is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 47, 02-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De wereldconferenfie der chrisfelijke jeugd

11. In het vorige nummer van „Tijd en Taak” heb Ik u een Indruk willen geven van het gesprokene In de plenaire zittingen van de conferentie. Bij de m.l. belangrijkste referaten heb Ik wat langer stil gestaan. Volledigheidshalve noem Ik u nog de twee laatste Inleidingen van dr. Manfred Björkqulst (Zweden) en dr. John R. Mott (Amerika). De eerste behandelde het onderwerp: De Christen, de kerken en de Kerk. In dit verband noemde hij als taak van de oecumenische beweging niet om de ongelijkheden te doen verdwijnen, maar veeleer, met erkenning van het eigen karakter van ledere kerkelijke gemeenschap, het Christendom tot een werkelijkheid te maken In de verschillende kerken onderling, er de nadruk op leggend dat de Invloed van het Christendom op de volkerengemeenschap mede afhankelijk Is van het feit of de Christenen onderling In vrede met elkaar kunnen leven.

John Mott sloot de reeks van Inleidingen met het onderwerp: „De Christen als gezant van Christus. Aan de hand van een aantal „gezanten” van naam o.a. Alb. Schweltzer, Kagaw'a, Paul Nlcolal e.a. maakte hij de aard van dit gezantschap duidelijk: de mens die zijn leven In dienst van Christus stelt doet vrijwillig afstand van het eigen Ik, hij geeft zich zelf zonder lets te vragen. Zijn leven Is een voortdurende overgave In gebondenheid aan Christus.

Aan de hand van genoemde referaten kunt u zich een beeld vormen van het verloop van een groot deel van de conferentie, aangezien deze referaten In de regel als inleiding golden voor de bljbel-studlegroepen die onmlddellljk na afloop van de morgenlezlngen plaats vonden In 43 verschillende localltelten. Hier was het dat men zich een beter beeld kon vormen van het geestelijk gehalte van de conferentie, aangezien zeer velen aan de discussies deelnamen. Het was een uitstekend denkbeeld om de gehouden referaten aan de hand van bepaalde bijbelpassages aan discussie te onderwerpen. Op deze wijze kon men Immers zien of de Inleiders er Inderdaad In geslaagd waren richting te geven aan de vele vragen die In verband met de onderwerpen aan de orde moesten komen. Afgezien van de eerste dagen, waarin de dogmatische zijde sterk op de voorgrond trad, brachten alle volgende dagen ons midden In het leven.

De conferentle-leldlng heeft het zich daarmee geenszins gemakkelijk gemaakt en het Is een bewijs, dat zij zich wel bewust geweest Is van haar verantwoordelijkheid. Zij heeft de tegenstellingen, die onvermijdelijk tevoorschijn moesten komen, niet willen vermijden. Zij heeft het Christelijk geloof sterk genoeg geacht om de spanningen, die deze tegenstellingen moesten oproepen, op te heffen In een hogere eenheid. In deze overtuiging heeft zij de jonge Chlstenen uit alle delen der wereld gesteld tegenover de nationale en Internationale problemen die deze wereld op dit ogenblik te zien geeft. Het getuigt van moed en geloof, dat men deze conferentie, die een jaar lang Is voorbereid, onder de huidige politieke omstandigheden heeft durven doorzetten. Moed en geloof zeker ook van de zijde der deelnemers van wie er velen duizenden mijlen hebben moeten reizen naar dat deel van Europa, dat op het ogenblik de onrust zelve Is.

Deze moed en dit geloof hebben ons, ondanks de vele tegenstellingen, In deze tien dagen bijeengehouden en ons vaster aan elkaar verbonden. Dit zou stellig niet het geval geweest zijn als het er In deze conferentie om te doen was geweest een voor allen geldige belijdenis te vinden. In de bljbel-studlegroepen kwam wel heel duidelijk aan de dag, dat er verschillen zijn die zich niet zo gemakkelijk laten gladstrijken.

Het verheugende was echter, dat deze verschillen geaccepteerd werden omdat men voelde dat het daar toch eigenlijk niet om ging. Men besefte dat wij niet bljeeengekomen waren om te twisten over opvattingen omtrent de bijbel, maar dat het er hier om ging, te zien wat wij, ondanks alle verschillen, gemeenschappelijk bezaten. En als zodanig kwam steeds weer de gedachte naar voren dat het

thans de hoogste tijd Is om het Christendom ’ tot een reële macht te maken, dat ons niet meer de tijd gelaten wordt om rustig toe te zien, hoe de dingen zich zullen ontwikkelen, ) maar dat er op een of andere wijze Ingegrepen i moet worden. Deze tendens, die van de wereld-L aanvaarding In plaats van de wereld verza-L klng, hebt u ook reeds uit diverse referaten ; kunnen opmerken. In zoverre sloegen de Inleiders de juiste toon aan. Het verschil tussen I het gesprokene In de plenaire zittingen en do discussies die daarop volgden In de verschll; lende groepen ligt dan ook niet zozeer In de ! richting, die men uit wilde, dan wel In de , Intensiteit waarmee deze gedachte In de groepen tot uiting kwam. Voor mijn gevoel lag er In de gemeenschappelijke vergaderingen nog te veel de neiging om de mens tot burger van twee werelden te maken, waarbij deze, onze wereld „slechts” een doorgangsstadium Is, dat wij weliswaar ernstig moeten nemen, maar dat, gezien In het licht van „onze toekomst”, een hindernis Is die reeds door Christus voor ons Is overwonnen. Met de woorden van den voorzitter, onzen landgenoot dr. W. A. Visser ’t Hooft: ~Wlj behoeven de wereld niet meer van haar voetstuk te lichten. Dat Is reeds lang geschied. Het Is onze taak deze zege te verkondigen en te leven als mensen die tot het leger van den zegevierenden Veldheer behoren” (uit de slultlngsdlenst).

„Waf kunnen wij doen?"

Deze tendens nu heb Ik In de discussiegroep slechts zelden kunnen beluisteren (het spreekt vanzelf dat Ik slechts kan spreken voor één van de 43 groepen). Wat hier wel heel sterk tot uiting kwam, was de grote bezorgdheid omtrent de loop der wereldgebeurtenissen en de noodzakelijkheid om als Christenen Invloed op deze loop uit te oefenen. Men besefte zeer duidelijk de onmogelijkheid om te doen alsof men deze wereld overwonnen heeft, als men haar niet zelf eerst bevochten heeft. Om haar te kunnen bevechten moet men haar zo ernstig mogelijk nemen en dan komt als vanzelf de vraag naar voren: Wat kunnen wij Christenen doen? Hoe moeten wij handelen om zowel In nationale als Internationale verhoudingen de geest van Christus tot een factor te maken, waarmee rekening moet worden gehouden? Deze vraag was het die telkens en telkens weer In ons midden werd geworpen en die zeer duidelijk de waarheid onderstreepte van de woorden van één van de dlscusslegroeplelders:

„Wij zijn het er over eens, dat wij als Christenen een grote verantwoordelijkheid dragen de waarheid In Internationale aangelegenheden te verdedigen. Ik denk ook dat wij het er wel over eens zullen zijn, dat wij de plicht hebben om de oorzaken van lijden en onrecht In de volkerenwereld weg te nemen, ofschoon wij het over de mld – delen en de wegen niet eens zijn; wij geloven echter dat wij als Christenen de dringende taak hebben de volkeren te verzoenen, een verzoening die gebouwd Is op het offer. Wij zijn het er ook over eens dat ware vrede gerechtigheid Inslult en dat wij niet mogen zwijgen ten aanzien van de zedelijke kant der Internationale conflicten. Wij moeten echter bekennen, dat wij ons niet genoeg bekommerd hebben om de vraag hoe deze principes aangewend moeten worden.”

In deze woorden Is de zwakheid van de Christenheld op de juiste wijze uitgedrukt: zij heeft niet de wegen gevonden om haar geloof een zodanige uitdrukking te geven dat zij een reële macht kan zijn In deze wereld. Te lang heeft zij de wereld gelaten voor wat zij was, om nu enig gewicht In de schaal te kunnen, leggen. Dit besef zal de conferentle-leldlng er ook toe gebracht hebben om er In de plenaire zittingen de nadruk op te leggen, dat de Christen geen standpunt boven de partijen kan Innemen, maar dat hij deel moet nemen aan de sociale en politieke strijd. Als het Inderdaad de bedoeling Is geweest dit aan de jongeren voor te houden dan Is deze conferentie een

stap In de goede richting geweest. Maar dan zal men In de toekomst ook verder moeten gaan en nog strakkere richtlijnen moeten geven. Daarom heb Ik de Vrijdag het hoogtepunt van de conferentie genoemd, omdat In de referaten van Laurlol en Koo, vooral In dat van de laatste, strakke richtlijnen werden gegeven voor de opbouw van een Internationale rechtsorde. Zulke richtlijnen zullen door de Christenheld ook gegeven moeten worden ten aanzien van het vraagstuk van productie en distributie, van het werkloosheidsvraagstuk, kortom op alle gebieden van het sociale en politieke leven. Eerst dan toont zij dat zij deze wereld werkelijk ernstig neemt, eerst zo kan zij een werkelijke macht worden In de samenleving der volkeren. De noodzaak hiervan Is vooral gebleken In de mlddagdlscusslegroep over het onderwerp: Volk en Staat, één van de zeven secties, waarin de deelnemers, naar eigen keuze, verdeeld waren.

Ook hier heerste er algehele overeenstemralng ten aanzien van de gedachte, dat de Christenheld wegen zal moeten vinden om haar crltlsche functie Inzake onrecht daadwerkelijk tot uiting te kunnen brengen. Het geloof moet op een of andere wijze met een daad gestaafd worden, de godsdienstige waarden moeten hun toepassing vinden, willen zij respect kunnen afdwingen en niet onder de voet gelopen worden.

Zo gezien kan deze conferentie een waardevol begin zijn. Een van Amsterdam’s gemeenteraadsleden moet gezegd hebben, dat hij de wereld nog niet verloren achtte, nu hij gezien had dat deze conferentie mogelijk was, onder de huidige omstandigheden. Zulk een optimisme kan alleen dan gerechtvaardigd zijn wanneer er meer van die profetische geest vaardig wordt ook over ons jonge Christenen, die ons uitdrijft in de wereld, over alle levensgebieden, afbrekend wat tegen de geest van Christus indruist, opbouwend wat levenskracht bezit en uit die geest geboren is. T e loeinig heb ik persoonlijk op deze conferentie van deze geestdrift gemerkt. Daarvoor waren de woorden, die van machteloosheid getuigden, te talrijk. Maar aan de andere kant zullen ook velen hier nieuwe kracht hebben opgedaan in de overtuiging, dat zij niet alleen staan. Wanneer zij in deze dagen diep doordrongen zijn van de zwakheid van de Christenheid en gezien hebben dat al ons pogen moet falen als de kleine krachten niet verenigd kunnen worden tot een forse stoot, dan kan de Amsterdam-conferentie in de toekomst vruchten afwerpen. Aan ons mede de taak te zorgen, dat wij niet te laat komen. J. GOORHUIS.

Land in zicht

In het Juli-Aug.-nr. van ~Neue Wege” vinden wij een diep-ontroerende brief uit Tel Aviv over de belevenissen op een vluchtelingenschip voor Joodse emigranten.

Nadat eerst over de slechte verblijfplaatsen aan boord en het onvoldoende eten geschreven is, vervolgt de brief:

„Nu kwam het allerergste: vijf weken honger en narigheid waren daarbij vergeleken niets. Toen wij de kust naderden, moesten wij door het water aan land gaan. De golven kwamen ons boven de hoofden, zo stormde het. En wie bang was voor het water werd door de matrozen eenvoudig over boord gegooid, met rugzak en al. Een afgrijselijk geschreeuw iveerklonk. Een man is daarbij verdronken. Daarna moesten wij, nat, plat op de grond gaan liggen in een beekbedding, opdat men ons niet kon zien. Het bleek namelijk, dat wij tussen twee Arabische dorpen geland waren. In de vroege morgen kwamen er twee Joodse poiitie-agenten, die ons in zes uur door een woestijn, waar het mulle zahd 20 cm. dik lag en de zon gloeide, met de rugzak op de rug, naar de naastbijzijnde Joodse neterzetting brachten.

De gewone prijs onder normale omstandigheden voor deze tocht op een voortreffelijk schip is 10 Engelse ponden in de toeristenklasse; daarvoor heeft men dan een aardige kahine en vier stevige maaltijden daags. Deze onmenselijke uitbuiters van ons ongeluk vragen enkel voor de overtocht 16 Engelse ponden.” L. H. RUITENBERG.