is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 9, 25-11-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen tijd voor hebben... of omdat ze het eenvoudig vergeten. Betreft het nu een detectiveromannetje, dan zal men over dit bezwaar al spoedig heen komen. Maar als het een werk van waarde is, waarin elk hoofdstuk, elke zin, zijn eigen betekenis heeft en onontbeerlijk is, dan is je hele plezier in het werk je vergald, als je het niet van begin tot eind kunt volgen.

Toch is de grote massa der krantenlezers zozeer aan die vaak beneden elk peil staande feuilleton-romans gewend geraakt, dat geen krant het kan wagen zonder zulk een verhaal in brokstukken voor de dag te komen.

Nu zijn ook in de omroep dergelijk soort romans en detective-histories, opgediend als hoorspelen met vervolg, grote mode geworden. De moderne Don Cesar de Bazans, worden ons in de gedaante van de heren Charlie Chan en Vlijmscherp gratis en franco thuis bezorgd. Het wemelt in de omroep van „Dodenhuizen” en Nummers 13. Er is wel geen station, dat hieraan niet meedoet. (Uitgezonderd dan de N.C.R.V., voor wie het hoorspel als zodanig ten enen male niet bestaat.) Zulke detective- en andere griezelspelletjes worden de mensen in regelmatige, kleine doses toegediend. Wordt de zaak ~spannend”, dan hoor je een of andere zucht, een hartvermurwende kreet, een dof gerommel of een stuk ~begeleidende muziek” ... en dan deelt de omroeper mee, dat de volgende week de zoveelste voortzetting zal plaats vinden. Gong! Norm van de wekelijkse dosis griezel-injectie is circa 15 minuten. Als je geen tijd of zin hebt om alle twaalf of vierentwintig vervolgstukken te horen, welnu, je hebt niets verzuimd als je er één overslaat. Want de volgende week brengt de omroeper je nauwkeurig op de hoogte van de stand der gebeurtenissen, avonturen of gruwelen. Dan stap je weer in de spooktrein, reist een traject mee, finl! Heb je van het dozijn vervolgstukken) vier gevolgd het laatste deel vooral niet vergeten! dan weet je genoeg.

Een heel ander geval wordt het echter, als een werk uit de wereldliteratuur tot hoorspel wordt bewerkt en gedurende een aantal maanden wekelijks wordt uitgezonden. Nemen we als voorbeeld Victor Hugo’s ~De ellendigen”. Ik heb het vaste voornemen elke Woensdagavond naar de voortzetting te luisteren. Een kwartjaar lang. Het eerste gedeelte bewerking en vertolking heeft mij bevallen. Ik wil geen van de andere fragmenten missen. Maar... het pakt heel anders uit. Ik kan amper de helft aanhoren.

Ik weet, dat. een hoorspelbewerking, die het waardevolle en karakteristieke van een oorspronkelijk romanwerk tot zijn recht wil laten komen, dit vooral kan bereiken door zijn bijzonder dramatische, tragische of komische fragmenten als bouwstof aan te wenden. Zulk een hoorspel wil ik dan echter ook van A tot Z horen. Bij ~De ellendigen” (V.A.R.A.) of bij het mindere „Graaf van Monte Christo” (A.V.R.0.) beide werden door Patrick Riddell voor de omroep bewerkt kan ik dit echter niet. En als ik bij dergelijke stukken niet elke voortzetting kan aanhoren, dan mis ik in tegenstelling tot de detective- en griezelhistories wel veel.

Maar. zal men mij toevoegen, eem roman als ~De ellendigen” kan nu eenmaal niet tot een hoorspel worden bewerkt, dat op één avond volledig kan worden uitgezonden. Zelfs de film kon de stof van dit boek niet in één enkel werk samenpersen. Dat is juist. Maar dit inzicht zou tot de gevolgtrekking dienen te voeren, dat dergelijke romans in het geheel niet tot hoorspelen moesten worden bewerkt.

Het goede hoorspel evenals het goede boek of toneelstuk schept een eigen sfeer, die ons in zich opneemt. De handeling „pakt” ons, zeggen wij. Gedurende het uur, dat wij naar een goed hoorspel luisteren, leven wij in de wereld, waarin dit werk ons heeft verplaatst. Ook een hoorspel, dat, laten we zeggen, in twee gedeelten van elk eeru uur en op twee avonden wordt uitgevoerd, kan die sfeer om. ons scheppen. Al duurt het altiid wel een poosje voor we ons hebben „ingeleefd” en „erin” komen.

Een radio-snel, uitgezonden in twaalf brokken van elk 30 minuten, kan dit wonder niet tot stand brengen. Het verwart den luisteraar en brengt hem op een dwaalspoor, doet afbreuk aan het hoorspel en daardoor tekens nan de oorspronkelijke roman. AUDITOR.

Edgar Allan Poe

Ziet: dat was Edgar Allan Poe. Een wanhopige. Eén uit de dronken bent van een Villon, een Verfaine, een Rimbaud, een Jacobsen, een Klabund en een Roth. Vrijdenkers en Godzoekers.

Zowel het zinnelijk waarneembare als het bovenzinnelijke wilde hij doorgronden. Hij moest, hij wilde de laatste zin der dingen en verschijnselen kennen. Dit was een wet van zijn natuur. Hij genoot van het staren in afgronden. Niets mocht hem ontgaan. Zijn spiedende blik doorvorste dood, nacht en de huiveringwekkende ruimte van het schijnbare niets.

Edgar Allan Poe. Hoe zakelijk was hij. En welk een fantast. Hoe teder was hij, hoe innig hield hij van zijn doodzieke Virginia! En hoe ruw kon hij zijn, hoe afstotend.

Negentig jaar geleden is hij gestorven. De eerste Amerikaanse schrijver, die heel de wereld over beroemd werd. Is het mogelijk, vroegen de lezers van zijn romans en novellen zijn prachtige tedere verzen vonden, begrijpelijkerwijze, slechts weinig lezers is het mogelijk dat een Amerikaan dit geschreven heeft? Zouden zij daarginds zo romantisch zijn? Zo metaphysisch?

Voor alles was hij dichter, Edgar Poe. Zijn grootvader, de lerse generaal, was een fantast, die, als tal van anderen, in de nieuwe wereld een nieuw leven wilde gaan opbouwen. En de ouders van den dichter waren kleine toneelspelers, die al spoedig deze aarde verlieten. Door zijn voogd Allan werd Edgar, die in 1809 in Boston geboren werd, opgevoed. Allan was een rijke, zelfvoldane burgerman, die zijn pleegzoon niet kon begrijpen. Deze intussen studeert, wil, zoals Byron, deelnemen aan de vrijheidsstrijd van de Grieken, schrijft gedichten stel je voor, iemand, die al 21 jaar oud is, geeft zich af met gedichtenschrijven, wat een gek! Hij drinkt, speelt, maakt schulden. Zijn oom wijst den deugniet de deur. Wie ziet hem niet voor zich staan, den breedspraklgen vertegenwoordiger van het gezond verstand, die den brutalen studiosus, zoon van een stelletje comedianten, zelfvoldaan de Levieten leest. Wij zien hem voor ons als hij hem vol morele verontwaardiging zijn zedeloos gedrag voor de voeten werpt. Breeduit en zwaarwichtig houdt hij den ondankbaren pleegzoon voor, dat hij een verlopen sujet is. Een stommeling, die het nooit tot iets zal brengen. ~Ja-ja”, zal hij hebben uitgeroepen, „de appel valt niet ver van de stam!” Waarna hij in zelfbeklag vaststelds: „Dat is jouw dank!”

Eenzaam en alleen bleef Edgar A. Poe. Hij schreef zijn pleegvader buiten dienst nog enkele brieven uit Richmond. „Waarde Heer”, schreef hij, ~wilt u zo goed zijn mijn koffer met kleren en boeken naar hier te sturen, naar het logement „In ’t oude Raedthuis.” Ik schreef u reeds gisteren. Daar ik echter noch mijn koffer noch enig antwoord mocht ontvangen, neem ik aan, dat mijn brief u niet onder ogen is gekomen. Mijn kamer moest ik opzeggen, omdat ik niet in staat was mijn hospita de huur te betalen. Ik ben er zeer slecht aan toe en heb sinds gisteren nog niets gegeten. Een slaapplaats heb ik evenmin. Daarom zwerf ik maar wat door de straten rond. Ik ben zo goed als uitgeput ”

Meneer Allan reageerde niet op die bedelbrieven. Hij die ze schreef, had reeds de helft van zijn levensweg afgelegd. Naturen als Poe worden niet oud. Kommer en' ellende zijn hun trouwe metgezellen. Zij zijn bezeten door scheppingsdrift. Dag en nacht. Zij scheppen om zich te bevrijden van wat hen drukt. Wat ze zeggen, moet worden uitgesproken. En diep in hen sluimert altijd het voorgevoel, dat zij slechts weinig tijd zullen hebben

Poe moest zijn studie afbreken. Hij werd soldaat. Matroos. ~Onafhankelijk schrijver.” Hij vindt een pest als redacteur. Zeven en twintig jaar is hij, als hij in Baltimore zijn nichtje Virginia leert kennen. Een kind van veertien. Haar gezichtje is van een transparante bleekheid. Gitzwart haar omkranst het kopje. In de donker-gloeiende ogen schittert de felle glans van de tering. Een doodziek kind. „Het leek mij”, schreef een

bezoeker, ~of ze al een geest was en of ze razend snel wegteerde.”

Het woord „onmogelijk” bestaat niet voor Poe. Virginia werd zijn vrouw. Bleef het elf jaren lang. Toen de dood haar eindelijk tot zich nam, was ook zijn laatste kracht opgeteerd. Zijn leven was een marteling geweest. Een marteling, die hij het hevigst voelde gedurende de laatste twee jaren van zijn leven, toen er geen Virginia meer was. Niet was? Neen, ook dat is niet juist. Virginia stierf en bleef toch voortleven. Als Morella. Als Ligeia. Als al die vrouwengestalten, die tot de onvergetelijkste figuren van zijn, vertellingen behoren.

Poe wilde de laatste zin der dingen doorgronden. Elf lange jaren had hij achter de vrouw, die hij lief had, de dood zien staan. Uit dit kind Vorginla stroomden hem, die het mystieke gezocht had, stromen van mystiek tegemoet.

Hij had onenigheden met redacteuren en uitgevers, die veel geld aan hem verdienden. Hij sloot vriendschap met landlopers. En hij schreef. En wat hij schreef, was doordrenkt van diepe weemoed. Hij zocht geen „steun.” Bij niets of niemand. Hij scheurt zich los uit de alledaagsheid. Hij fantaseert. Geestverschijningen en misdadigers, natuurcatastrofen en schrikkelijke geheimenissen wemelen door zijn prozastukken, ware meesterwerken van vertelkunst. Wij noemen hier enkele —■ een deel van zijn werken is hier te lande bij de „Wereldbibliotheek” verschenen: „The teil tale heart”, ~The murders in the rue Morgue”, A descent into the maelstroem”, „King Pest”. William Wilson”, „The mysterie of Marie Roget.”

Poe bemint de wereld en veracht de mensen. Hij kan cynisch zijn. En hij is dit bijvoorbeeld als hij het over zijn eigen werk heeft. Hij meent, dat een schrijver alleen maar scherpzinnig moet zijn, moet kunnen rekenen en combineren. Maar Poe kon uitbeelden, kon het onwezenlijke tot werkelijkheid maken. Hij bezong het verloren paradijs. Nog hebben zijn verlangens, zijn dromen niets van hun kracht verloren. Zij sleuren ons mee. Er zijn slechts enkelen in de wereldliteratuur, die wij zo gewillig volgen over de grenzen van het zichtbare heen naar streken waar het geheimzinnig is en stil en waar de eeuwige raadselen ons aanstaren.

Hij hield van duister en schemering. Hield van de keertijd tussen begin en einde. Van schemer en nevels; van de herfst. Telkens weer lezen wij in zijn novellen en verzen over de herfst. En vooral over October. Het Is op een Octoberdag, dat Lady Ligeia, de verloren geliefde, tot nieuw leven ontwaakt. Op een Octoberdag ~dat is de dag der dagen. Een schone dag voor de zonen der aarde en des levens, doch nog schoner voor de dochteren des hemels en des doods!” sterft Morella, de moeder. Een nacht in October is het, als hij wonderbaarlijk vertelt hij het in het gedicht „Ulalume” die God zoekt, alleen met Psyche door duistere cypressenlanen doolt, eensklaps voor een mystieke grot blijft staan en vraagt: ~Wat is het dat deze stomme, gesloten mond van steen zegt?” Dan antwoordt zij: ~Ulalume hier rust Ulalume’s gebeente, het gebeente van jouw Ulalume. Dan wordt zijn hart zwaar en onmachtig, en dor als de verwaaiende bladeren. Machtig stapelden de wolken zich, de bladeren waren verdord. Het was October en nachtdonker in dit onzalige oord.”

Op de 4e October 1849, het was in Baltimore, geraakte Poe in het gezelschap van een stel oude drinkebroers. Had hij na de dood van Virginia niet zijn woord gegeven, dat hij voortaan matig zou leven? Dacht hij nog aan die gelofte? Werd hij door zijn verwoeste natuur meegesleurd? Of door de wannoop? Dronk hij twee dagen en twee nachten achtereen door, omdat hij het leven zo haatte? Machtig stapelden de wolken zich

De zevende October werd een onbekend man bewusteloos in een der straten van Baltimore gevonden. Hij werd naar het ziekenhuis gebracht, waar hij aan alcoholvergiftiging overleed. Niemand kende zijn naam.

Het was Edgar Allan Poe. De schilder van duistere en vreemde regionen, die zelf nooit de klare blik van den kunstenaar verloor.

H. WIELEK.