is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 13, 23-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

&onlandM, ■, JlllHlririfr.ll[riiiiiiiiMiiuiiini:i ll I lil ll

De mens

Er heerst met de Kerstdagen een genoegelijke en gezellige stemming door lichtjes en liedjes, vacantie en verlof, versnaper.ngen en vermaken. Men geniet even van de luwte in de stormachtige tijd; men wordt bekoord door de teerheid en lieflijkheid van een jonge moeder en een pasgeboren kind, van schaapjes en herdertjes in een wereld vol hardheid en schandaal. Als men echter doordringt tot de zin van het Kerstfeest, dan voelt men onrust en ergernis, toorn en droefheid om de tegenstelling Christendom en wereld, het licht, dat straalt uit een kribbe en een stal en de wilde gloed van steden, die in brand geschoten zijn en de felle lichtflitsen uit de mond der kanonnen.

Christus is gekomen, om de mensheid de weg tot de vrede te tonen. God laat ons in Christus zien, waartoe wij geroepen zijn. En we zitten midden ih een oorlog, die als een geweldige aardbeving alles doet vallen en scheuren. De monsterachtige krachten van militarisme, imperialisme, nationalisme en kapitalisme zijn aangewakkerd tot een brekende orkaan, die straks wellicht over geheel Europa en over de gehele wereld zal woeden. En millioenen zijn geroepen, om te vechten, om te doden of gedood te worden. De wet, die Jack London in de wildernis bij de wilde dieren ontdekte: Verslinden of verslonden worden! heerst thans ook in de mensenwereld. Dat was vroeger ook reeds zo, maar thans beginnen de volkeren te gelijken op een troep hongerige wolven, die elkaar aanvallen en verscheuren.

De Engelse schrijver Wells merkt in een boek over „Het lot der Menschheid” op, dat de mens geen recht heeft, van de natuur te verwachten, dat hij meer zal worden ontzien dan andere schepselen, dan de monsterachtige voorhistorische dieren b.v. Hij is van mening, dat het heelal den mens van harte moe is, omdat hij nog altijd niet geleerd heeft, zich bij alle voorwaarden van het bestaan aan te passen. De macht van het noodlot heeft hem •dus als andere wezens, die dit ook niet wisten te doen, ten ondergang bestemd. Wells verwacht in de toekomst nog verwoestender oorlogen; het mensdom is niet in staat, om de tegenwoordige toestand te beheersen.

Misschien kan de ondergang nog voorkomen worden volgens Wells, indien duizend knappe mannen uit verschillende landen der wereld zich verenigden, om de mensheid naar vrede en geluk te leiden. We geloven echter niet, dat zulk een dictatuur van het intellekt ons zou kunnen redden. Het zijn knappe koppen met grote macht bekleed, die de millioenenlegers leiden, die aan het hoofd staan van reusachtige wereldondernemingen van handel en industrie. Het zijn ook knappe koppen, die drijvende en nu zelfs reeds vliegende forten bouwen en knappe koppen, die grote naties tot staatsslaven weten te maken en zichzelf als halfgoden te doen aanbidden.

De reddende kracht moet elders gezocht worden. We vinden ze in het woord en leven en de geest van hem, wiens leven hier tussen kribbe en kruis besloten lag. Zoals het zaad geroepen is, een bloem te worden en men daarom in het zaad het beginsel en de kiem van de bloem kan ontdekken, zo is ook in den mens iets te vinden van de krachten, die het leven van Christus beheerst hebben. Dit is het verschil tussen dier en mens, dat het eerste niet weet van bestemming tot hogere waarde, van een roeping tot een hoger leven. De tijger is tevreden, tijger te zijn; maar de mens wil zijn, wat hij behoort te wezen en heeft on-

vrede met, wat hij is. Hoe sterker wij gevoelen, dat de bestaande door een nieuwe wereld vervangen moet worden en dat voor de bouw dezer wereld alles afhangt van de stenen, dat zijn de personen, des te meer kans is er, dat de toekomst in plaats van ondergang, opgang zal brengen.

De gang naar Bethlehem en het zien van het Christuskind moeten in ons een heilige ontevredenheid over deze wereld en over onszelf wekken.

School voor Maatschappelijk werk Door deze school worden meisjes opgeleid voor kinderverzorging, armenzorg, woningtoezicht, het werk der volksontwikkeling, enz. Het is dus werk voor de maatschappelijk zwakken en misdeelden. De tegenwoordige directeur, Mr. Moltzer, noemt het systematische hulpverlening aan mensen, die in maatschappelijke nood verkeren. De vorige week is het veertigjarig bestaan van deze school gevierd. Zij werd in ’99 door den radikaal Mr. Kerdijk geopend, den man, die leerde, dat hogere ontwikkeling en meerdere kennis verplicht. Dat is de geest van vrouwen als Mevr. Muller—Lulofs, Helène Mercier, Mej. Van Asperen, Mej. E. Knappert, die in deze geest gewerkt hebben en waarvan vooral de laatste als directrice de school tot bloei en veelzijdige ontwikkeling gebracht heeft.

De natuurlijke roeping der vrouw is het moederschap. Maar niets is ellendiger voor een meisje, dan te moeten wachten op het huwelijk. Zo was het vroeger vrij algemeen bij meisjes van gegoede ouders. Het is gevaarlijk voor een meisje, als ze lust en roeping voelt, om zich te wijden aan maatschappelijk werk, indien zij daarvoor niet bekwaamd is. Dan krijgen we een geliefhebber, dat aan beide partijen teleurstellingen brengt. Studie is nooit verloren en zeker de studie niet voor maatschappelijk werk, wanneer later de natuurlijke roeping de vrouw komt opeisen geheel of voor een groot deel. Daarom is de opleiding aan de school voor maatschappelijk werk nodig en nuttig.

Aanvankelijk stonden de socialisten tegenover dit werk voor de maatschappelijk zwakken onverschillig of zelfs vijandig. Men geloofde niet in de goede gaven en de goedheid der bourgeoisie jegens hen. Hier werd een soort toenadering tussen de klassen gezocht, om de onverzoenlijke tegenstelling tussen hen te verzachten en te verbergen. Hier had men een nieuwe vorm der liefdadigheid, die als de fopspeen het kleine kind het proletariaat stil en zoet moest maken. Daarbij kwam het verzet der fierheid; men wilde geen hulp, maar zou zelf wel zorgen voor de ontwikkeling der arbeiders. In dit oordeel is echter een kentering gekomen. De afstand tussen de klassen is althans in geestelijk opzicht niet zo groot meer als een halve eeuw geleden. Men erkende, dat de maatschappelijke werkers uit de bourgeoisie het goed meenden en ook goed deden. Onder deze maatschappelijke werkers zijn ook bekende maatschappelijke strijders.

We zien thans niet meer de maatschappij in twee vijandelijke kampen verdeeld. De maatschappelijke tegenstellingen zijn nog schrijnend genoeg; maar er zijn ook hier tunnels gegraven, die bergen en dalen verenigen.

Onder de veldmuts

We hebben enige soldatenkranten doorgebladerd. Sommige doen denken aan schoolblaadjes met grapjes, rijmpjes en krab-

beitjes, die soms, gelet op de jaren der auteurs, niet onverdienstelijk zijn. De meeste zijn niet door de cyclostiel maar door de drukpers vermenigvuldigd. Het voornaamste weekblad voor de gemobiliseerden is „De Wacht”. Het geeft uitstekende foto’s en allerlei bijzonderheden over het leger en het soldatenleven, over sport en knutselwerk. Er staan aardige versjes en mopjes in; voor het gemoedsleven der gemobiliseerden met al hun vragen en moeilijkheden geeft het echter zeer weinig. Het is genoegelijke lectuur, uitstekend verzorgd en afwisselend, een militair tijdschriftje met de humor, die het soldatenleven wat lichter maakt. Meer ook niet. We lazen ook een paar nummers van een weekblad, speciaal voor de jongens van het zoveelste. Het heet: „Onder de Veldmuts” en geeft de gelegenheden tot ontspanning en ontwikkeling, agenda’s van schouwburg, bioscoop, concert enz., ook de kerkdiensten en gemeentesamenkomsten voor militairen. Ook hier aardige grapjes door de tekenpen. Maar bovendien een ernstig hoofdartikel, dat zeker door de soldaten wel besproken zal worden. In no. 10 wordt de vraag behandeld, of het Christendom afgedaan heeft. Het is in de geest der Oxfordbeweging. Die vinden we al dadelijk in deze zin: Wanneer vandaag 100 millioen mensen over de gehele aarde beginnen naar God te luisteren en Hem te gehoorzamen, zal er een geestelijke kracht ontstaan, die de wereld kan vernieuwen.

Waar de mens ook is, moet de mens naar God luisteren, om zich door Hem te laten leiden. Dan krijgt men de mannen, die het visioen van den profeet zullen verwezenlijken, waarin de zwaarden tot ploegijzers en de speren tot sikkelen worden omgesmeed. Zo zullen mensen gevormd worden, die de rechtvaardige en duurzame vrede der toekomst voorbereiden. Op zulken rust de belofte: Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

Zijn dat geen woorden, die onder een veldmuts wel eens gevaarlijke gedachten, vragen en twijfelingen kunnen opwekken? Bij schietoefeningen, het hanteren van handgranaten of bediening van de mitrailleur, luisteren naar God en zich door Hem laten leiden, kon wel eens tot onwil en onmacht brengen bij dit werk. Zo zal het reeds zijn bij oefening en spel, maar hoe kan men naar God luisteren en zich door Hem laten leiden, als het bloedige en dodelijke ernst wordt! Het Christendom heeft zeker nog niet afgedaan, maar als het niet tijdelijk buiten werking gesteld wordt, zal het soldaten in hun werk voor grote moeilijkheden en zware beslissingen stellen.

Dan maakt de schrijver van het hoofdartikel in no. II van dit blad het zijn lezers makkelijker. Hij behandelt de vraag: Hoe is men soldaat? Niet de uniform maar de man erin kan den soldaat onteren. De soldaat moet zichzelf niet vernederen, door het soldaat-zijn te beschouwen als van mindere rang dan zijn burgerlijk leven. De soldaat moet niet verdwijnen in het soldatenleven, maar zich met zijn goede eigenschappen verheffen. Dan zal hij meewerken, dat de waardering voor den soldaat in het algemeen groter wordt. Dan is het niet: „Natuurlijk een soldaat!” Dan wordt het: ~Ah, een soldaat!”

Als de soldaat zich maar netjes gedraagt en niet ruw en losbandig is, zal men hem niet verachten. Die eenvoudige gedachte zal onder de veldmuts makkelijk geplaatst en begrepen worden. Van minachting voor den soldaat merken wij trouwens in deze tijd weinig of niets. Integendeel is de man in uniform tegenwoordig veeleer het troetelkind der burgers. Dat geldt de ouderen, die hun werk en gezin hebben moeten verlaten en die een macht vormen, waarachter men zich in deze gevaarlijke tijd veilig waant. Zij zullen misschien moeten vechten, wellicht sterven, opdat wij onze vrijheid en rechten behouden. Zij zijn daartoe bereid en dat stemt het publiek dankbaar jegens de militairen. Bereid? De meesten dienen, omdat het niet anders kan en zij moeten. Een kapitein vroeg aan een soldaat, waaraan hij eigenlijk het meest dacht en het antwoord was: Aan het verlof, kapitein! Verder dienen en eten en praten en slapen we en hebben niet veel te denken.

Toch zullen er onder menige veldmuts ook wel moeilijke, sombere en pijnlijke gedachten

zijn. J. A. BRUINS.