is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 10, 02-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de „Kerstnacht van Aart van Dobbenburgh

Wij geven hierbij een reproductie van een Kerstplaat, die Aart van Dobbenburgh vervaardigde hl' opdracht van „De Werf” (een lichaam uit de Vrijz. Prot. wereld, dat allerlei uitgaven op religieus terrein stimuleert). Laat ons eerst de zakelijk belangrijke gegevens meedelen: een reproductie in het hier gereproduceerde formaat kan men verkrijgen a 25 ct. per stuk bij de Uitgeverij „De Moderne Boekhandel” Leidsestr. 74, Amsterdam; deze uitgave is vooral bedoeld voor verspreiding op grote schaal (Zondagscholen, enz.).

in beperkte oplaag verschijnt een reproductie op nóg beter papier, in envelop verpakt a 75 ct„ bedoeld om als stille Kerstgroet te worden gezonden aan vrienden en verwanten; adres als boven.

van de oorspronkelijke litho zijn een aantal exemplaren te krijgen a ƒ25.— bij „De Werf”. Nieuwegracht 27, Utrecht.

Ik weet mij op het terrein der beeldende kunst volstrekt onbevoegd, en kijk maar als een heel gewoon mens naar deze plaat: het Middeleeuws poortje, nog verstild door de sneeuw, en daarchter verscholen de simpele mensen aan wie het eeuwige Kerstgebeuren zich af speelt. Niet zij, de figuren, zijn belangrijk; zij hebben dus geen markante koppen, zijn geen scherp omlijnde persoonlijkheden; zij zijn slechts instrumenten, transparanten, door wie het eeuwige licht heenstraalt. Natuurlijk: het gebeurt in een afgelegen hoekje, dat de

wereld niet telt, waar het drukke, jachtende leven verstilt zodat je de adem inhoudt...

Even vraag ik mij af: mag dat zo? Is onze wereld niet te hard en gruwelijk, ons leven niet te zeer besmeurd met bloed, verscheurd door haat? Dreigt niet het gevaar, dat wij vluchten uit de rauwe werkelijkheid, en dat wij Kerstmis gaan zien als een romantisch sprookje? Zou het Kerstgebeuren niet gesteld moeten worden midden in de realiteit van Maginot- en Siegfriedlinie, van torpedo’s en magnetische mijnen, van oorlogsindustrie en werkloosheid? Maar ik weet: in het oude Evangelieverhaal wordt het Christuskind geboren in de stilte van Bethlehem, en niet in het felle hartstocht-bezoedelde Jeruzalem. In Jeruzalem is geen plaats voor de Kribbe: daar past alleen het Kruis.

Neen, „monumentaal” is deze ~Kerstnacht” niet.

Kan een verbeelding van de Geboorte het ooit zijn? Het goddelijk leven komt in de tijd onaanzienlijk, onopgemerkt, als een hulpeloos kind, daar waar de armoede huist. Daar is niets monumentaals aan het is zó simpel, dat een kunstenaar wel naar het primitieve grijpen moet. Er komt bij, dat onze tijd misschien van neergang, zeker van overgang te diep onrustig zonder innerlijk houvast, zonder stralende zekerheid is, om tot sterke monumentale verbeelding te kunnen komen.

Wij zullen eerst weer stil moeten worden en deemoedig...

De stille zuivere eenvoudigheid van dit toneeltje doet het mij opnieuw beseffen: éérst moeten wij weer leren knielen voor het wonder der Godsliefde, dat wij maar voortgaan smadelijk te schenden... knielen, met de bede: Verlos ons van den Boze. Hoe kan bil deze zuiverheid, het Boze bestaan? W. B.

I BOEKBESPREKING

I Alice Tisdale Hobart: „Woelige i Wateren". Uitg. Servire, Den ü Haag. 360 blz. Prijs geb. ƒ3.90.

Alice T. Hobart heeft, zo lezen wij in een korte mededeling, in een viertal romans, die ieder geheel op zichzelf staan, de botsing en het contact willen schilderen tussen Oost en West in China. Van dit kwartet voimt „Olie voor China’s lampen” het ongetwijfeld meest bekende tweede deel. Van het derde deel, „Yang en Yin”, zullen de lezers zich de bespreking in dit blad nog wel herinneren. „Woelige Wateren” is het eerste deel, al verschijnt het in ons land het laatst.

Toen dit eerste deel uitkwam, stond China nog in het centrum van de belangstelling. Sinsdien is er dichter bij huis zoveel afschuwelijks gebeurd, dat onze volle aandacht in beslag neemt, dat de belangstelling voor China wat op de achtergrond ge drongen is. Toch kan dit niet een voldoende motivering zijn voor het feit, dat men dit boek teleurgesteld weglegt. Men zou haast gaan veronderstellen, dat de uitgevers gedacht hebben: die andere twee waren best-sellers, laten we nu de uitgave van dit eerste, minder geslaagde deel er maar op wagen. Wij kunnen de stijl werkelijk niet „indringend en suggestief” vinden of de inhoud „boeiend”, zoals het korte voorwoord vermeldt. Misschien komt dit laatste ook wel, doordat de taaie strijd tussen Oost en West zich hier afspeelt tussen de Chinese jonken en sampans en de eerste stoomboten op de Rivier der Rivieren, de Yangtse. Dit beperkte terrein is niet voor ieder even belangwekkend. Maar hoe dit ook zij, het boek bereikt nergens de diepte en het beeldend vermogen van b.v. Yang en Yin, al is het bezien uit het oogpunt van de geschiedenis der blanke pioniers in China dan misschien wel belangrijk. L. W.—S.

B. von Brentano. Die ewigen Gejühle. (Uitgeverijen Querido en A. de Lange, Amsterdam).

Aanvankelijk weet je met deze roman van den begaafden verteller Brentano geen raad. Je leest enkele hoofdstukken een tweede, een derde keer, noteert sommige bijzonder geestrijke citaten, stoot je aan uitdrukkingen, die ietwat overspannen en smakeloos lijken. En je vraagt je af, wat zegt zulk een boek mij vandaag de dag? En je zet het weer in de boekenkast.

En toch... Je blijft denken aan deze liefdesgeschiedenis, aan die roman, die zich afspeelt tussen een grootsteeds advocaat die vrouw en kind heeft en de jonge Sabine met man en twee kinderen. Eens, hoe lang geleden, hadden die twee elkaar gekend. Och, ’t was de gewone oppervlakkige kennismaking. Of, misschien niet...? Maak als ze elkaar nu weer ontmoeten, breken ze zich baan, de eeuwige gevoelens. En die twee mensen, vluchtend uit de verveling van hun dagelijks leven, zoeken en vinden in elkander het geluk. Nu zijn zij niet langer eenzaam. Hun leven is niet leeg meer. Maar dan maken zij het uit. En elk van hen keert terug naar het oude leven van grijze eentonigheid. Waarom?

Mis ik het happy end? Nee, ik verlang er zelfs niet naar. Maar toch is er iets in me, dat zich verzet tegen dit slot. Ik kan het niet accepteren. Waarom, vraag ik herhaaldelijk, blijven zij niet voortgaan op de gelukbrengende weg van de eeuwige gevoelens?

Maar dan zie ik onze tijd voor me. Zie de mensen! Zij zijn verward, berekenen en overwegen en overwegen en berekenen en verbreken. En verbreken... Wij leven helaas in zulk een grote tijd, dat de grote gevoelens geen plaats meer kunnen vinden. De éne is slap en de andere bruut. Een ander merkt eerst hoeveel zijn vriendin van hem houdt... als hij haar haast een oog heeft uitgeslagen.

Dies kom ik tot de slotsom: dit verstandige, ernstige, uitmiddelpuntige boek van Brentano is in werkelijkheid niet zo „ernstig” en zo „uitmiddelpuntig” als bij de eerste indruk schijnt. In feite is het een satire op onze grote tijd met haar kleine mensjes. En de ironie begint al bij de titel. Wat kan tenslotte de auteur er aan doen, niet> waar, dat de eeuwige gevoelens te machtig blijken voor de tegenwoordige mens? Dat hij ze niet aan kan? Men klage den schrijver niet aan, waar men zichzelf zou dienen aan te klagen... H. W.