is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 37, 1939, no 49, 16-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i, lliririTrj[rriiiiiiiMiniiihiiii:i 111 lil I 1

Tyrannie der oorlogsgedachte

In de vroege morgen word ik wakker van het gerikketik van een machinegeweer. Het is waarschijnlijk een protest tegen schennis van ons onzijdig luchtgebied. Ik zie uit mijn bed naar buiten, naar mijn tuin en het aangrenzende weiland en de bomen, naar alles wat in de zomermaanden zo heerlijk en wonderlijk rijk is gegroeid en denk aan de tegenstelling van scheppen en vernielen en dommel met oorlogsgedachten weer in. Aan het ontbijt een luide roep: ’t Is zo acht uur, gauw de radio aanzetten! De aangename, duidelijke stem van het A.N.P. klinkt en allen luisteren. Daar is de post! Gauw even in de krant neuzen naar de laatste berichten en de plaatjes.

Oorlogsbeschouwingen overheersen en drukken al het andere, hoe belangrijk ook, in een hoekje. Een buurpraatje over de heg. Had de radio ook nieuws? Zou het lang duren? Er volgen onderstellingen over de loop der dingen en de duur van de oorlog.

Dat is het begin van de dag en in zijn loop komen nog allerlei verhalen over moeilijkheden in gezin en zaak door de mobilisatie, over de suiker, die men nergens meer krijgen kan, over bussen, die Zondag het hele land zullen afreizen met bezoekers aan gemobiliseerden, enz. enz. De dag wordt besloten door de laatste uitzending van oorlogsnieuws van het A.N.P. om elf uur. Wij dreigen even eenzijdig te worden als een zieke, die over niets anders denkt en praat dan over zijn ziekte en al de narigheid, die ermee in verband staat, en daardoor zijn lijden geheel ondragelijk maakt. Dat de oorlog thans een zeer grote plaats in ons denken inneemt, spreekt wel vanzelf; maar tyrannie der oorlogsgedachte moeten wij niet toelaten, want deze zou ons verbitteren en verlammen.

Door de radio hoorden we Zondag een ernstig woord van den V.A.R.A.-man, die plaatjes draait. Hij had een bijzonder goede keuze gedaan; een toccata van Bach, een adagio van Beethoven, een menuet van Mozart, een wals van Chopin; hij deelde daarbij mee, dat ons hoofd tegenwoordig niet staat naar vrolijke mopjes, maar dat het goed is naar goede muziek te luisteren en er aan herinnerd te worden, dat er behalve het afschuwelijke krijgsrumoer ook nog verheven schoonheid in de wereld is. Men luisterde daarnaar en voelde zich opgefrist en verkwikt als door de buitenlucht en de stilte, wanneer men een ogenblik een benauwde zaal vol luide stemmen verlaten heeft.

En daarna besprak door de radio Banning een boek over de grote denkers van de oude en de nieuwe tijd. Hij maakte dezelfde opmerking. Wie luistert thans naar de stem der philosofie? Het lijkt dwaas, in deze tijd van opwinding en angst, op te wekken tot rustige bezinning over de diepste grond en het wezenlijke verband der dingen. Maar het is juist goed, thans de gidsen in de wereld des geestes te volgen en met hen de toppen der hoogste waarheden te bestijgen en zich bewust te worden, dat er nog iets anders is dan de stinkende vuiligheid der internationale politiek en het kannibalisme van de oorlog. Dat helpt ons het vertrouwen in de toekomst en het geloof in de mensheid te versterken.

Tijdens een oorlog worden de grenzen gesloten. Wij komen er licht toe, dan ook de grenzen van onze gedachtenwereld te .sluiten en alleen de oorlogsgedachte toe te laten; daarmee weren we dan veel, dat van grote waarde is.

In plaats van bewustzijnsverenging is be-

wustzijnverwijding in deze tijd zeer nodig. Heijermans schreef de dólle klucht: „Robert en Bertram”, om de mensen van de tyrannie der oorlogsgedachte te verlossen. Huijior en nog waardevoller middelen kunnen ons daarbij helpen.

Bij het werk volharden!

In T4 heeft het uitbreken van de oorlog ons meer verrast en verschrikt dan thans. Er was toen door het onverwachte groter verslagenheid. We herinneren ons een groep arbeiders, die bijeen stond te praten, in plaats van de aardappelen te rooien op het land. Ze vergaten het werk; het scheen nutteloos, nu nog te werken; het einde der dingen scheen wel nabij gekomen. De volgende dag pakten ze echter weer aan. In heel veel ander werk bleef het echter in de oorlogsjaren slap en half. De rechte lust en ijver waren er niet meer. Dat gold van alle werk van verenigingen en bewegingen in dienst van idealen. Wonderlijk genoeg bloeide het leven op. Kanongebulder leek wel een nieuwe danswoede ontketend te hebben; maar velen werden traag in het werk in dienst van de hernieuwing en hervorming der samenleving, of legden dat werk zelfs geheel neer. Dat gevaar dreigt ook thans en terecht wordt thans opgewekt, om dit werk aan te pakken en erin te volharden. In „De Proletarische Vrouw”, een bazuin, die het socialistische geluid steeds zuiver en niet onzeker doet horen, lazen we een beroep van het Hoofdbestuur van de Bond van Soc.-Dem. Vrouwenclubs met deze aanhef:

„Er zijn tijden, waarin ons beginsel meer dan ooit tot ons moet spreken. Het gaat dan om het beschermen, bewaren en overdragen van de idee van het democratisch socialisme.”

In de oproep staat deze aanmaning, om aan het werk te blijven;

„Voor alle Soc.-Dem. vrouwen blijft gelden, dat in de verwarring en verwildering, die ons misschien te wachten staat, zij voor alles de geestelijke waarden hebben te handhaven.” In „De Blauwe Vaan” lazen we in een hoofdartikel een opwekking van dezelfde strekking. De oorlog maakt onverschillig. Allicht grijpt men naar de alcohol, om al de narigheid, die de oorlog veroorzaakt, voor een tijdje geheel te vergeten. Waarom zal men de zaak der onthouding nog blijven dienen en het alcoholkwaad blijven bestrijden, nu de mensheid als een paard op hol bezig is, alles stuk te trappen en zichzelf daarbij ernstig te verwonden. Het geeft immers alles toch niets!

Ook in „De transportarbeider” vinden we een opwekking, om aan het werk te blijven. De redactie van dit orgaan van een onzer vakorganisaties wekt op tot trouw aan de bond.

„Wij weten niet, wat uit dit alles voortkomt. Dat zal de tijd leren. Maar we moeten ons werk voortzetten. Ook in moeilijke tijden wil de bond een steun voor de leden zijn. Dat kan, als wij allen onze plicht verstaan. Daarom richten wij hierbij het dringend verzoek tot allen: Juist nu, trouw aan de bond!”

We hopen, dat de gemobiliseerden hun wapenen niet zullen behoeven te gebruiken, maar een andere vijand dreigt; de verveling zal veel kwaad onder hen doen. Zij zullen wel mopperen en kankeren, maar dat gebeurt niet uit de heilige ontevredenheid, die den idealist drijft. De verwildering en verwoesting door de oorlog zal bij allen het besef van verantwoordelijkheid jegens de gemeenschap doen verflauwen: dat is de uitwerking van langdurige

nood en gevaar. Daarom is thans zeer op zijn plaats de opwekking, om trouw te blijven aan het ideaal en in de strijd ervoor niet te verslappen.

Wanneer er brand is in de straat, waar zij woont, vliegt de vrouw naar buiten, jammert en beeft of ziet nieuwsgierig toe en laat haar werk in de steek. Het eten brandt aan en de kleine in de wieg schreeuwt en wordt niet geholpen.

Bij de opgraving van Pompeji is het lijk van een Romeinsen soldaat gevonden vlak bij de poort, met de wapenen bij zich. Hij had misschien tijdig weg kunnen vluchten, toen een stroom van vuur zich over de stad uitstortte. ,

Hij bleef echter onder het grootste gevaar trouw op zijn post. Al zou de hele wereld rondom hem ook vergaan, hij wilde tot het laatste toe zijn plicht doen.

Toch oorlogswinst

Wanneer gemeenschappelijke nood en gemeenschappelijke belangen een volk aaneensluiten, blijkt nog duidelijker de onhoudbaarheid van het kapitalisme, om het algemeen welzijn te dienen. De grondbeginselen van het gewone zakenleven worden dan terzijde gesteld; zelfs de wet van vraag en aanbod geldt niet meer voor de regering in haar maatregelen, om ons volk zo goed mogelijk tegen dreigend gebrek te beschermen. Als de vraag toeneemt en het aanbod slinkt en niet of onvoldoende aangevuld kan worden, moet de prijs stijgen. De regering verbiedt echter kort en goed de prijsstijging, die om deze redenen moest geschieden. Zij breidelt het kapitalisme in zijn macht en werking. Zij is ook besloten, het maken van oorlogswinst tegen te gaan. Haar maatregelen inzake het sociale en economische leven in deze oorlogstijd zijn goed en zullen veel kwaad voorkomen.

Maar er is reeds veel oorlogswinst gemaakt. Terwijl Amerikaanse vrouwen geen kousen, van Japanse zijde gemaakt, wilden kopen en dragen, uit sympathie voor de Chinezen, heeft Japan meer dan de helft zijner oorlogsbenodigdheden, metaal, rubber, olie enz. uit Amerika ontvangen. Het kapitalisme is uiterst onpartijdig; het is voor alle partijen, waarmee goede zaken te doen zijn.

De vooroorlog en oorlog hebben in enkele weken de koers der aandelen van verschillende ondernemingen sterk doen stijgen. Aandelen der papierfabriek Van Gelder stegen van 105 op 113 i, van Kon. Petroleum van 288 op 334 i, van Indische rubber van 124| op 145, van de Amst. Handelver. van 377 i op 431, van de Holland Amerika-lijn van 96 op 129.

Dit betekent een oorlogswinst van vele mülioenen, die de regering niet kan beletten; hoogstens krijgt ze een deel van deze oorlogsbuit als belasting in handen.

Voor het kapitalisme is alles een zaak; ook de oorlog, wanneer er geld aan te verdienen valt. Zedelijke wetten bestaan voor dit stelsel niet in zijn jacht op winst. Het levert aan vriend of vijand; het schendt de levensbelangen van natie en gemeenschap, indien het maar winst maken kan.

Op audiëntie zonder deftigheid

Voor een paar weken schreven we over het pompeuze ceremonieel, dat met het ministerschap samengaat. Van zeer bevoegde zijde werd ons meegedeeld, dat onze beide eerste socialistische ministers wel met dat plechtstatig gedoe zouden willen breken, maar dat zij daarin geen verbetering en verandering hebben kunnen brengen. De traditie is in de wereld der hoogwaardigheden nu eenmaal zeer sterk. We vernamen ook, dat het gebruik, om bij ministers op audiëntie te komen in rok of geklede jas met hoge hoed echter niet meer in acht wordt genomen en dat bezoekers van ministers gerust in een eenvoudig jasje kunnen verschijnen. Niemand wordt daarom minder beleefd of vriendelijk ontvangen.

Als men dus niet afgeschrikt wordt door de deftigheid van een bode behoeft men tegen de audiëntie bij een minister niet op te zien.

J. A. BRUINS.