is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1939, no 14, 30-12-1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de Kerkelijke Wereld

De Oudejaarsavondgasf

Wie zijn het toch, die slechts op Oudejaarsdag ter kerke gaan? Wie zijn het die de hoon der braven trotseren en zich belachelijk schijnen te maken door juist die ene avond in de stilte van de preekstem en van de gele lichten en van de 'trage klanken te willen verkeren? Zijn dat de Oudejaarsavondgasten?

Ja.... wie kent die legendarische figuren eigenlijk, die de Oudejaarsavonddiensten bevolken? Die mannen en die vrouwen, waarvan men zegt dat zij er 52 Zondagen op hebben losgeieefd, en gewoon maar hun morgens hebben verslapen, hun middagen hebben verpraat en hun avonden hebben verpandoerd, maar dan juist die ene avond, midden in de week, ergens achteraan in de kerk gaan zitten, en dan door hun aanwezigheid het ganse jaar van trouweloosheid weer goedmaken? Ja, nogmaals, wie kent ze eigenlijk? Wie heeft er een ontmoet? Niet alleen van horen zeggen, maar van aangezicht tot aangezicht?

Ik geef voor mijzelf het antwoord; deze legendarische Oudejaarsavondgasten bestaan niet. Althans niet meer. Misschien leefden ze vroeger. Wij hebben het verleden nu eenmaal, om het met legendarische figuren te bevolken. Misschien was het eertijds zo, dat de kerk een gemeenschap zo samengeklonken hield, dat ieder, die zich los wilde wrikken, een schuldig gevoel had en daarom op Sylvesteravond naar de kerk ging, om de schuld weer goed te maken. Maar thans, nu de kerk terzijde van het grote leven is komen te staan en er duizenden leven zonder ook maar één spoor van schuldbesef jegens de kerk, nu is er, óók voor de minder getrouwen, niet de minste reden om iets weer goed te maken. Want wie vindt nog, dat hij iets verkeerd gedaan heeft, als hij de kerkgang verzuimt?

Die legendarische Oudejaarsavondgast, deze demonstrant van ai-te-broze aanhankelijkheid, bestaat niet. Hij is de figuur, die uitgedacht is, om een verklaring te geven aan het feit, dat de diensten van het Oudejaar drukker bezocht zijn, als alle andere diensten. Maar dat komt niet door hém, maar door wat anders.

Want inderdaad, de dienst van Oudejaarsavond is niet zo maar een gewone dienst. Het is een feit; men ziet vreemde gezichten; en men ziet méér gezichten. Men is stiller en men is weemoediger. De Oudejaarsavonddienst heeft onmiskenbaar zijn eigen sfeer.

Men ziet vreemde gezichten. Want de jaarswisseiing lokt tot familiebezoek. Uiteraard zijn er onder die geïmporteerden goedaardigen, die hun gastheer niet willen ontroven van waar hij aan gehecht is; die vaste kerkgang. En zij vinden het toch niet zo’n erg corvée. Mogelijk gingen ze in hun woonpiaats zelden naar de kerk. Maar hier, als logé, heeft een kerkgang de bekoring van het nieuwe en er is nimmer zulk een openheid voor de dingen van den Eeuwige, ais wanneer de Tijd tot een probleem gesteld wordt. Met deze goedwillende en goedmenende vreemdelingen wordt de Oudejaarsavonddienst al dadelijkwat drukker. Men herkent den vreemdeling, als hij de stedeiing is, en dan op Oudejaarsavond in de dorpskerk zit. Zijn geaccentueerde gecultiveerdheid, waarmee de stedeling zijn meerderwaardigheidsgevoei pleegt uit te leven, verraadt hem.

Maar buitendien, men ziet ook méér gezichten dan anders. Die en die en die zijn er in een heie poos niet geweest. En nu zijn ze er wel. Zij komen nu om het bijzondere. En omdat ze er tenslotte tóch bij horen. Zij hebben vele excuses voor hun absenteïsme. Maar nu, op deze avond, hebben zij hun best willen doen. Sommige kerkeraadsleden zeggen een beetje wrevelig,; nu ziet men ze wèi. Maar voor die wrevel is geen reden. Gelukkig, dat ze er nu wel zijn. Zij zijn blijkbaar toch door de kerk gebonden. Zij zijn als de kinderen, die de wereld Ingingen, maar cp de 31ste December er volle treinen en dure spoorkaartjes voor over hebben, om naar het ouderlijk huis te gaan. Want, zo weten zij, daar horen wij

thuis. En, ouder wordend, weten zij het steeds duidelijker, hoezeer zij Thuis thuishoren. Daarom, Oudejaarsavondkerkgangers, laat u niet wegdrukken door de geroutineerde gewichtigheid der regelmatigen: als Gij verschijnt, zijt Gij welkom. Want Gij zijt thuis.

En al die drie groepen, de vreemdelingen, de eendagsvliegen en de regelmatigen zij hebben de Oudejaarsavonddienst lief. Want het is er zo stil. Indien ooit, dan beseft men op die avond, hoe weinig de plechtstatige woorden, die langs u heen schrijden, ’t ’m doen. Meestal zijn zij treffend, eenvoudig, omdat zij in de situatie van het scheidend jaar gesproken worden. Zoals ook de gewoonste woorden van een stervende in ons geheugen doordringen met bijzondere scherpte, zo zijn de Oudejaarsavondwoorden reeds daarom alleen al ~biezonder”; zij worden in een stervend jaar gesproken.

Tenslotte hebben allen deze dienst lief. omdat, zo ooit, dan op dat ogenblik de kerk het woord mag nemen. Zeker, de avond van 31 December heeft niets heiligs. Hij-is het resultaat van een berekening van astronomen. Hij is een „toevallige” insnijding in de stroom van de tijd. Maar juist daarom, vanwege die insnijding vanwege de noodzaak, om het rhythme van de tijd aan te geven, hebben wij een plaats nodig, waar de tijd zelf gezien wordt onder het licht van den Eeuwige. Die plaats was, is en blijft; de kerk. Een andere plaats is er niet.

Daarom, wie der lezers aarzelt om op Oudejaarsavond de stuwing van zijn hart te volgen, hij moge in deze woorden redenen vinden om zijn schroom te overwinnen. Het is niet raar en het is niet kleingeestig. Niemand heeft het recht, u triomfantelijk aan te zien. Gij zijt niet de Oudejaarsavondgast van weleer, die zijn schuld komt afdoen. Als Gij aanwezig zijt. zegt de kerk op Oudejaarsavond; welkom bij Uw thuiskomst!

Hoe in andere

landen gedacht wordt

Het jongste nummer van de ..Oecumenische Berichten” geeft een overzicht van de stand van zaken in de drie oorlogvoerende landen met betrekking tot de situatie, waarin de protestantse kerken verkeren. Het artikel wekt de indruk van goed-geïnformeerd te zijn en stemt overeen met de voorstelling, die men uit de verschillende buitenlandse kerkelijke bladen kan krijgen. Daarom wordt er (hier en daar verkort en gewijzigd) het volgende uit overgenomen;

Frankrijk. Het (protestantse) kerkelijke leven is in hoge mate gedesorganiseerd; b.v. in Parijs is -J van de Protestanten weg, hetzij geëvacueerd, hetzij in het leger. 15000 mensen uit de (merendeels protestantse) Elzas werden verplaatst naar gedeelten van Frankrijk, waar vrijwel geen protestantse kerken zijn.

De atmosfeer in Frankrijk is rustig en beslist. In R.K. kringen vindt men aanwijzingen van een z.g. „kruistocht-psychologie.” Men ziet daar deze oorlog als een verdediging van de christeiijke beschaving tegen het Duitse heidendom, dus als heilige piicht. Jongere katholieken zien het anders. Zij spreken van een rechtvaardige, niet van een heilige oorlog.

■Vooral de jongere protestanten verzetten zich tegen de kruistocht-psychoiogie. De oorlog is voor hen de verdediging van hun land; maar op zichzelf een kwaad, hoewel minder erg dan de overheersing van Europa door ’t nationaai-socialisme. Wel verdwijnt de tegensteiling, die men in het begin wél maakte. n.l. tussen Duitsland en het nationaaisocialisme. Gevaarlijk is de consequentie daarvan, die als oorlogsdoel de verdeling van Duitsiand in een aantal kleine staten proclameert.

Engeland. Sobere beslistheid kenmerkt de houding. Het ideologisch pacifisme, dat in Engeland betrekkelijk zo sterk is geweest, beïnvloedt thans indirect het leven der kerk en maakt het moeilijk een duidelijke houding aan te nemen. Er is argwaan, dat deze oorlog uit andere motieven wordt gevoerd, dan de

regering voorgeeft. Deze houding leidt tot een relativisme, dat geen verschil wil zien tussen de zaak van Duitsland en de geallieerden. Het gevolg is een merkwaardige tegenstelling tussen het christelijk geloof en het handelen; de oorlog moet gevoerd worden, maar men kan er niet aan deelnemen als christenen.

Onder de leiders der kerk zijn er, die het standpunt innemen, dat de kerk zich in dit conflict niet moet uitspreken. De kerk moet Kerk blijven en haar oecumenisch karakter onderstrepen, maar geen partij kiezen; er is een te grote afstand tussen de menselijke zaak en Gods zaak. Het gevaar daarbij is: le. een piëtistisch gevaar, de keuze die ieder moet maken wordt niet in verband gebracht met het christelijk geloof; 2e. de oecumeniciteit wordt doel in zichzelf, zonder relatie met het leven der volkeren.

Ook in Engeland bestaat de „kruistochtpsychologie.” Maar zij is niet typerend. Het oorlogsdoel; een federale unie van Europee staten, wint veld.

Duitsland. Ook in Duitsland is er weinig verband tussen de christelijke overtuiging en de taak van het volk. De houding van de kleine groep van leiders der Belijdeniskerk is; reserve t.o.v. de politieke situatie en concentratie op de immer blijvende christelijke waarheid. Daarbij komt, dat het volstrekt onmogelijk is, zich over de politieke kwesties uit te spreken. Bovendien bestaat er het sterk persoonlijk conflict tu.ssen het karakter van het regime, waaronder men leeft èn de overtuiging dat men solidair met zijn volk moet zijn. De pasbenoemde „'Vertrouwensraad” representeert niet de geest van de Belijdeniskerk. De regeringspropaganda heeft veel invloed. Er is een ontstellende onkunde omtrent de werkelijke feiten van de geschiedenis van de laatste paar maanden.

Het bewustzijn leden van de Algemene Christelijke Kerk te zijn is sterker dan ooit. Daarnaast ziet men deze tijd als een tijd van apocalyptische afmetingen, waarin de kerk lijden móet.

Totaal-indruk. Minder dan in 1914—T8 vindt men de identificatie van de zaak van Gods Koninkrijk met de menselijke zaak. Niet het gevaar van de verheerlijking, maar dat van het onthouden van eik zedelijk oordeel is groot.

Het moet duidelijk worden, dat de christelijke kerk in de huidige situatie een concreet woord te zeggen heeft. Het zal een woord tegen twee fronten zijn, tegen de gelijkstelling van het eeuwige met het tijdelijke èn tegen het christelijk berustingsgeloof.

Het Russisch-Orthodoxe

Theologisch Instituut te Parijs

Voor de Russisch-Orthodoxe Kerk zorgt het Instituut te Parijs. Namen als van Berdjajew en Sergei Boelgakow zijn er aan verbonden. Numeriek is de positie van deze Russen niet belangrijk, wel, wat hun traditie aangaat. Honderden jaren had er in Oost-Europa een vorm van Christendom geleefd, waar in W.- Europa weinig aandacht voor was. Dit Oosters Christendom bleek niet weerbaar te zijn tegen de moderne stromingen en vervolging werd haar deel. Hun belangrijke theoiogische arbeid en de nieuwe aandacht, die zij weten te wekken voor de Russische Orthodoxie, maakt, dat hier numerieke maatstaven falen.

Ziehier, hoe het er thans met dit Instituut voorstaat;

Slechts 13 studenten, levend van de offerbereidheid van de vrienden der Russische Kerk, hebben zich in October kunnen opgeven voor de lessen. Zij hebben zich tot een leef- en werkgemeenschap verbonden en zij spelen het klaar met slechts 5 franks per dag (ƒ0.25) rond te komen.

Bovendien moeten er 13 professoren betaald, kapel, bibliotheek verwarmd, belastingen opgebracht worden.

Thans bestaat dit Instituut 14 jaar. Het heeft 75 priesters afgeleverd. Dat is voor de 30.000 gemeenten, die zich in Rusland bevinden, niet veel. Maar het is toch 75 méér, dan Rusiand zélf kan afieveren, omdat In Rusland geen opleidingschool meer kan bestaan sinds 1917.

Daar, in Parijs, leeft een stuk van de lijdende kerk. L. H. RUITENBERG.