is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 46, 19-08-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE PERS

Na het Inleidende overzicht in „Tijd en Taak” van 5 Augustus, waarin wij het belangrijkste weergaven, behandelt de Amerikaanse schrijver Steed In zijn door ons besproken boek de talrijke onderwerpen, die onmiddellijk met de pers verband houden. Ook al Het de beschikbare ruimte het toe, zouden wij de meeste ter zijde laten. Ons Immers Is het te doen om de betekenis van de Pers als het machtigste orgaan tot vorming der publieke opinie. Wij geven ons daarbij tevens rekenschap van de wel haast onoverkomelijke bezwaren, die den eerlijken redacteur In de weg worden gelegd, zodra het beroep tot bedrijf is verworden. „Doch zolang de Pers”, aldus Steed, ~er prijs op stelt haar positieve macht te behouden, zal zij altijd genoodzaakt zijn over echte journalisten te beschikken eh van zich af te houden de nederige dienaren der machtigen en hen, die zich een sieraad van de Pers wanen In plaats van te gevoelen, dat zij zich geheel aan haar moeten geven.

Veeleisende meesteres als zij is, trekt zij vurige geesten tot zich en houdt ze vast met magische kracht. Hij twijfelt niet, of dit zal zo zijn, zolang de courant waard is voort te bestaan. En dit is zij, zolang het publiek verlangt te weten, wat er gaande is „als recht en niet als een privilege, genadiglijk verleend door regeringen, corporaties of machtige bedrijfsleiders. De Pers zal voortbestaan en dit verdienen zolang zij, in vrije gemeenschappen, haar functie van openbare critiek kan volbrengen als behoudster van het publieke geweten”.

Wat is vrijheid ons waard? vraagt hij zich verder af. Zoals wij allen, heeft ook hij zich eerst bezonnen op fundamenteel bezit, nu dit bedreigd wordt. Het gaat nu niet om ’de oorzaken, waarom, wat axioma’s waren voor onze grootouders, nu in twijfel worden getrokken, waarom instellingen met moeite verkregen en gedurende eeuwen in stand gehouden nu worden te niet gedaan. En als hij zich dan rekenschap geeft van wat vrijheid waard is, is zijn eerste conclusie, dat onverdraagzaamheid het allereerste is, wat wij niet kunnen verdragen als wij vrij wUlen blijven.

Om bijvoorbeeld de vrijheid te hebben over goede dagbladen te beschikken, moeten wij, zo meent hij, slechte verdragen. In een tijd als deze, is het de moeite waard Steed’s argumenten letterlijk weer te geven.

~Deze conclusie voert mij terug tot de kwestie der relativiteit. In kiem gaat het bij verdraagzaamheid om de practische uitkomst tussen de absolute en het relatieve. Zij erkent dat een absolute politike of sociale waarheid niet bestaat. Wat meer zegt, niet alleen aanvaardt zij, zij postuleert critiek en vrijheid tot critiek. Nu is deze tegelijk de waarborg voor persoonlijke vrijheid en de bron van vooruitgang in kennen en in kunnen. En zij heeft in zich het voornaamste attribuut van een vrije maatschappij het verdragen van meningen, die vele, misschien zelfs de meeste harer leden voor verkeerd houden. Als zij ze dulden, terwijl zij ze verkeerd achten, als zij zich onthouden van geweld om ze te onderdrukken, als zij trachten ze door argumenten en overreding te niet te doen, dan erkennen zij, dat mensen in eerlijkheid en inzicht verschillen kunnen en dat het voor alle meningen veiliger is tegenover elkander te worden afgewogen, dan dat een harer door geweld en dwang aan allen zou worden opgelegd. Politieke vrijheid bestaat niet in gelijkheid van denken. Negatief bestaat zij in het recht op verschil van inzicht, positief in de erkenning, dat de gemeenschap tot voller leven komt bij verscheidenheid dan bij eenvormigheid”. Met klem komt hij op tegen hen, die beweren, dat verdraagzaamheid een teken van zwakheid zou zijn en onverdraagzaamheid een bewijs van kracht.

Met een beroep op den Italiaansen wijsgeer, Benedette Croce, slachtoffer ook hij van het fascisme, meent hij, dat de Pers in een vrij land ontrouw wordt aan hare oproeping, wanneer zij zwijgt over misbruiken, die het algemeen welzijn schaden. Het is de plicht van de Pers zich uit te spreken. Niet aan de overheid, aan het publiek is zij trouw verschul-

dlgd. Want Is niet publiciteit het enige middel om misbruiken van het gezag In te tomen? Het Is voorwaar geen toeval, dat de dictatuur vrije pers dulden kan. Maar Is het niet beklemmend en verontrustend, dat In landen, die nog vrij zijn, gepraat over democratie armoede verraadt aan politiek denken? „Zolang men daar spreekt en zich gedraagt, alsof men overtuigd ware, dat de mens leeft bij brood alleen, dat ~economie” de loper Is, die iedere deur tot politieke wijsheid openen kan, zal daar nimmer de sprake der vrijheid de moedertaal zijn. En nimmer zal zij er gesproken worden met het bezielde accent van de grote leiders, die de waarde der vrijheid kenden In en voor zlchzelve. En zal de vrijheid van de Pers gewaarborgd zijn, haar recht tot crltlek ook van de overheid, dan kan dat alleen, wanpeer de burgers die diepe vrijheidszin bezitten. Een vooraanstaande Britse rijksambtenaar drukte dit kortgeleden aldus uit; ~De Pers heeft het recht de regering naar de Hel te verwijzen”.

Tenslotte gaat het om de liberale en de despotische opvattingen van het politieke leven. Aanvaardt men de totalitaire opvatting, ja zelfs als men er mee spreekt, dan Is het onvermijdelijk resultaat, de gehele of gedeeltelijke onderwerping van de Pers. Omgekeerd Is de enige zekere waarborg voor persvrijheid de afwijzing van de ganse totalitaire Ideologie. En de erkenning van de Innerlijke superioriteit van een gemeenschap van vrije burgers die, voorgelicht door een onverschrokken en eerlijke pers, vrljwUllg tot een hogere graad van elastische daadkracht komen dan ooit bereikbaar Is onder enige dictatuur. Kan men ontkennen dat het Steed gelukt, zijn stelling waar te maken dat persvrijheid het centrale probleem Is der vrijheid en dus der democratie? E. C. KNAPPERT.

Het moderne mensentype en wij (III)

Ik heb In twee artikeltjes de aandacht gevestigd op twee boekjes, die geestelijk evenwijdig liepen. In zijn „Der moderne Mensch und die Verkündlgung der Rellgionen” benaderde Hans Joachlm Schoeps uit de godsdienstige, theologische gezichtshoek hetzelfde probleem, dat Frltz Helnemann in „Odysseus oder die Zukunft der Phllosophle” langs filosofische weg benaderde. Hetzelfde probleem dat van den volmaakt nieuwen mens ener welhaast bewust on-godsdlenstlge, on-fllosoflsche, on-redelljke, on-morele generatie. Een mens, wiens bestaan wij liever loochenen, maar zijn opkomst en groeiende heerschappij laat zich niet loochenen.

Hoe dien mens nu tóch het Evangelie te prediken; hoe dien mens nu toch terug te voeren op de weg der redelijkheid?

Ik moet bekennen: het gedeelte van belde boekjes, waarin die vragen beantwoord worden, Is zwakker dan dat waarin het probleem gesteld, de analyse van dit nieuwe geslacht gegeven wordt.

Volgen wij vooral Schoeps op de voet. Tegenover een volmaakt nieuwe vijand staat het toch al zo wereldvreemde Christendom. Moest het tot nu toe hoogstens strijd voeren met ketterijen, die op ’t eigen terrein ontstonden thans staat het tegenover een andere godsdienst, want dat Is ’t geloof dat de „nleuw-heldense” mens zich geschapen heeft.

Hier komt ’t nu dadelijk op een belangrijk lets aan: dat de dingen bij hun naam genoemd worden. Schoeps Is van huls uit Jood; ge begrijpt dus de profetlsch-klare hartstocht, waarmee hij uitroept: ge bevindt u tegenover Baal; In de godsdienst van het bloed en van de bodem keert de oude Baal-cultus van heidens Kanaan weer; zie het In; noem het bij zijn naam!

Maar: hoe spreken wij tot hen die aan Baal ten offer gevallen zijn, zó dat zij ons verstaan? Wij zelden het reeds: In het geven

van aanwijzingen ter beantwoording van die vraag Is Schoeps het zwakst. In ziekte, smart en leed zal ook het leven van den zelfbewusten „nleuw-heldensen” mens aan de grenzen stoten, waar zijn zelfheerlljk zijn door het nlet-zljn bedreigd wordt. Klaar staan, om hem aan die grenzen toe te spreken! En bestadn blijft het ethisch conflict, dat ook den „nieuwen mens” toegankelijk maakt voor de prediking.

Hier Is makkelijk ’t een en ander tegenover te stellen. Angst voor dood, huivering voor het mysterie van het nlet-zljn? Maar daagt de „nieuwe mens” niet zelfs de dood uit? Lees eens wat het orgaan van de S.S.-troepen, de natlonaal-soclallstlsche elite, over die dingen zegt. Ik heb een artikel over „Die artfremde Ewlgkelt” uit „Das Schwarze Korps” van 22 Juni voor mij, waarin voor den „nordlschen” mens een gans Andere relatie tot de dood geproclameerd dan voor de overige mensheid. Ik citeer het artikel liever niet

Doch, al moge dan op het punt van de „Verkündlgung der Rellgionen” Schoeps’ boekje zwakker zijn dan daar waar „Der moderne Mensch” door hem geanalyseerd, ontdekt en aan de orde gesteld wordt, zijn geschriftje Is er niet minder belangrijk om.

Met dat van Frltz Helnemann behoort het tot die groeiende stroom van „tljd-lectuur”, waarin onze aandacht gevestigd wordt op problemen die nu eenmaal nieuwe oriëntatie en ~Instelling” eisen van die godsdlenstigen en wüsgerlgen, die God en Redelijkheid trots alles nog niet verouderd achten.

Dat die nieuwe oriëntatie en die nieuwe „instelling” ons niet maar kant en klaar, doch dat zij ons ter verovering gegeven worden —• laat het ons als een nieuwe taak dankbaar aanvaarden. Dankbaar, wijl wij zie Schoeps, zie Helnemann, zie talloos anderen al reeds niet meer alléén op die verovering hoeven uit te gaan. JOHAN WINKLER.

Briefen uit het Zuiden

Heimwee naar een mooi verleden en dromen over een verre toekomst hoeft niet aanstonds tot revolutie te voeren en kan toch ooit tot resultaten lelden. Een volk wordt ouder dan een mens en heeft een herinnering, die verder reikt dan mensenheugenis. In het Zuiden herinnert men zich de Middeleeuwen en spreekt men graag van groot Nederland, van het Bourgondische Rijk, van de 17 provinciën. Hoe langer, hoe meer gaat dit hun geschiedbeschouwing bepalen b.v. van de tachtig-jarige oorlog en men zal In elk geval moeten toegeven,dat het historisch beeld, geretoucheerd met (Roomse of) zuidelijke nuancen, meer kans op waarheid biedt dan de al te vlotte slmpllsmes over godsdienstoorlog en Nederland, de Protestantse natie. Maar dan Is daar 1830!

De geschiedbeschouwing van 1830 bij onze Nederlandse historici Is een prachtig bewijs, hoe moeilijk de objectieve geschiedenis is. De officiële geschiedschrijvers (b.v. Japlkse—Colenbrander) en hun waarderingen kwamen aanmerkelijk vergroofd in de schoolboekjes terecht, en ze stelden het ongeveer zo voor: De vereniging van Zuid- en Noord-Nederland was eigenlijk een onding; een politiek gewrocht van het Wener Congres om een barricade tegen Frankrijk te hebben, maar Indrulsend tegen elk gezond nationalisme. Noch In het Noorden, noch in het Zuiden was men er geestdriftig over. En wanneer deze „gedwongen samenleving” dan ook uiteenspat, hoeft niemand er rouwig om te zijn. De volkse tegenstellingen lagen te diep. Men moet goed zien, hoe ’n vreemde indruk zulk een betoog op een rechtgeaarde Brabander of Limburger maken moet. Hij voelt zich In Antwerpen, Brussel en Luik oneindig beter thuis dan in Rotterdam of Den Haag. Hoe dikwijls heb ik me laten vertellen van het onzeggelijk heimwee dat een Zuiderling voelt tussen de mensen van het Noorden (Amsterdam uitgezonderd!) en dezelfden voelden