is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 12, 16-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een meisjesportret door Jan Sluyters

p een tentoonstelling in de kunsthandel Liernur in Den Haag, waar goede Nederlandse en Franse schilderkunst te zien was. viel mij op het hierbij gereproduceerde meisjesportret door Jan Sluyters.

Wij kennen Sluyters als een der meest vitale schilders van Nederland, een man die zich onomwonden in zijn werk geeft met zijn sterke en zijn zwakke kanten. Een demonisch bezetene in een portret als dat van Jan Musch, in kinderportretten geboeid door de frisheid van het kind, waarin de volwassene verborgen leeft, een kleur bloeiend of hard als van fruit. Een accent van het burgerlijk ordinair-flodderige kan zich in zijn werk openbaren naast een overmatige gevoelsontiading van onzuiver pathos als in zijn bewening van Christus, en dan opeens is er het portret van zijn moeder'in een prachtige zware, diepe kleur, en zijn er de naakten van vroeger in een verfijnd ietwat decadend coloriet. In Sluyters spreekt een zeker aspect van onze tijd zich uit: een grillig, wispelturig zich overgeven, een sterk en zwak zijn naast elkaar.

In de vier werken bij Liernur te zien leek mij' een versobering in de gang van het werk opvallend te zijn. De verf is zeer eenvoudig en direct, transparant opgezet in het klein bloemboeket in utramarijn blauw glas, enkele fel bloeiende kleuren tegen een wit fond. De orchideeën waren daarnaast, ornamentaal gezien, een lijnwerveling van kleur. Het zeegezicht is van een bleek-koude heldere stemming, in het strand de kleur wat vlak. Het meisjesportret kenmerkt zich op dezelfde wijze door een sober gamma. Sluyers heeft dit type

dikwijls geschilderd, het bedorven kind van de grote stad, de popachtige ogen onder de donkere wimpers doelloos starend, de lippen canaille-rood, een stuk vlees dat is opgemaakt, een lichaam waarin de ziel verloren is geraakt. Een sujet den modernen schilder bekend! En velen hebben haar zo gemaakt uit een zeker pleizier in het brute, ordinaire; van zo’n geval is een markant ding te maken en zij vielen er op aan als op een prooi van kleur. In dit portret van Sluyters valt het accent niet allereerst op de schrilheid der disharmonie. Het gamma is eenvoudig: grijzen en zwarten, en het rood van de geverfde lippen verzinkt er dof in plaats van scherp en onnatuurlijk er uit te springen. Sluyters zal een portret als dit spontaan zonder veel overwegingen hebben geschilderd, maar op de achtergrond van zijn visie is een genegenheid, die in een brute aanval op het sujet niet aanwezig kan zijn. Achter dit masker met de donkergerande ogen, waaruit de blik onaandoenlijk wil wezen, leeft de ziel van het kind, de mond die gretig verlokkend moet zijn verbergt een expressie van argeloosheid, die tevergeefs door wil breken. Een argeloze leegheid, die naar buiten wil, beweegt zich achter het doelloos divergerend kijken der ogen. Het is de tegenstelling tussen het onbekend moeten blijven en het tóch doorschijnen der ziel in dit tengere weerloze lichaam, die het schilderij zo boeiend en wisseiend van expressie doet zijn. Een goed portret is niet begrensd in één uitdrukking: het onbeschrijfelijk wezen van de mens ligt er in verzameld. Sluyters’ portret toont het verdiepen en stiller worden van zijn visie.

Toen ik van deze tentoonstelling thuis kwam en gedurende de dagen daarna bleef een ander portret bij Liernur te zien mij bij, n.l. dat welk Alfred Löb schilderde van zijn vrouw. Wellicht kan ik in een volgend artikel de aandacht van den lezer bij dit tweede portret bepalen. H. A. GERRETSEN.

Socialisme en Christendom in België

Het November-nummer van „Leiding”, het Vlaams wetenschappelijk orgaan der Belgische S.D.A.P. bevat een belangrijk artikel van Edgar Delve „Over Socialistische Idee en Socialistische Partij”, waarin hij scherp tegenover elkaar stelt Marxistisch Socialisme en Democratisch Socialisme, „twee van elkaar vervreemdende werelden.” Hij pleit voor humanistische grondslag van democratisch socialisme, en verwacht daarvan een versterking: óók een toenadering tot jongeren uit het Christelijk kamp. Het slot van zijn stuk nemen wij over. ..Precies als bij ons en toch anders.” Maar in déze richting ligt de toekomst van het socialisme.

Ziehier Delvo’s slot:

Overigens, ik wil vermijden bij de bespreking van dit alles te uitsluitend aan het heil van één Partij te denken. Ik vertrouw er op, dat een nieuw humanistisch streven, zoals hier wordt voorgestaan, zijn aantrekkingskracht niet slechts op de welmenende mensen uit onze beweging zal doen gelden. Dit is geen blote veronderstelling: het is gedeeltelijk ook reeds persoonlijke ervaring: daar waar aan onze gewijzigde levensbeschouwing nochtans niet de minste berekening ten grondslag ligt, hebben wij, democratische socialisten, als vanzelf vele niet-socialisten nader tot ons voelen komen, zoals wij onszelf meer dan voorheen aan hen verwant zijn gaan voelen. En het is geen toeval, dat we zulks eerst en het duidelijkst aanvoelden bij vele jongeren uit het christen kamp. De jongere christenen merken langzaam aan, hoe de nieuwere stroming in het socialisme erkent, dat het „probleem van den mens” zich opdringt in het heden, en niet slechts van betekenis worden zal nadat de kapitalistische wereldorde zal verdwenen zijn. Ónmogelijk kunnen ze sceptisch blijven ten overstaan van de humanistische waarde van het democratisch socialisme en we vertrouwen er op, dat begrijpend inzicht vele hinderpalen uit de weg zal ruimen. Te meer daar waar wij van onze kant evenmin blind willen blijven voor het feit, dat van christen zijde het tekort aan een sociale philosophie sedert jaren stilaan wordt goedgemaakt. Dat verschijnsel van wederzijds begrijpen juichen we van harte toe.

Maar niet tot de democratische socialisten en de christenen zal deze toenadering zich beperken. Want een herziene opvatting met diep-menselijke inhoud kan een spontaan gevoelen van verwantschap doen ontstaan tussen allen die mensen zijn van goede wil. Ook al dient de oorzaak dezer toenadering niet gezocht in politieke beweegredenen, maar alleen in een bij ons ailen aanwezige verzuchting naar menselijke rechtvaardigheid, toch kunnen de politieke gevolgen niet anders dan heilzaam zijn. Want ze kan er toe bijdragen om ons te helpen het maya-weefsel der vooringenomenheid van voor onze ogen open te scheuren. En wie weet, wellicht zullen velen onzer, die nu onbegrijpend tegenover elkander staan, zich dan beschouwen als gelijkgezinden. Want we zullen tot het bewustzijn komen dat eenzelfde innerlijke noodzaak ons allen drijft: dat ieder van ons als hoogste menselijtóe plicht beschouwt; de diepste vreugden te zoeken in een tot zelfverloochening uitgroeiend dienstbetoon tegenover de mensen.

BOEKBESPREKING

Vrugten uyt den geestelycken Wyngaert, verzameld door Henri Bouchette.

Uitg. Het Spectrum, Utrecht, ƒ 1.10.

Aan een boekje als dit meet men de geestelijke afstand tussen bevolkingsgroepen. Het bevat 17e eeuwse katholieke gebeden, hymne-vertalingen enz. en is met prenten uit dezelfde tijd geïllustreerd. Maar terwijl ik het als filoloog een bizonder aardig uitgaafje vind, zo stijlvol en gaaf, blijft het mij als mens volstrekt vreemd. En toch is dit nog een gematigde en een gematigde

Barok. M. H. V. d. Z.