is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 1, 30-09-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Flitsen: September 1939

Mijn buurman was tot dusver een trouw schouwburgbezoeker. Ook dit jaar zou hij een abonnement voor de Stadsschouwburg nemen. „En, heeft u uw abonnement al gehaald?”, vroeg ik hem. Balorig keek hij mij aan: „Ik heb nu wel wat anders aan mijn hoofd dan de schouwburg!”

Vrijdagmiddag in de bios. Er ging een zeeroversfilm met Charles Laughton. Het was er propvol. Zowel de goedkope als de dure plaatsen waren goed bezet. Het leek of er geen oorlog was. Hartstochtelijk volgde het publiek de daden van de rovers en de lotgevallen hunner slachtoffers. Bij de tekenfilm was veel gelach. „Gelukkig draaien ze in ’t Journaal geen oorlogsscènes”, zei iemand naast me.

Een uitgever klaagt zijn nood: Er wordt nn nog minder gelezen dan anders. Met één uitzondering: oorlogsromans, die een jaar of tien geleden sterk in de mode waren. Een boekhandelaar, die met stapels van die soort romans was blijven zitten hij kon ze de laatste tijd zelfs tegen oud-papierprijzen niet van de hand doen was zijn voorraad in een ommezien kwijt.

Tot dusver werd de correspondentie met Scandinaafse zakenrelaties voornamelijk in het Duits gevoerd. Tegenwoordig ziet men dit daar niet graag meer, dus correspondeert men n'u in het Engels.

In een overwegend Katholiek dorp in het Gooi. Bij een boerenfamilie. Behalve een niet al te snugger jongmens zijn zij allen antifascistisch. Zij zijn onontwikkeld. Hun anti-fascisme ontspringt aan hun verafscLuwing van het geweld. Wanneer het A.N.P. zijn nieuwsberichten uitzendt, wordt het werk onderbroken. Als voor een orakel van Delphi zitten zij voor het radio-toestel. De Duitse troepen staan bij Warschau. Bombardementsvliegtuigen zaaien dood en verderf. Engels schip getorpedeerd. Doden. Gewonden. „Geen nieuws vanmiddag”, zegt een van de vrouwen. Tot tenslotte nog medegedeeld wordt, dat een buitenlands vliegtuig enige uren geleden boven Nederland gezien is. Nu volgt een levendige discussie. N u is er „nieuws”. Wat voor een vliegtuig zou het geweest zijn? Een Duits? Een Engels? „Vanmorgen heb ik zo’n ding horen snorren”, verklaart het jonge mens gewichtig, „zal wel een Engelsman geweest zijn.” Een bewering, die de vrouwen doet opvliegen. Zij zeggen, dat alleen Duitse vliegeniers zulke streken uithalen. Reeds enige minuten zwijgt het A.N.P. Maar het discours over het geheimzinnige vliegtuig is nog niet verstomd. Aan al het schokkende, dat men gehoord heeft, wordt geen woord vuil gemaakt. Dat is allemaal zo ver weg, nietwaar...?

Een ouwe boer vraagt mij, hoe het toch eigenlijk met die bombardementen zou toegaan. „Mot iets verskrikkelaiks zain, hé?” Ja, dat denk ik wel”, antwoord ik. „Maor ier len ’t durp komme se tóch nie, wa?”, vraagt hij. Nee, in de dorpen niet. Wat zouden ze daar moeten doen? „Gelukkig maor.” De ouwe man is gerust gesteld. Het is hier maar een half uur sporen van Amsterdam. Zo een eind, niet – waar ...?

Ik kom onzen bakker tegen. Stralend van blijdsch,ap vraagt hij mij: „Hebt u ’t al gehoord? De Fransen zijn door de Siegfriedlinie beengebreken. Nou is de oorlog gauw afgelopen.” En zonder een antwoord af te wachten dat sceptisch uitgevallen zou zijn holde hij weer verder. Hij is er happig op, zijn nieuwtje aan den man te brengen.

Een jonge Duitse, die ongeveer een jaar geleden door haar huwelijk Hollandse is geworden, een totaal a-politiek schepseltje, blond en met blauwe ogen, vertelt mij van haar familie. Zij zijn allemaal in Duitsland. Haar zwager is een hoge ome bij de S.A. Haar oude moeder heeft ze in vijf jaar niet gezien. „U kon er toch eens heengaan en haar bezoeken”, raadde ik haar aan. Naar dat Duitsland toe? Hoe komt u er bij? Zelfs voor een paar dagen zou ze er niet heen willen. Nee! Natuurlijk zou ze graag haar moeder weer eens zien. „Maar dan moet ik nog wat wachten, tot het met het Derde Rijk afgelopen is”, zegt ze. Zij is als huishoudster naar Nederland gekomen. Heeft zich nooit iets aan politiek gelegen laten liggen. Maar nu naar Duitsland

gaan? „Het is me toch niet in ’t hoofd geslagen!”

Zondag. De kerken zijn vol. Daar zijn/ er een heleboel, die nou voor ’t eerst hier zijn, vertelt een oude boerin mij. „Nou ’t gaat nijpen, willen ze d’r allemaal bij zijn om tot Onze Lieve Heer te bidden ...”, zegt ze, en zelfgenoegzaam kijkt ze om zich heen ...

Terug in Amsterdam. Twee krantencolporteurs staan op de hoek van een straat. De een met „Volk und Vaterland”, de ander met „Het Volksdagblad”. Op de hoofdpagina van beide bladen hoofdartikelen vol lof over de Sowjet-Unie. Af en toe kijken de twee colporteurs giftig naar elkaar. In een heel kwartier verkocht de rode kameraad éen en de bruine geeneen krant. Ze blijven op hun plaats. Eenzame posten. Plots begint de Stalinist de titel van zijn blad uit te brullen. Succes blijft uit. Maar hij blijft staan waar hij staat. Voorbijgangers kijken demonstratief afwijzend of spottend. Niet één die met de eenzame colporteurs meevoelt. Toch blijven de twee heren op hun plaats. Mijn compliment... Zondag 17 September. Het bericht, dat de Russen nu ook Polen hebben overvallen is enige uren oud. Maar het beheerst heel de dag. Een zwakke troost is het, dat nu hoogstwaarschijnlijk het communisme ini West-Europa afgedaan heeft. Wat zouden de vertegenwoordigers van de Stalin-centrale morgen schrijven? Och, dat weet je eigenlijk al. Zij zullen met vette koppen berichten, dat de Polen de Russische bevrijders juichend hebben binnengehaald. He, wat roepen ze daar hebben binnengehaald. Hè, wat roepen ze daar op straat?

„Extra-editie! Ex t r a-e dit i e!” En spoedig hoor je meer: „Sowjet-Unie komt Polen te hulp! Rode leger beschermt millioenen Joden en Oekrainers tegen nazi-terreur!” Daar heb je ’t al. Ik behoefde niet tot Maandag te wachten. Als een van de colporteurs, opgewonden door de duidelijke afkeer van het publiek, hysterisch uitroept: Rusland helpt millioenen Joden!, voegt een Ironische stem uit het publiek hieraan toe: „het graf in!” Ik geneer mij ’n beetje om van een der jongens een krant te kopen. Maar m’n nieuwsgierigheid wint ’t van m’n schaamte. Ook een jonge arbeider laat zich „Het Volksdagblad” in de hand duwen. Onder een lantaren, leest hij vliegensvlug de tekst van de rede van Molotow, en hij schreeuwt: „Ploerten! Verraders zijn jullie! Ik was eerst ook communist. Maar ik word misselijk als ik daar aan denk! Jullie hebben de nazi’s altijd geholpen. Eerst in Duitsland. En nu overal!” Hij kalmeert niet. Een mateloze woede klinkt uit zijh woorden. In een oogwenk is hij door een twintig mensen omringd, die hem grotendeels bijvallen. Ook de communistische colporteurs zijn ter plaatse en nóg een paar Stalinisten. „Chamberlain is een verraaier!” en „De democratische landen zijn aliemaal halffascistisch!” brulien zij. Een heftige discussie ontstaat. Dan dringt een oud moedertje door de menigte heen. Zij pakt een van de luidruchtigste „Volksdagblad”-krijsers bij zijn arm. Hij kijkt haar verwonderd aan. Maar zij zegt, eenvoudig en overtuigd: „Jullie kunnen nou zeggen wat je wilt, maar de slag, die Rusland de arbeiders van heel de wereld heeft toegebracht, is verschrikkelijk.” De Stalinist zegt geen woord. En verdwijnt. Ook het moedertje is niet meer te zien. Een van de communisten moet nog enkele oorvijgen incasseren. Dan gaat de menigte uiteen.

Ik spreek voor een AJC-groep over een onderwerp uit de natuurlijke historie. Er is veel aandacht. Na afloop van de causerie heb ik gelegenheid de jongens en meisjes te observeren. Sommigen spreken over de oorlog. De jongsten laat dit thema absoluut koud, ze maken hun gewone grapjes, schijnen onbezorgd. Hoe heel anders reageren daarentegen de 19-, 20-jarigen! Zij zijn gedrukt. Ernstig en met begrip spreken zij over het waarschijniijke resulaat, over de ontzettende gevolgen. Leven de zeventien- en de twintig jarigen in twee verschillende werelden?

Ik ben op visite bij een vrouwelijke arts, een vrouw met veel politieke belangsteliing. Ik' breng het gesprek op de tegenwoordige situatie. Maar zij valt mij bruusk in de rede: „Doe

mij een plezier en zeg geen woord over de oorlog! Kijk, dit interesseert me tegenwoordig en anders niets!” En zij laat mij een medisch vakwerk en het laatste deel van de Vertellingen van Arthur van Schendel zien. „Mijn radio-toestel heb ik ook opgeruimd. Het mooiste concert wordt je vergald, als eer je er erg in hebt het A.N.P. er tussen in komt kwebbelen. Ik verheug me al op de eerste avond van het Concertgebouw.”

Er doen geruchten de ronde, dat Joodse emigranten, voornamelijk artsen en technici, naar Duitsland kunnen terugkeren. „Zie je, zoveel vertrouwen hebben ze in ons”, merkt een Joodse ingenieur, die drie jaar geleden Duitsland moest verlaten, wrang op, „dat ze ons nu een plaats in de oorlogsindustrie willen inruimen. Zijn wij Joden dan ineens niet meer minderwaardig, onbruikbaar, gewetenloos en volksverraderlijk ...? Jarenlang hebben de rassisten de stomste en gemeenste praatjes over ons rondgebazuind en nu hebben die heren eensklaps niet het geringste bezwaar om ons vertrouwensbaantjes te geven. Elke Joodse emigrant, die nu, op grond van de nazi-beloften naar Duitsland teruggaat, is een ploert, die waard was dat hij' door die troep beledigd is!”

H. W.

TALMOED-VERVALSINGEN

Heï proces-Rohling

111.

Het proces-Rohling werd voor het gerechtshof te Wenen behandeld, of liever gezegd tot het eigenlijke proces liet Rohling het niet komen. Rabbijn Bloch en zijn advocaat Joseph Kopp brachten een zeer uitgebreid bewijsmateriaal bijeen, bestaande uit een groot aantal autenthieke talmoedcitaten, aanhalingen uit tal van theologische geschriften alsmede commentaren. De benoeming der deskundigen voor het proces was aanleiding tot een lange strijd. Dr. Bloch had het gerechtshof verzocht de Duitse „Morgenlandische Gesellschaft” (het genootschap van Oriëntalisten) te vragen, enige specialisten uit haar midden aan te wijzen. Het genootschap voldeed aan dit verzoek, doch de specialisten, die het als deskundigen had aangewezen, verklaarden, dat zij op dit moeilijke gebied niet voldoende competent tot oordelen waren. Rohling weigerde Prof. Delitzsch als deskundige te aanvaarden op grond van het feit, dat hij zich reeds vroeger op afkeurende wijze over „Der Talmudjude” had uitgelaten. Van de uitgenodigde Oriëntalisten verklaarde zich slechts Prof. Nöldeke uit Straatsburg bereid de citaten aan een onderzoek te onderwerpen.

Rohling stond er op, dat ook hij een tweetal deskundigen zou mogen aanwijzen. Later bleek, dat hij daarvoor had uitgekozen zijn medeplichtigen bij de vervalsing der citaten, n.l. Briemann, een gedoopten Jood, door Rohling aangeduid als een vormalig Rabbijn en een onbekenden leraar in het Hebreeuws aan de Academie van Münster, een zekeren Dr. Ecker.

Toen men ging onderzoeken wie deze „Rabbijn” Briemann was, kwamen er weinig fraaie bijzonderheden aan het licht. Het bleek n.1., dat de man in het geheel geen Rabbinale graad bezat, doch dat hij om zijn kostje bijeen te scharrelen een Joods theologisch geschrift onder zijn eigen naam had laten herdrukken. Toen zijn plagiaat aan het daglicht kwam, besloot hij zich te laten dopen en werd hij achtereenvolgens Protestant en daarna Katholiek. Hij kwam met de kliek van Rohling in contact en op diens aanraden publiceerde hij onder de naam Dr. Justus een boek, getiteld „Der Judenspiegel”, dat als onder-titel droeg: „Honderd nieuw ontdekte, nog geldende wetten over de verhouding der Joden tot de Christenen, met een zeer interessante inleiling” (1883).

Ten einde de waarde van Briemann als deskundige aan te tonen moge hier vermeld worden, dat Prof. Delitzsch het boek gekenschetst heeft als een aaneenschakeling van doemwaardige leugens. In 1885 werd Briemann tot een langdurige gevangenisstraf veroordeeld en vervolgens uit Oostenrijk verbannen wegens valsheid in geschrifte. Briemann werkte nauw