is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 44, 05-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De 25e herdenking van de moord op Jaurès

Toen de 31e Juli 1914 het noodlottige schot viel, dat een eind maakte aan het leven van Jaurès, hield de wereld, voor: zover zij geloofde aan humaniteit, demo: cratie, socialisme, vrede, één ogenblik de adem in.... om dan te worden mee: gesleept naar de oorlogscatastrofe. In dat éne ogenblik van ontzetting besefte zij, dat deze dood een symbool was: krachten van verdwazing en barbarisme braken voort uit instinctieve, duistere

gronden en vernietigden de kiemen van het nieuwe leven, waarvan Jaurès een der edelste dragers was. Zijn dood was een symbool, zoals zijn leven er een geweest was.

Dat leven immers was gewijd aan een socialisme, geadeld en gestuwd door het vrijheidspathos zowel der Franse revo» lutie als der klassieke idealistische wijs: begeerte; het bevatte in zich de Christe: lijke eerbied voor de menselijke per: soonlijkheid en een universele religie, die geloofde, dat het heelal door liefde streeft naar eenheid, en de mensheid naar broederschap. Het was deze gees» telijke wereld, waarvan Jaurès heraut heeft mogen zijn hoe hoog droeg hij haar vaandel, hoe ver droeg zijn stem, hoe sterk en warm klopte daarvoor zijn hart! Het was deze geestelijke wereld, die in 1914 in bloedige waanzin onder: ging.

Sedert ging een kwart eeuw voorbij. . Wie de vraag stelt naar de tegenwoor: dige situatie en de erfenis daarin van Jaurès, moge bedenken, dat ook de ge» dachtenwereld van Jaurès menselijk: vergankelijke elementen naast eeuwig: onvergankelijke bevatte; óók, dat de maatschappij thans andere problemen stelt dan de voor:oorlogse. Toch blijft voor ons wezenlijk: de diepe verbonden: heid van democratie en socialisme, van vrijheidsdrang en vredeswil, en de hum kering naar een albezielende broeder: lijke gemeenschap. In schaamte om wat wij niet vermochten, in schuld om wat wij verzuimden, in dankbare eerbied om wat Jaurès zo groots vóórleefde, her: denken wij zijn dood om voort te gaan tot de strijd.

Hef waarachtige geloof

Niet zonder schroom waag ik bet, een religieus getuigenis uit te spreken.

Wij kunnen wel spreken over ons geloof en des te beter, naarmate wij méér in staat zijn, onze gedachten onder woorden te brengen, maar ons werkelijk geloofs»getuigenis is ons leven.

Wanneer wij dit erkennen, zijn wij huiverig voor alle woorden en vragen ons af, in hoeverre wij gerechtigd zijn, over ons geloof te spreken, zolang ons leven niet genoeg van ons geloof getuigt. Alleen de weinigen, wier leven één groot liefde»offer is, zoals wij dat vol» maakt verwerkelijkt zien in bet leven van Christus, zijn hiertoe gerechtigd. Wie moet zich zelf niet bekennen: „ik schiet altijd weer en naar alle kanten te kort?”

Er is wel een verklaring, zelfs een gedeeltelijke rechtvaardiging voor dit te kort schieten.

Er is een gezond verlangen naar vreugde, dat ook zijn recht en reden van bestaan beeft. Maar daartegenover staat bet tekort aan vreugde, bet verbijsterend leed van zovelen, waarvoor juist in deze tijd geen oplossing mogelijk schijnt. Wat stellen wij daar tegenover?

Zeker niet genoeg in verhouding tot wat er wordt geleden, maar ook niet dat, waartoe wij in staat zouden zijn, wanneer wij door een diepere liefde

werden bewogen, door een heviger ver» ontrusting verteerd.

Niet in zoverre als wij machteloos zijn, schieten wij te kort, maar in zo» verre als wij niet genoeg bereid zijn. In bet beseffen van dit alles en bet doorgronden van onze menselijke be» grensdbeid schuilt een groot gevaar. Wij kunnen er door verzinken in een diepe verslagenheid. Soms is dit bet noodlot van zeer liefdevolle harten geweest. Een grote steun is daarbij de gemeen» schap met anderen. Maar voor ben, die zich met anderen verbonden weten, zo» wel als voor wie eenzaam streeft, is de eigenlijke krachtbron een sterk geloof. Het grote verschil in aanleg en karak» ter van den énen mens en den ander, treft ons altijd en bet is één van de vragen, die wij ons stellen en waarop wij geen antwoord vinden, waarom de één van nature zóveel méér dan de ander bevoorrecht is.

In geen enkel opzicht schijnt dit ver» schil mij van zó ingrijpende invloed op bet leven, als juist hierin: dat bet den één van nature is gegeven, te geloven den ander niet.

Ik heb wel gesproken met ernstige, eerlijke mensen, die er onder leden, niet te kunnen geloven, maar die niet anders konden, dan alles in twijfel trekken, ook alle achtergrond en alle zin van bet leven.

En ik vroeg mij af, waarom zij moesten missen, wat mij was aangeboren, een

onverwoestbaar vertrouwen in bet voor ons, mensen, ondoorgrondelijk levens» geheim. Zeker dank ik daar ook mijn opvoeding voor: bet leren eerbiedigen van alle geloof, zonder dat enig geloof werd opgedrongen.

Ongeschonden bleef daardoor bet ge» loof, dat mij was aangeboren, een intuï» tief vertrouwen in de Bron van alle Leven, dat stand hield, toen bij bet op» groeien zich altijd nieuwe vragen aan mij opdrongen, waarop ik geen antwoord vinden kon, vooral die éne vraag: ~wat is de oorsprong van bet kwaad? waarom bestaat bet?”

Ik leerde de onoplosbaarheid van deze vraag en alle andere hieruit voort» vloeiende vragen aanvaarden en mocht mijn vertrouwen behouden, dat altijd weer door bet „andere” tot nieuw leven kwam... . bet „andere”, dat altijd stand houdt (ook in deze tijd) in twijfel, leed en strijd. „Geboorte en dood worden omvat door eeuwigbeidsverband, bet verborgen vuur slaat altijd nieuwe vlammen, de waarheid gloeit en groeit in altijd weer ontwaakte harten en altijd nieuwe wereldvormen. Dat is bet glorie» volle wereldgebeim, dat nooit bet laatste woord laat aan ontkenning en onder» gang. .. . bet glorievolle geheim van bet Onsterfelijke dat ons meevoert door wisseling en wenteling van tijden... .”

Ook wanneer de ergste verschrik» kingen tot werkelijkheid zijn geworden, wanneer vluchtelingen geen toevlucbts» oord kunnen vinden, wanneer slacht» offers in concentratiekampen worden gemarteld, wanneer in de oorlog mensen elkaar doden en verminken, blijft dit Glorievolle Levensgeheim bestaan. In

angst en verschrikking, in lichamelijke pijn en doodsnood zal bet misschien (waarschijnlijk zelfs) onwerkelijk scbij» nen... . een droombeeld.

Maar in één enkele herinneringsflits zal misschien een beeld uit het verleden opduiken, een visioen van bloeiende bomen, van een zonsondergang —■ bet geluid van een kinderlach, enkele tonen uit een Beetbovemsympbonie of de Mattbeüspassion, een woord van wijs» beid een edele daad, een liefde»offer, misschien bet beeld van Christus. Wanneer dan, midden in een bel van verschrikkingen, de mens een vertrou» wen in zich voelt herleven, door alles been, omdat ook deze andere glorievolle werkelijkheid bestaat en een oorsprong beeft, kan eigenlijk eerst gesproken worden van een waarlijk tot in de diepste grond beproefd Geloof. Zoals bij den jongen soldaat, boofdpersoon uit Remarque’s „Vom Westen nichts neues”, die temidden van de verschrik» kingen van bet slagveld, verlangend uit zijn vertwijfeling te worden bevrijd, de dood wil zoeken, maar dan plotseling denkt: neen, ik wil blijven leven om de wereld te helpen veranderen, zodat dit nooit meer gebeuren kan.

F. REDDINGIUSSALOMONSON.

;*) „Het Glorievolle Geheim” uit „Uw Konink:: rijk kome” door Dr. G. Horreus de Haas. (Uit» gevers»Maatschappij „De Wachttoren”).