is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 48, 09-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j, »

De weg van het zwaard

Nederland heeft ook de weg van het zwaard gekozen, of juister het heeft als alle andere staten die weg steeds bewandeld. De machtspositie in de wereld, de eer en grootheid van het volk, het behoud der vrijheid en zelfstandigheid, verzet tegen onrecht, dat de sterkere staat de zwakkere dreigt aan te doen, dat zijn alle redenen, om de weg van het zwaard te volgen en toch heeft de laatste kwarteeuw klaarder dan enige periode in de geschiedenis aangetoond, dat de weg van het zwaard de weg van het verderf is en dat men langs die weg zijn doel niet bereikt. Men behoefde geen profetengave te bezitten, om reeds lang geleden te voorspellen, dat de wedstrijd in bewapening moest uitlopen op een ontzettende wereldramp en dat bij de verwoestende werking der moderne bewapening alle oorlogvoerende partijen veriiezers moeten worden. Dat geweld niet het heil maar de hel brengt, weten allen en toch heeft men de macht van het geweld laten groeien, zodat het de wereld is gaan beheersen en er is geen wreder dictatuur dan die van het zwaard.

Genève heeft getuigd voor ontwapening, die echter geen ontwapening maar beperking en op zijn best vermindering van bewapening zou zijn. Zelfs die halfheid was te veel. Pacifisten van allerlei slag hebben geijverd voor wezenlijke ontwapening; zij hebben dit gedaan op politieke, finantiële, zelfs militaire gronden, maar bovenal als een zedelijk gebod. Men heeft hen halfzacht, sentimenteel, onpraktisch en zelfs lammelingen en verraders genoemd. Velen zetten de eis van ontwapening op de lijst der later te betaleri rekeningen; bijzondere tijdsomstandigheden lieten het dadelijk voldoen er van niet toe. Men moest op de weg van het zwaard wel voortgaan en meegaan.

Het aantal van hen, die direct de weg van het zwaard willen verlaten, is gering geworden. Het geweten eist contante betaling. Het kan zich niet verenigen met het moderne oorlogsgeweld. Het geweten is geen luidspreker, die, hoe verschillend ook van vorm en inrichting, toch aan alle toestellen dezelfde woorden en klanken doet horen. De Christen kan ook in alle oprechtheid menen, God te moeten dienen door het zwaard. Er kan ook een botsing van plichten zijn, waarbij men te goeder trouw de plicht van het zwaard als zwELarste doet gelden. Wij moeten over andermans geweten voorzichtig oordelen. We kunnen het ons echter niet voorstellen, dat men de volstrekte tegenstelling tussen Christendom en oorlog niet inziet en de oorlog meent te kunnen verenigen met de zachtmoedigheid en vijandsliefde, door Christus geleerd. Parker, de Amerikaanse prediker, die reeds lang geleden als Christen iedere oorlog afkeurde, vroeg eens, of men zich Christus zou kimnen denken als kapitein van een oorlogsschip in een zeeslag. We kunnen ons hem wel denken als herder, timmerman en bij alle arbeid, die in dienst van het leven staat, maar de voorstelling van Christus als aanvoerder in een oorlog moet allen als heilig’schennis voorkomen.

Men laat echter het Christelijke geweten maar of dwingt het zelfs tot zwijgen; in elk geval heeft het geen overwegende invloed op de loop der dingen in deze jammerlijke wereld, die zich op de weg van het zwaard bevindt.

Het laatste nummer van „Kerk en Vrede”,

aan de vooravond van de nacht der geweldsuitbarsting verschenen, bevat eigenlijk slechts één gedachte; Christus en de oorlog verdragen elkander niet! Het eerste woord op de voorpagina is de uitspraak van Stanley Jones: Als Christus in deze wereld blijft, zal de oorlog er uit moeten. Als de oorlog blijft, kan Christus niet blijven. Of als Christus blijft, zal hij op duizenden slagvelden aan stukken worden, geschoten.

Het hoofdbestuur van ~Kerk en Vrede” schrijft in een oproep aan de kerken en Christenen van Nederland 0.a.:

„In beginsel is iedere oorlog zonde. De stem van God blijft spreken. Al staan duizenden kanonnen gereed, om deze stem tot zwijgen te brengen en al zullen dichte gifgaswolken zo straks trachten ons het uitzicht op het Koninkrijk Gods te ontnemen, de stem van God blijft spreken: Gij zult niet doodslaan!”

Dit alles lijkt niets dan een kinderhandje smekend uitgestrekt, om het geweld ener branding te keren, een druppel water, om een brandend huis te blussen. De wereld grijpt naar geweld; het geweld heeft de wereld gegrepen en zij zal bitter moeten lijden in die greep.

Alleen indien de wereld gehoorzaamt aan het woord van den Heiland en Vredevorst, zullen heil en vrede haar deel worden; zij moet dan echter rechtsomkeer maken op de weg van het zwaard.

Het doodsspelletie

In verband met een opmerking, dat de mensen doof waren voor een blijde boodschap en ook voor een woord van boete, gebruikte Jezus het beeld van spelende kinderen. Ze kwamen op de markt samen en speelden dan begrafenisje met klaagliederen en ander rouwbedrijf. Alle spel is nabootsing van arbeid, strijd, vermaak der ouderen. Het spelend beweeg van handjes en voetjes in de wieg, het grijpen trappelen is wel geen bewuste navolging, maar toch voorbereiding voor het vele werk, dat handen en voeten eens wacht. De dood is echter zo gruwelijk ernstig, dat een doodsspellet je ons tegen de borst stuit en we hebben ook nooit gezien, dat kinderen begrafenisje speelden. Wel zagen we vaak en in de laatste dagen zelfs opvallend vaak, dat kinderen soldaatje spelen. Een hele dag zaten we in ons rustig dorp in het gedaver van militaire transporten en we zagen In één dag meer uniformen als anders in vele jaren. Toen de rust was weergekeerd, hoorden we echter in de verte nog eens tromgeroffel; het klonk meer burgerlijk dan militair. De trom bleek later uit een grote, lege bus te bestaan en ik hoorde een schelle jongensstem gülen: Geef acht! De jongens waren aan het soldaatje spelen. Op een plaatje in de krant zag ik met een guitig-parmantig gezicht een kleinen snuiter in militaire houding de hand tot saluut aan een papieren muts en door zijn ceintuur gestoken als dolk een stok. Hij groet een anderen knaap voor hem, zijn meerdere, die ook gewichtig doet, maar lang niet zo goed comedie speelt als hij en blijkbaar wat verlegen is onder de druk van zijn meerderheid. Men lacht erom en vindt het leuk, maar het is ook een lelijk doodsspelletje. Wat drijft kinderen tot dit spelletje? Is het het oorspronkelijke vechtinstinct, dat in den natuurmens zulke grote kracht uitoefent en waarlijk in den modernen mens nog niet is uitgeroeid? Is het het mannelijke, kranige.

fleurige, dat het kenmerk is van een troep gezonde, jonge mannen, de bekoring van uniform en wapen en militaire manieren, die aan avontuur en moed doen denken; jongens vooral worden makkelijk door de valse oorlogsromantiek gegrepen en bezeten. Waarschijnlijk is het van alles wat. Maar sterk werkt ongetwijfeld het vechtinstinct. Het is een kracht, die niet uitgeroeid kan worden en op zichzelf is het ook geen boze kracht. Maar het gaat ermee als met het vuur, dat vernielen en scheppen kan beiden. We hebben eens de aardige opmerking horen maken, dat Mich. de Ruyter een schitterende leider van een volksbeweging, een vurige en knappe socialist zou zijn geweest, indien hij met al zijn kracht voor het socialistisch ideaal zou hebben gestreden. Het vechtinstinct der jeugd kan op betrekkelijk onschuldige wijze aangewend worden in de sport, beter nog voor de niet makkelijke voorbereiding en de vervulling der levenstaak. Dat is een strijd zonder wapenen en zonder wonden en oorlogshartstocht.

Vooral nu het oorlogsgeweld ons denken en voelen misschien voor lange tijd zal gaan. overheersen en ook bederven, moeten we de jonge harten van de gruwel en schande van de oorlog bewust maken, zodat zij niet naar het doodsspelletj e zullen talen. Maar dan moeten we in ons eigen hart ook de geweldheerschappij weren.

Indien morgenochtend het bericht kwam, dat een Engels-Frans luchteskader Berlijn tot een puinhoop gemaakt en daarmee het centrum der Hitlerregering vernietigd had, zou zelfs menige ontwapenaar dit als een goed begin van de dag beschouwen en voldaan denken: Dat hebben ze verdiend!

In de geest der Bergrede oordeelt men echter anders. Geloof in geweld en zijn glorierijke en verlossende macht is de vijand, die vooral thans vele jonge en oude harten binnendringt en verovert.

Kunnen wij iets doen?

Een gevoel van machteloosheid bekruipt ons met de verbittering over de afschuwelijke dingen der laatste weken. Wij staan tegenover de loop der gebeurtenissen als tegenover twee sneltreinen, die in volle vaart tegen elkaar inrijden. Wat baat het te schreeuwen, daar elk geluid verloren gaat in het gedaver der treinen. Wat baat het met arm en zakdoek te zwaaien, daar het oog der machinisten aileen maar op de baan en de seinen gericht is! De ramp is onafwendbaar.

In elk geval kunnen we ons onthouden van het zelfzuchtige gehamster en bereid zijn, om ons deel mee te dragen van het gebrek, dat op de duur een onvermijdelijk gevolg zal zijn van de oorlog en mee te werken, om de gezinnen, die door de mobilisatie het zwaarst zijn getroffen, zo goed mogelijk door de moeilijke tijd heen te helpen. We kunnen niet anders dan kleine dingen doen; maar we zijn ook maar kleine mensen. We kunnen wellicht ook iets doen voor de Vrijwillige Burgerlijke dienst, die de overheid heeft ingesteld. Allerlei verenigingen zullen zich daarbij aansluiten, om staat en maatschappij bij te staan in deze tijd, die extra veel werk vereist. Dat lijkt ons beter dan met de Burgerwacht mee te werken, al zou het Aileen maar zijn, omdat, deze instelling gewapend is en werk verricht, waarvoor speciaal leger en politie aangewezen en geschikt zijn.

De nood drijft de mensen bijeen; in de nood komen vaak de beste gevoelens naar voren. De nood kan echter ook zeer zelfzuchtig doen handelen. Wij herinneren ons uit de oorlogsjaren 14 tot 18 een ouden geleerde, die in zijn grote studeerkamer koude leed, omdat het rantsoen brandstof voor zijn huis te klein was en hij niet wilde smokkelen, maar we herinneren ons ook een rijke dame, die een hele kist thee op zolder had en die thee smaakte haar lekkerder, naar mate meer van haar kennissen zich met allerlei rare surrogatenmoesten behelpen. Er zijn meer voorbeelden van de laatste dan van de eerste soort!

J. A. BRUINS.