is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 11, 09-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wrakhout in soorten Nieuwe Nederlandse romans

K. van der Geest, die na „Eiland In de Branding” en „Thuisreis” met zijn roman „Wrakhout”') komt. Is zo lemand, die je een geboren schrijver noemt. Hij pakt een onderwerp bij de kop waar hij goed van op de hoogte Is, het zeemansleven of het trieste bestaan van het eilandersvolk thuis, en gaat aan ’t vertellen. Misschien Is het onderwerp niet zo heel belangrijk of niet erg naar je smaak, of rijkelijk somber of wel wat onwaarschijnlijk, maar de man praat, hij spint zijn verhaal over een stuk menselijk wrakhout, dat daar op een van de waddeneilanden Is aangespoeld, en je luistert. Eenvoudig omdat hij vertellen kan.

Jan van Rheenen, de auteur van „De Glljbaan”o, kan In zekere zin ook „vertellen”; d.w.z. hij doet een verhaal, dat behoorlijk In elkaar zit en er helemaal niet zo onaannemelijk ultzlet, over een ander soort wrakhout, de werkloze van betere komaf. Maar helaas Is hij, althans naar dit boek te oordelen, helemaal geen „schrijver.” Mijn hemel, de crisis, de werkloosheid, de jeugd zonder toekomst, het verloren vertrouwen en het verspeelde fatsoen, de héle nood-van-deze-tljd binnen één roodpaars kaftje besloten! Dat had het boek van een generatie, van een civilisatie kunnen worden! Maar de auteur Is geen schrijver en de kans Is gemist.

Is Willem van lependaal een schrijver? Nee, veeleer een prater, een vent die z’n mondwerk bijna-zlekelijk geen , ogenblik stil staat. Aan de ene kant Is dat een aanbeveling: de mededeelzaamheid is echt, de man kan ’t niet laten. Maar zukke blaren an je oren, dat moet je toch aan de andere kant óók niet ultvlakke; azzle ’t mijn vraagt. Ik blijf liever gezond. Ik wil dan zó wel geloven, dat slopplesvolk”) vaak heus de kwaadsten niet zijn, dat geld nog niet gelukkig maakt, en dat je maar het beste In ’t fesoenlijke je brood verdienen kan. En dat niet zelden de blankste pit omsloten wordt door een bolster zó ruw, dat een dragonder ervan blozen zou.

Ach, wat zou het prettig wezen, eens werkelijk eenvoudige boeken te kunnen aankondigen, zuiver, helder en onsentimenteel, niet die opgeschroefde eenvoud en drukke kinderachtigheid van Van lependaal. Wat zou het mooi wezen, als lemand over de hunkering, de bitterheid en de botheid van die generatie tussen-tweeoorlogen eens een werkelijk goed boek schrijven kon. De stof Is er zeker, maar de gaven zijn er blijkbaar niet. En dan is het relaas

van één enkele jongeman, die met zijn eigen hart niet op streek kan komen, mij toch altijd meer waard.

Ik was voor Het roekelooze Hart van B. Roest Crolllus (ultg. Van DLshoeck, Bussum 1939) waarlijk niet vooringenomen. Zijn roman „Onheil In de verte” vond Ik niet zonder talent, maar onrijp en eigenwijs, en dan bleek de man nog drie andere (oudere?) boeken geschreven te hebben waar Ik zelfs nooit van gehoord had. Ik verwenste zijn roekeloosheid hartelijk!

Ook dit Is een wrakhout-geschledenls, maar een waaraan de wereld en de maatschappelijke omstandigheden generlei schuld hebben. Een jongeman houdt van een meisje, houdt heel veel van een meisje, en voelt tot zijn onuitsprekelijk verdriet langzaam zijn liefde verkwijnen; niet omdat het meisje niet langer lief is of omdat er iets tussen hen Is gebeurd, maar eenvoudig door een wijziging In zijn gevoelens, die hijzelf noch een ander beheersen kan. Het meisje blijft lief en toegewijd, maar kan zich op den duur niet verhelen, dat zijn hart haar losgelaten heeft. Dan komt het ogenblik, dat zij hem innerlijk ook loslaat, en wat zij verder ook nog pogen te herstellen, de breuk is onherstelbaar en zij zijn voor elkaar niet meer te bereiken. Bij een ander meisje, waar hij even op verliefd raakt, kan Jan „het” ook niet vinden, en tenslotte trouwt hij om de bittere eenzaamheid te ontlopen met een derde, waar hij niets om geeft. Daarmee Is dan zijn leven definitief op het verkeerde spoor hij heeft het eenvoudig opgegeven.

Niets dan een spel van stemmingen en gevoelens, geen gebeurtenissen van belang, geen reële zorgen of moeilijkheden. Maar wanneer het waar Is, dat mensen aan zulke stemmingen weerloos uitgeleverd kunnen zijn, weerlozer dan aan ziekte of armoede of ulterlijk geweld, dan zullen dergelijke dingen altijd van belang blijven en dergelijke boeken altijd waard om te worden geschreven.

De vraag is nu maar óf het waar is. Nuchterllngen zullen gauw met het antwoord klaar zijn en het alles met elkaar gezemel noemen; maar nuchterllngen zijn niet zozeer degenen, die de diepten van het leven peilen. Menig lezer zal die Jan een vervelende knul vinden, een egoïst en een luilak; het Is tot hun dienst, en Ik meen zelfs dat de schrijver een fout heeft begaan door een In veel opzichten onsympathieke hoofdpersoon zo kritiekloos de sympathieke rol te laten spelen maar het vraagstuk Is daarmee niet opgelost. Mij komt het voor, dat de schrijver In hoofdzaak het gelijk aan zijn zijde heeft; zulke dingen kómen voor en zijn van belang; het Is een grote vergissing dat alleen ter zake

zou doen wat je kan tellen en meten en wegen. Maar het Is of hij dit alles geschreven heeft, niet uit de ervaring van een gerijpt mens, maar uit de Intuïtie van een nauwelijks volwassene, voor wie het allemaal nog vermoeden Is, droom en angst en zelfvertederlng en ook een beetje gewichtigheid. Al lezende krijgt men telkens de Indruk, door de kwaliteiten zowel als door de fouten van het boek, dat men met een zeer begaafde achttienjarige te doen heeft; de geestelijke houding van een man die zijn vijfde roman schrijft, stelt men zich ónders voor.

Ik zou hier graag eens het oordeel over horen van iemand die zelf nog heel jong was. Misschien dat die het boven alle beschrijving prachtig zou vinden, maar mogelijk toch ook, dat een gezond Instinct juist aan zo’n verwante ziel de valsheden en gewrongenheden zou openbaren die hier zeker aanwezig zijn. En een gerijpt en levenswijs ouder mens. lemand die werkelijk het leven kent. Ik vermoed dat die zou zeggen, wat ik niet helemaal zeggen durf: „Ach jongeman, het Is allemaal wel zo, tenminste bijna zo, maar In het licht van de ervaring Is het toch allemaal zo anders; wacht maar eens tot je gelééfd hebt.” M. H. VAN DER ZEIJDE.

') K. V. d. Geest, Wrakhout. Uitg. H. P. Leopold, Den Haag, 1939.

-) Jan van Rheenen, De glijbaan. Uitg. H. P. Leopold, Den Haag, 1939.

’) Willem van lependaal’s nieuwste roman: De dans om de rinkelbom. Uitg. Arbo, 1939, is een weerlichs jofele achterbuurtgeschiedenis; mijn taal raakt er wat van onder de invloed, maar dat legt niet an mijn, al zeg ik het zellef.

■De roepstem-

Hij sloot de ogen en vreesde de blinden bijna, die in eenzaamheid hun leven vervullen. Toeh wilde hij zieh in stilte hullen om de grond van zijn bestaan te vinden.

Hem lokte de naakte barre woestijn. Hieraan zouden zijn verwarde begeerten sterven. Hij wilde het heilige weten verwerven, opdat hij God geen aanstoot meer zou zijn.

Hij wist met angstwekkende duidelijkheid, dat zijn leven sleehts een muntstuk was, hetwelk als een losgeld is bedoeld.

Hij had het reeds jarenlang voorvoeld en heeft eindelijk aan de roepstem toegegeven om te klimmen naar pure waaraehtigheid. A. STEENHUIZEN.

BOEKBESPREKING

Moeilijkheden bij de opvoeding onzer kinderen, door dr. Joh. van der Spek, 2e druk. Uitgave A. Voorhoeve, R’dam. 100 blz. Prijs ing. ƒ0.70, geb. ƒ1.25. Getallenprijs ƒ0.45 per 20 ex. ingen.

In dit boekje zijn de artikelen gebundeld, welke van de hand van dr. Joh. v. d. Spek, geneesheerdirecteur van de psychiatrische inrichting „Maasoord", in „Ons Groene Kruis”, het Rijdschrift van de Zuid-Hollandse vereniging van die naam, verschenen zijn.

Wat de inhoud en de geest, waaruit het geschreven is, betreft, kan dit boekje hartelijk in de aandacht van alle opvoeders worden aanbevolen. Maar de vorm, waarin de waardevolle inhoud is gegoten, komt me wel heel ongelukkig voor.

In de eerste plaats is het een wat rommelig geheel geworden, zonder andere indeling dan gestrooide sterretjes, streepjes en zeven Romeinse cijfers, zonder inhoudsopgave, gevolg van het zonder meer overdrukken van tijdschriftartikeltjes. De rommelige indruk wordt nog versterkt doordat de schrijver telkens in herhalingen vervalt, wat niet hindert bij artikelen, waartussen enige tijd verloopt, maar uitermate hinderlijk is in een boekje. Hetzelfde geldt voor de wat breedvoerige, genoegelijke babbeltjes tussen de wetenswaardigheden door: voor tijdschriftartikelen heel geschikt, maar voor een inlichtend boekje hinderlijk.

Het tweeslachtige van het boekje komt ook uit. in de populaire inkleding, terwijl de wetenschapsman toch niet nalaten kon, de wetenschappelijketermen en woorden te noemen. Wel worden zoveel mogelijk vreemde woorden en uitdrukkingen vertaald, maar ’t zal voor een leek desondanks niet meevallen ik sla ’t boekje op goed geluk open b.v. blz. 41 te begrijpen. De schrijver verstaat de kunst, moeilijke begrippen, wetenschappelijke indelingen. enz. duidelijk te omschrijven. Zou het dan niet beter zijn, alie vreemde woorden weg te laten? De vakman constateert voor zichzelf wel,, welke vaktermen met de omschrijvingen zijn aangegeven en voor niet-vakmensen wordt het boekje veel beter leesbaar.

Waarom ik m’n bezwaren wat breed uitgemeten heb? Juist, omdat ik de inhoud van het boekje zo bijzonder waardeer. Als er een derde druk nodig is, zou de schrijver het dan niet eens geheel kunnen omwerken of laten omwerken? Ik denk, dat zeer veel ouders hem daar dankbaar voor zouden ziijn. H. B.—S.

Anke Servaes, Wie volgt. Hollandia. Baarn 1939. Een serie kinderrechter-geschiedenissen, geen roman, al wordt het als zodanig aangekondigd. Wat te prijzen valt: hart, begrip voor kinderen en hun noden, een zekere schrijfvaardigheid. Wat wij missen: een voldoende sociale oriëntering. Wat ik persoonlijk erg mis: een beetje humor! M H. V. d. Z.