is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 45, 12-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Belangrijke tentoonstellingen in de hoofdstad

FRANSE BEELDHOUWKUNST

De grote tentoonstelling „Rondom Rodin”, 100 jaar Franse sculptuur, in Amsterdam, is een gebeurtenis te noemen. De beeldhouwkunst heeft in het Nederlandse cultuurleven nooit zo’n centrale plaats ingenomen als dat in Frankrijk het geval is geweest. Sinds Mendes da Costa aan het einde der 10de eeuw, zijn er weer beeldhouwers in Nederland. Bruggen en gebouwen worden weer van sculptuur voorzien en een vrij beeld wordt in het aspect der steden opgenomen. Toch zal een Nederlander nog wel gaarne schilderijen verzamelen, maar voor een beeldje in zijn huis blijft hij kopschuw. En wij zullen in Amsterdam het wel niet zover brengen als in Parijs, waar een beeld iets van een natuurgewas heeft.

In Frankrijk is er onafgebroken een traditie van beeldhouwen, zoals er in Nederland een van schilderen is. De tentoonstelling in Amsterdam geeft daar een sterke indruk van. Rodin is de centrale figuur, maar hij verschijnt niet plotseling als bij ons een Mendes da Costa. Zijn werk hangt met voorgangers samen en de beeldhouwende schilders rondom hem wijzen sporen aan, die in zijn werk verder worden doorgetrokken.

Binnen het bestek van enkele artikelen een beeld te geven van de gang der beeldhouwkunst in de 19de eeuw en haar verhouding tot de schilderkunst, zou niet dan oppervlakkig kunen wezen. Ik wil hiervan enkele indrukken neerschrijven.

Kenmerkend voor de kwaliteit van een beeld is zijn verhouding tot de ruimte rondom. Het goede beeld onderwerpt de ruimte aan zich, het vervult zijn omgeving van een hoorbare stilte. Het slechte beeld schijnt In de ruimte ineen te schrompelen, het brokkelt er in af, zijn volumen kunnen niet een contour te voorschijn brengen, die gespannen is, evenmin als door een slappe lijn het wit van een vel papier, dat onbetekend blijft, uitdruk-

kingsvol kan worden. Het goede beeld heft de neutrale leegte op.

Natuurlijk is dit niet een criterium, een maatstaf, waarmede de schoonheid van elk beeld is te meten. Steeds zijn er graduele verschillen. Het gebaar van het ene beeld zal sterker wezen dan van het andere, terwijl van beiden de vorm expressief is te noemen. Een buste van Dalon in haar levendige natuurlijkheid is „beeldhouwwerk”. Maar hoeveel sterker is de spanning rondom een buste van Rodin.

Rodin, ik begin maar ’t liefst met hem. Zeker is hij het minst Frans op deze tentoonstelling te noemen. Dit geweld van een vorm, die zich ten uiterste toe uitzet, als een gestage expansie van een verborgen centrum, uit naar de oppervlakten der volumen toe, dit realisme, dat voor geen „lelijkheid” halt houdt, dit verbreken van het maatvol evenwicht, men verwacht het niet bij een Franse kunstenaar. En er is in Rodin een zin voor soberheid, die hem behoedt voor het overmatig heftige, zeker in zijn beste dingen. Want het is te verwachten, dat in het werk van Rodin, die zich zo zeer in uitersten verdiept en zo onophoudelijk heeft gearbeid („eswachst wie ein Wald”, heeft Rilke gezegd), vergissingen voorkomen. Het is aan een straf gedisciplineerd studeren steeds opnieuw, aan zijn getrouw werkmanschap te danken, dat hij zijn hartstochtelijk bewogen visie zo klaar in de stof weet om te zetten. Steeds heeft hij het over het goede „werkmanschap”, als het éne nodige. En terecht heeft een Frans criticus in de ..Nouvelle Revue Francaise” eens gezegd, dat Rodin den werkman eerde, omdat hij zelf niet wist, hoe zijn leven doordrongen was van een inspiratie, die niet kwam en ging als een grillige vlaag, maar durend hem geheel en al vervulde.

Op de tentoonstelling zien wij Rodin in al zijn veelzijdigheid, de burgers van Galais (naaktstudies, sleuteldragers, kop apart), de groep van man en vrouw „Le Baiser”, het vroege brons: TAge d’Arain, de groep „les trois Ombres”, de kolossale „Penseur” én de subtiele handstudie’s, enkele zijner portretbusten en de vele kleine studie’s voor de Porte d’Enfer. Het is verwonderlijk te zien, hoe een beeld van Rodin zwaar is als uit klompen aarde geformeerd, en tegelijk deze zwaarte tot iets zeer lichts wordt overwonnen. Het naakt van den sleuteldrager is slechts het onverzettelijk staan van een mens op de aarde, het naakt van den burger van Galais met geheven arm, is slechts één licht gebaar, dat de lucht doorklieft, snel als een zwaard, één beweging die door de toppen der vingers weg schijnt te vloeien. De vele profielen, die Rodin ziet, zij schijnen zich samen te vatten in een ondeelbaar ogenblik, dat eigenlijk voorbij moest gaan en toch duurzaam in het beeld is verwezenlijkt. Het oppervlak van zijn beelden is doorgroefd, wisselend en golvend van vlakken en vlakjes, het is of de stroom van een rivier er langs heeft geschuurd, er geulen in heeft getrokken. Het relief van een spier is soms uit het volume gerukt als een ruwe bergkam, een opgerimpelde korst der aarde (zie de linker, geheven arm van het naakt, nr. 294) en ondanks deze detailleringen blijft het enkelvoudig-wezenlijke van het beeld over.

Rodin heeft gezegd: „le genie c’est la chose la plus elementaire du monde”. Door de openbaring van dit elementaire voelt men zich in de zaal van Rodin’s werk omgeven.

Het is, of de atmosfeer om zijn beelden geladen is van een electrische stroom en er voelbaar een spanning wordt verwekt. Een ieder zal het merendeels bekende werk op zijn eigen wijze ondergaan. Zeker betekent het arbeid zich in zijn scheppingen te verdiepen.

H. A. GERRETSEN.

Bijbelse kunst in het Rijksmuseum

Het Amsterdamse kunstleven kent geen „slappe” tijden. Integendeel, het schijnt alsof de verschillende instanties, die de organisatie van kunstmanifestaties in winter en zomer op zich hebben genomen, wedijveren in het aantrekkelijk maken van de hoofdstad. Staan ’s winters muziek en toneel In het middelpunt van de belangstelling, ’s zomers, en zeer zeker déze zomer, zijn het de beeldende kunsten die een bezoek aan Amsterdam de moeite waard doen zijn.

Naast de meesterwerken van de Franse beeldhouwers en de Van Gogh-tentoonstelling in het Stedelijk Museum herbergt het Rijksmuseum gedurende de maanden Juli—October een tentoonstelling van Bijbelse kunst, die men zonder overdrijving een kunstmanifestatie van de hoogste orde kan noemen.

Drie eeuwen Bijbelse kunstschatten zijn hier verzameld. Wat een rijkdom! Men vindt er naast ’n grote collectie schilderijen, enige zalen etsen en houtsneden, een uniek zaaltje met glas-in-lood-werk, prachtige 15e eeuwse houtsnijkunst, aardewerk en kunstig zilversmeedwerk.

Het is zoveel, en ieder stuk op zichzelf is zó boeiend, dat één bezoek aan deze tentoonstelling, niet meer dan een inleiding kan zijn voor het grote genot dat men meet smaken, wanneer men als vertrouwde gast langs de rijkdommen van deze geniale en toch zo ootmoedige Nederlanders kan ronddwalen. Van velen is de naam onbekend gebleven. Zij dienden de Bijbelse gestalten, die zij vorm gaven en deden dit in overgave en dankbaarheid aan God. Zichzelf daarbij op de voorgrond brengen, was uitgesloten.

Zo zagen wij o.a. de groep musicerende Engelen, gesneden door een Noord-Nederlandse meester omstreeks 1450. Men ziet, ook op de reproductie, met hoeveel liefde en toewijding het mes het eikenhout heeft bewerkt. Hoe deze kunstenaar uit een niet-verlichte tijd zijn Engelen-voorstelling niettemin in een vorm heeft kunnen gieten, die door zijn kinderlijke eenvoud altijd zal blijven ontroeren.

Bil het houtsnijwerk trof ons ook zeer de groep aanbiddende koningen van een Utrechtsen meester uit de 15e eeuw en een optrektafal van notenhout waarop de vlucht van Jozef en Maria met het Kindeke Jezus staat afgebeeld.

Bij de schilderijen is het merkwaardig op te merken hoe betrekkelijk beperkt het aantal onderwerpen is, waardoor de schilders zijn geinspireerd. Telkens en telkens weer vinden wij terug: Ghristus’ geboorte, de aanbidding der wijzen, het laatste avondmaal en de afneming van het kruis.