is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 9, 25-11-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZATERDAG 25 NOVEMBER 1939 – No. 9 38STE JAARGANG VAN DE BLIJDE WERELD

Aan God behoort de aarde en haarvolheid. Psalm24:l

Tijd EN Taak

RELIGIEUS-SOCIALISTISCH WEEKBLAD

ONDER REDACTIE VAN DR. W. BANNING ADRES DER REDACTIE: BENTVELDSWEG 5 – BENTVELD

VERSCHIJNT VIJFTIG MAAL PER JAAR – 38STE JAARGANG VAN DE BLIJ DE WERELD

ABONNEMENT BIJ VOORUITBETALING PER JAAR F 3.40, PER HALFJAAR F 1.75, PER KWARTAAL F 0.90 PLUS 15 CENTS INCASSO – LOSSE NUMMERS 8 CTS POSTGIRO 21876 – GEMEENTEGIRO V 4500 – ADMINISTRATIE GEBOUW N.V. DE ARBEIDERSPERS, HEKELVELD 15, AMSTERDAM-CENTRUM

WAT VIEL, WAT BLIJFT

Bij de herdenking van zijn 20e levenss jaar vroeg de Vrijz. Chr .Tongcrenbond aan mevrouw Henriette Roland Holst een woord van opwekking en bemoedis ging. Wij nemen haar stuk over, om meer dan één reden. Om de inhoud. Om het verheugende feit, dat een oudere generatie zo het diepste levensbezit als een fakkel overdraagt aan een jongere. Oók, omdat wij hopen mogen, dat deze jongeren zullen komen tot het religieuss socialisme, dat zo zuiver in de figuur van H. R. H. brandt. Ziehier dan:

„De redactie van Groei vraagt mij, om een paar woorden van opwekking en bes moediging tot u te richten, bij heid van het vierde lustrum van de V.C.J.B. Dat moest eigenlijk niet nodig zijn. In normale omstandigheden heeft de jeugd geen opwekking en bemoedh ging nodig: integendeel, van haar gaan vreugde, moed en blijde zekerheid uit naar hen, die oud zijn.

Maar helaas. Wij leven allen in zeer abnormale omstandigheden, en het is de jeugd, die daar het meest onder lijdt, de jeugd, die zich eigenlijk al een kwartseeuw lang, telkens geplaatst ziet voor vraagstukken die zij niet kan oplossen, voor moeilijkheden, die zij niet kan overwinnen, voor zorgen die haar schouders nog niet kunnen dragen.

Ik schaam mij bijna, wanneer ik denk hoeveel gemakkelijker wij het hadden in onze jeugd, ik bedoel in de jaren van ons 18de tot 35ste, hoe onbevangen wij ons eigen leven en hèt grote leven ge? noten: schoonheid van natuur en kunst, liefde en vriendschap, met welke heer? lijke spanning en zonder één weifeling, wij ons wierpen in de arbeid.

En niet enkel de welgestelden, de be? voorrechten, genoten onbevangen hun jeugd, ook velen van de niet?bevoor? rechten deden dat. Ik spreek hier niet over de kinderen der „onterfde massa’s”.

de jeugd die veel te vroeg en te hard moest werken, die geen wciteii behoors lijk beschermden en over wie men zich in het algemeen weinig bekommerde. Maar wel spreek ik over die brede mid* denlaag, tot wie ge zelf ook behoort de zonen en dochters van kleine burs gers. Voor het merendeel waren wij nog opgevoed in een stevig godsgeloof, hetzij orthodox of vrijzinnig, en ook in het geloof aan een moraal, die rechtstreeks uit de goddelijke wetten volgde. O zeker, er was in dit alles veel verstards, veel kleinzieligs en vormelijks. Wij zuls len heus die geestelijke sfeer niet terug verlangen. Maar zij vervulde toch jong en oud met de zekerheid, dat het leven geheiligd werd door goddelijke krachten. Men had houvast.

En voor hen, die de traditionele godss dienst verloren, bloeiden nieuwe zekers heden open. De vrije gedachte was zulk een zekerheid, zoals zij verkondigd werd door Multatuli. Met welk een vuur en een geestdrift omhelsde de jeugd het ges loof in de souvereiniteit der menselijke rede. Heerlijk was die overtuiging, dat de mens geboren waarheidszoeker, door de rede tot de waarheid dóórdringen zou.

En dan was er de blijde zekerheid van het socialisme, die ons soeialistisehe in* tellectuelen met de voorhoede der arbeh dersklasse in een grote kameraadschap verenigde. „Het socialisme kome”, zong Gorter extatisch. Zij kwam door ons, socialisten van alle landen, de broeders lijke samenleving van vrijen en gelijken daagde al. Absoluut was ons geloof daaraan, zonder één barst van twijfel.

Al die zekerheden zijn in puin ge? vallen.

Het christelijk Godsgeloof bleek ver? molmd en geen werkende kracht meer in de West? Europese mensheid. De god? delijke wetten van gerechtigheid en

barmhartigheid werden al erger gesehons den, dit liep uit op de catastrofe die wij beleven, op oorlogsdreiging en oorlog al 30 jaar lang, op verwoesting, verruwing, verwildering. Het socialisme als sociaals democratische en syndicalistische arbeis dersbeweging faalde de taak te volbrem gen, die het zich gesteld had. Het geloof aan de rede als een souvereine kracht, bezweek. Twijfel ondergroef de wortels van ons geloof aan den mens, aan onss zelf en anderen.

Ja, wat hebben wij dan toch ontzags gelijk veel verloren, wat staan we arm en naakt in de verschrikkelijke werkelijks heid!

Zonder twijfel. Maar wat we verloren, het was immers geen waarheid, maar voor een groot deel waamwaarheid, die men bezit, levend geloof, men kan het immers niet verliezen. Job verloor het geloof toch ook niet? En de profeten? Denkt ge, dat Gandhi zijn geloof vers liezen kan of Kagawa of Schweitzer? God leeft: de wereld die zijn wetten schendt, valt in scherven. Wij moeten tot Hem doordringen. Wij moeten ons thans voor afstraling van de eeuwige Liefde openzetten. Als wij dit doen, zal Hij ons de weg wijzen en helpen de stenen aandragen voor een nieuw maat? schappelijk en geestelijk bouwwerk, voor waaraehtige kameraadschap tussen de mensen, voor een beter gebruik van onze rede en van de techniek, die heden in de eerste plaats al doeltreffender mid? delen vindt, om elkaar te vermoorden.

Het is wel ontzaglijk zwaar, maar toch ook heerlijk, te beseffen, dat de jeugd? van?nu voor een zó grootse taak staat als in geen eeuwen het geval was mits zij niet uitwijkt, maar in moed en deemoed de weg volgt, die God haar aanwijst.

Moogt ook gij daartoe de kracht vinden!”