is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 44, 05-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dr. J. MENDES DA COS TA

Persoonlijke herinneringen

Met den beeldhouwer Mendes da Costa is, op een enkele uitzondering na, de laatste heengegaan van die groep bevriende kunstenaars waarmede zovele goede herinneringeni aan de jaren van vreugdenrijke, daadkrachtige levensopgang mij binden. Toorop en Berlage, De Bazel en De Klerk, Der Kinderen en mijn man, Verwey en Gorter, Frans Coenen en Augusta de Wit, Wally Moes en Hart Nibbrig, Jan Veth en Cees ’t Hooft, en nu ook Mendes allen weg. Zeker: er was verschil van leeftijd tussen ons. En niet minder verschil van levens- en wereldbeschouwing van aesthetische overtuiging. Maar wij voelden ons toch allen als behorend tot één generatie. We voelden een zekere verwantschap, omdat we te samen aangeraakt waren, nu bijna eep halve eeuw geleden, door het geestelijk ontwaken, dat één aspect was van de snelle algemene opstuwing van West- en Midden-Europa. Het echtpaar Mendes leerde ik kennen te Laren, waarheen mijn man en ik in 1903 van uit ’s-Graveland verhuisden. Zij woonden bij de molen in een groot huis, welks voornaamste ruimte werd ingenomen door twee of drie werkplaatsen. In mijn herinnering waren zij van enorme afmetingen. En dat moest wel, immers te Laren heeft Mendes het grote monument van generaal De Wet gemaakt. Mijn man, die op Mendes’ verzoek geposeerd heeft voor een der Boeren-figuren van dat monument, kwam daardoor een poos lang dikwijls op het atelier van den beeldhouwer. We zagen elkaar niet al te dikwijls: ons werk nam ons te zeer in beslag. Maar af en toe kwamen we bij elkaar theedrinken, en dat was altijd een feest van gelijk gestemde gespannenheid. Van vrolijke gezelligheid ook: daar zorgde Mendes’ vrouw voor. Evenals hij, afkomstig uit een geslacht van Portugese Joden, kende ik haar voornamelijk als de gulle, hartelijke gastvrouw en de liefhebbende echtgenote, die geheel opging in het werk van haar man en er onvermoeid voor waakte, dat zijn werkdag niet werd gestoord. Kinderen hadden zij niet. De jonge neven en leerlingen die bij hen aan huis kwamen, genoten de koestering van hare moederlijke gevoelens.

Nog niet oud, werd zij aangetast door suikerziekte. Dat was voor beide een zware beproevinjg. Zij leed ook psychisch onder het ziek-zijn, onder de beperkingen van het diëet en van haar vrijheid-van-beweging.

Er waren vleugen van verbetering, maar de ziekte liet haar niet meer los en duurde jaren hoevele weet ik niet meer, maar een lange tijd. Al die tijd droeg Mendes een dubbele last: zijn werk, dat volkomen concentratie vereiste, en het opbeuren van de zieke.

Gelukkig bezat hü de innerlijke kracht om die dubbele taak te vervullen. Hij werkte door, uiterlijk even rustig als altijd. Mendes was een man van zeer grote zelfbeheersing, die zich zelden of nooit liet gaan. Zo ik zijn wezen met een enkel woord wilde kenschetsen, ik zou geen beter weten dan: voornaamheid. En in voornaamheid ligt een zekere terughouding, en een verdieptheid ook van geconcentreerd gevoel.

Toen zijn vrouw stierf, begrepen wij, dat ook zijn leven in zekere zin voorbij was. Hij trok zich terug in een klein benedenhuis op do Middenweg in de Linnaeusbuurt te Amsterdam, waar de gemeente hem vergunning gaf, een atelier te plaatsen achter in het tuintje. Hij nam geen opdrachten meer aan, kwam heel weinig uit, behalve wanneer zijn lidmaatschap van een jury of een commissie het nodig maakte. Mendes nam dergelijke verplichtingen zeer concenscieus op. Zodoende zagen mijn man en hij elkaar vrij geregeld. Overigens zag hij nog slechts zijn naaste familieleden en enkele vrienden. Onverdroten werkte hij, jaren lang, aan een groep, waarin hij de nagedachtenis van zijn vrouw en de liefde tussen hen beide wilde vereeuwigen. Telkens beloofde hij ons, dat, wanneer hij over een zeker punt heen was, wij zouden mogen komen om het werk te zien. En eenmaal schreef hij ons, dat wij mochten komen, al was hij nog lang niet gereed. Het was voor mij

wat onwennig Mendes terug te zien in die banale vertrekken; zijn edele denkerskop met de vurige donkere ogen en de prachtige schedel paste er zo helemaal niet. Maar hij merkte het zelf niet, opgaand in zijn werk. In die jaren bezocht Mendes ons, zonder mankeren, elk voorjaar. Op een Zondagmorgen in April of Mei werd er gescheld: en daar stond hij in de gang, met een bos anemonen.

bleef een uurtje, langer wilde hij niet, en ging weer terug naar Amsterdam of een enkele keer naar Aerdenhout, waar hij ook oude vrienden had wonen. Tot ik in ’37 ziek werd en maanden lang niemand mocht zien. En toen ik begon te herstellen, was hij aan het sukkelen geraakt. Het begon met pijnen in de linkerarm, die hem bij het werken zeer hinderden. Maar hij wou niet opgeven, tot het hem absoluut verboden werd. Verleden najaar kreeg hij de eerste aanval van benauwdheid: van die tijd af moest hij haast voortdurend liggen.

Dr. J. MENDES DA COSTA (in zijn werkplaats

Toen mijn man hem in November ’3B bezocht, leek hij niet iang meer te zulien leven. Maar in het voorjaar kwam hij langzaam bij. In Mei mocht ik hem opzoeken; zijn geestkracht was onjgebroken. Rustig sprak hij mij over de beide keren, dat hij aan de uiterste rand geweest was en over de sensatie van wéér tot het leven terug te keren. Hij was toen bezig zijn ideën op te schrijven over monumentale kunst. Bij het afscheid omhelsden wij elkaar; ik voelde: voor de laatste maal heb ik hem gezien.

Een paar weken later liet ik naar hem formeren en zeggen dat het mij goed ging. Spoedig daarop kreeg ik een hartelijk en opgewekt briefje: hij kwam weer een paar keer per dag even op, leerde zijn ledematen weer strekken. Of ik vooral de heitjes zou gaan zien, als de gentianen bloeiden. (Maar die zijn er al lang niet meer, helaas.)

Kort daarop is hij gestorven. Hij was een mens van filosofische aanleg, diepzinnig en fier: een waardig afstammeling van degenenl onder de Portugese Joden, die liever hun vaderland verlieten, dan hun geloof te verloochenen.

Over zijn kunst voel ik mij niet bevoegd te oordelen. Dat zij gedragen werd door een| aesthetisch-filosofische overtuiging, die de gedachte aan wat men ~succes” noemt, aan de geringste concessie aan hen, die in de kunst hun behagen zoeken, zelfs niet opkomen liet, is buiten kijf. Mendes gehoorzaamde in zijn werk aan de aspiraties van een groep kunstenaars, die met inspanning van alle kracht geworsteld hebben, om zich te bevrijden uit de banden van het impressionisme en een meer abstracte, monumentale stijl te scheppen.

Onder al de werken die ik van hem ken, is één mij bijzonder dierbaar: een vrouwenbuste in het gemeente museum te Amsterdam. Het heeft niets opzettelijks, niets opvallends; het is eenvoudig en natuurlijk als het leven zelf, en als het leven zelf ondoorgrondelijk en onuitputtelijk rijk. Toen ik het de laatste maal zag, bestond er geen reproductie van.

Ik weet niet of het op Mendes eigen verzoek is geweest, dat bij de plechtigheid In de Portugees-Joodse Synagoge vóór zijn begrafenis, de 91ste Psalm werd voorgelezen.

In elk geval kon niets passender zijn bij de uitvaart van dezen sterken gelovigeh mens. H. ROLAND HOLST.

J. Mendes da Costa

als kunstenaar

Uit de 91ste psalm. 2. Ik zal den Heer zeggen: Mijn toevlucht en mijn burg, mijn God op Wien ik vertrouw.

11. Want Hij sal zijne Engelen van u velen, dat zij U bewaren op alle uwe wegen;

12. Zij sullen U op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geen steen stoot.

Wanneer je na de dood van Mendes dat Costa een paar zinnen gaat neerschrijven, willen je gedachten moeilijk onder woorden komen. Want Mendes was een mens van zo weinig woorden: hij was een man zonder schijn of franje. En zijn werken zijn beeiden, zijn bronzen dat waren zijn woorden. Er was geen beeldhouwkunst in Nederland, en Mendes’ werk groeide hier geleideiijk aan, hoe en waaruit? Het is nauwelijks te begrijpen, want een bodem was in Nederland niet te vinden. Hij was een ootmoedig mens en zijn ootmoed camoufleerde geen hoogmoed. De kunstenaar was voor hem gelijkwaardig aan een ieder die zijn werk met verantwoordelijkheid doet: een instrument van de geest kan ieder mens wezen. Een gebabbel op zwaarwichtige punten over de kunst kon in de nabijheid van Mendes da Costa niet ontstaan.

Onovertroffen is de klare strenge vorm van zijn werk. Het liefst is hij mij in zijn kleine verbeeldingen van het Joodse leven: de vrouwen hun woordjes fluisterend. Deze dingen zijn zo geheel groots en zielvol, zo vervuld van liefde, dat zij tot de diepste uitingen in de Nederlandse kunst van onze tijd gerekend kunnen worden. Zijn werk dat nu een gesloten

geheel Is, zullen wij nu zuiverder kunnen overzien. In een der zeldzame gesprekken met Mendes over zijn werk zeide hij e ■■■ ' in de spiegel heht gezien, ken je alle gezichten der wereld. Dit zeggen is kenmerkend voor hem.

Want Mendes was de wijsgeer, die in de wisselende verschijningen van het leven, het essentieele, zijnde zocht. Maar deze wijsgerigheid was niet een theorie, die hem leidde; zij was hem een kracht, een hartstocht van de geest waaruit zijn stijl, straf en persoonlijk ontstond. Zijn denken uitte zich beeldend.

Hij is een hoog voorbeeld geweest van de wijze, waarop een kunstenaar zijn werk kan doen: dienend, zonder

dat die dienst de leuze voor een vaandel wordt, een programma van nederigheid. Wanneer zulke mensen er niet meer zijn, is het wat minder veilig op de aarde geworden. Goddank, dat wij althans hun werk nog bezitten.

H. H. GERRETSEN.