk. Te meer, omdat deze geschiedenis werkelijk haar glorieuze bladzijden telt; en als men de belangrijkheid ener periode af wil meten aan de hoge Innerlijke bloei der cultuur en haar straalkracht naar bulten, en niet naar de politieke Invloed en machtspositie, dan valt altijd nog te bezien, wanneer dit land zijn hoogste bloei kende: In de Bourgondische periode of In de zg. Gouden Eeuw: we denken daarbij aan de hoogbloel der mystiek In een Ruusbroec aan de Innige vroomheid der Devotlo modema, die het na de Bijbel, meest gelezen boek der wereldliteratuur opleverde: De Navolging van Christus; we herinneren aan het opkomend humanisme In de scholen

der Broeders van het Gemene Leven, aan de bouw der kathedralen: de Sint Jan van Den Bosch en de Sint Bavo van Haarlem, aan de eerste Nederlandse schildersschool: de Van Eijks, Rogier van der Weijden. Geertgen tot Sint Jans, en hoe de fijne beschaving der Dietse steden toonaangevend was naar Duitsland zowel als naar Frankrijk en Italië. Heel deze Middeleeuwse geschiedenis, ook in de perioden, die het Bourgondisch tijdperk voorafgaan, is ongemeen, rijk en boeiend om zijn glanzend cultuurleven, waarin ook de doffe plekken niet ontbraken, maar waarin—men leze er Huizinga op na het leven zo veel dieper stroomde dan b.v. in de tijden, die we nu beleven en waarin de rampzalige geloofstegenstellingen de volksgenoten nog niet tegen elkaar opgehitst hadden. Moeten we daarom naar de Middeleeuwen terug verlangen? Volstrekt niet! Maar men zou soms wensen, dat de ontwikkeling, die komen moest, meer geleidelijk aan gegaan was en niet met zo’n bloedig geweld en bittere strijd, welke nooit heel en al vergeten kan worden. Want wie Hadewijch las en kennis nam van de Nederlandse Middeleeuwse lyriek, wie het prachtig sarcasme genoot van dat andere meesterwerk onzer Middeleeuwse litteratuur: Van den Vos Reinaerde, en wie ooit luisterde naar de liedjes uit die tijd, en iets gehoord heeft van de rijke koorzang: Okehem, Lassus, Joostken van der Weijden, die moet lachen om de domme bewering van de „donkere” Middeleeuwen. Hij weet ook, dat in wat we nog aan beschaving gered hebben, er een rijk stuk Middeleeuws erfgoed steekt.

2e. Wat tot nu toe gezegd werd, helpt inzien, dat een Roomse Nederlander de vaderlandse geschiedenis altijd wat anders zal lezen dan een Calvinist. Hij hoeft daarom de Gouden Eeuw niet te kleineren. Hij mag er op wijzen, dat in de Tachtigjarige oorlog, zeker in haar eerste moeilijk begin, even dapper gestreden is door Rooms als door Hervormd en hij zal er met klem tegen op kunnen komen, dat deze gigantische strijd van een klein volk tegen een wereldrijk, in wezen een godsdienstoorlog was. Men leze er de geschiedenis der Brabantse en Vlaamse abdijen maar eens op na. Maar hij zal blijven betreuren, wat er na de pacificatie van Gent gebeurd is: „verre het kleinste hoopken”, zoals Coornhert sprak, de Gereformeerden hebben hun wil met geweld opgelegd aan de verongelijkte katholieke meerderheid, maar ze hebben daarbij het Dietse vaderland verminkt en onderdrukt. Speciaal de Katholieke Zuiderling zal nog iets anders overwegen: in de Middeleeuwen is het niet Holland, dat groot is, maar Brabant (en Limburg) en Vlaandereri; het zwaartepunt der beschaving lag toen in het Zuiden, al leren we dan ook in onze schoolboekjes de diverse gravenhuizen van Holland op ons duimpje kennen, hun belangrijkheid is niet overeenkomstig. Men denkt in het Zuiden met heimwee naar die tijd terug.

Ik hoor nu en dan met zekere zorg spreken over het gevaar ener Roomse overheersing van ons land; de kinderrijke gezinnen, de politieke opmars, het bezetten van voorname posten in ’slands regering enz.; ik geloof daar zo niet aan, en heb er goede redenen voor. Voorlopig in ieder geval betekent hun groei in ’t open-- bare leven niets anders dan het inlopen van een achterstand.

Wat echter wei mogelijk is, maar dat is heel iets anders, dat is een verschuiving van het zwaartepunt der Nederlanden van Noord naar Zuid. Daarover een volgende keer.

RENÉ

BOEKBESPREKING

De zingende walvis, door Benjamin Cooper en J. W. P. Wemmens Buning. Meulenhoff, Amsterdam ƒ 1.75.

Houdt u bijv. van een nieuw Lied, of een koddig Voorval, tussen een Bootsgezel en een Waard (op een aangename Voys), zelfs al staat die aangename voys er niet bij? Kunt u plezier hebben in verzen met stoflappen en spelfouten, leest u graag uw vrienden eens wat rariteiten voor, zelfs op gevaar af van in gemengd gezelschap te moeten afbreken met de woorden „Nou ja, de rest is niet zo aardig meer?” Borit in een litterair milieu waarin Oats wijs lijkt en Slauerhoff volks, en waar kapitein Jan van Oordt als het varken is dat onder zijn magen komt? Welnu, dan kan deze verzameling wat voor u zijn. M. H. v. d. Z.