is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 16, 13-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WINTER IN HET BOS

Een paar streepjes

Het genoegen, dat de lezing van „Tijd en Taak” me verschaft, dringt me meermalen een paar kantstreepjes te zetten. Het eerste kwam ditmaal neer op de marge van een artikel, waarin Joh. Winkler de erekroon van eerlijke, Hollandse nuchterheid zet op het hoofd van een oud-burgemeester van Zeist, die, tegenover het vroom gekwebbel, dat we aan de oorlog „allemdal schuldig” zijn, de moed had ronduit te zeggen, dat hij zich daar nu eens niet schuldig aan voelde.

Winkler heeft gelijk. Zulk een in het algemeen-gehouden boete-betoning verliest door haar algemeenheid haar waarde. Ze lijkt heel vroom en heel diep, maar ze is inderdaad aan alle ernst en diepte gespeend. Mensen, die zo spreken, zijn eigenlijk nog net als schooljongens, die zich verantwoorden met te zeggen: Ja, meester, maar de anderen doen het ook! Ze zijn blij;, hun eigen schuld op te kunnen lossen en onvindbaar te kunnen maken in de schuld van de massa. En dan zit er immers zelfs iets „beruhigends”, ja, iets strelends in te weten, dat men toch eigenlijk niets anders gedaan heeft dan wat ze alle-

maal deden. De mens, die het in deze tijden ernstig met zijn zelfinkeer en boete meent, zal maar weinig spreken over de algemene schuld, maar zijn eigen leven dagen voor het gericht, en, in bijzonderheden afdalend, zichzelven afvragen: Waarin ben ik nu al deze jaren sedert de Grote Oorlog tekortgekomen? Zijn er ook woorden geweest, die ik niet had moeten spreken? Zijn er ook waarheden en zedelijke beginselen geweest, waarvoor ik met vuur en met kracht had moeten opkomen? Heb ook ik mij, zij het dan wellicht onder al te zwak protest, laten meeslepen met de stroom, die zich nu in de donkere en bloedige afgrond stort, en had ik niet meer de moed moeten hebben om daar desnoods geheel alleen tegenin te gaan? Ik heb gearbeid, deze jaren, ik heb mijn leven trachten nuttig te maken, maar heb ik mij wel gewijd aan datgene, wat ik nu zie, dat het allermeest nodige was geweest? Is daar naast me geen strijd gevoerd, die ik weliswaar niet zonder heimelijke sympathie heb gadegeslagen.

maar waarvoor ik me toch nooit met volle kracht en brandende geestdrift heb teweergesteld? Op die manier voortdenkende, zou men misschien nog eens tot dieper en waarachtiger schuldbesef komen dan dat oppervlakkige en weeïge gedaas, hetwelk Winkler zeer terecht gebrek aan waar achtige ernst verwijt.

Het tweede streepje kraste neer bij het ik mag wel zeggen: merkwaardige artikel van Eldering, die daarin de klokken luidt, welke reeds lang in mijn ziel heen en weer geschommeld hebben, en die een totale omkering schijnen in te luiden tussen wat men dan noemt: de theologische rechter- en linkerzijde. Eldering stelt, van de grond af beginnende, de vraag: Wie is nu eigenlijk God? Wat is Hij voor een wezen? Is Hij de God-werker, zoals het religieuze socialisme Hem bij voorkeur wil zien? Is Hij de Monarch-Vader, die over zijn gezin en zijn bedrijf heerst met een mengeling van strengheid en genade? Is Hij de goede, tere Moeder, die over het bedrijf maar weinig te zeggen heeft, maar in stilte veel weldadigheid beoefent en voor haar kinderen een warm en veUig tehuis bewaart, waar ze straks na volbrachte aardse strijd rust mogen vinden? Is Hij voor ons besef reeds tot een oude Grootmoeder geworden, die, geacht en geëerd op een stoof in het hoekje van de haard zit, maar die in de huishouding alleen nog maar een antieke bijfiguur is, waar het eigenlijke leven langsheen gaat? Of is Hij misschien de grote, machtige Wodan, wien het slechts om zijn rijk en zijn macht te doen is, en die terwille daarvan mensen en volken verplettert, gelijk die oosterse eUanden-vorsten, die hun regerings-kano’s voortschoven over de lichamen hunner slaven? Of is Hij voor ons niets en niemand ander dan.... Jezus Christus? En nu zie ik het zó, dat aan de „rechterzijde” de trekken van Christus in de laatste tijden gaandeweg meer vernevelen. Men vereert daar nog wel Christus als de „Zone Gods” en als „Verlosser”, maar zelden ontmoet men meer een theologisch stuk, hetwelk uitgaat van de gedachte, dat het hart en het karakter van God indentiek is met het hart en het karakter van Jezus Christus. Daarentegen zie ik in de geschriften en vooral in de preken van „vrij-

zinnige” zijde in het Godsbeeld gaandeweg meer de trekken van het gelaat van Christus te voorschijn komen. Het stoutmoedige en radicale woord van Luther: „Und IST kein andrer Gott” wordt ter rechterzijde steeds schroomvalliger, ter linkerzijde steeds beslister beaamd. Om kort te gaan, de slaglinies hebben zich de laatste tientallen jaren precies omgedraaid: als men tegenwoordig gelooft, dat Christus waarachtig en volkomen God is, dan is men vrijzinnig, en als men dat op zijn best maar voor de helft gelooft, dan is men rechtzinnig.

En laat nu niemand van de lezers, die er weliicht een beetje prat op gaan, dat ze zich ~weinig voor theologie interesseren”, hier zeggen, dat dit alleen maar „theoretische bespiegelingen” zijn, want ze zijn van overweldigende practische betekenis. Alle grote vraagstukken kunnen tot deze ene vraag terug worden gebracht. Hoe denkt gij over de onderlinge verhoudingen der volkeren? Zeg me, hoe denkt ge over God? Meent ge dat een mens zijn medemensen in massa-verband mag doodslaan, of dat hij zulks niet mag doen? Het komt in de diepste diepte neer op de vraag: Wat voor God dient gij?

Welke kant zullen we opgaan met het sociale vraagstuk, met het onderwijs, met het gevangeniswezen, met heel ons systeem van opvoeding, ja, zelfs met onze onderlinge omgangsvormen? De vraag is maar, wat voor een God het is, die ons bij dat alles aankijkt. Kortom, de grote inzet bij heel de tegenwoordige en toekomstige wereldontwikkeling is, of God zal zijn = Christus, of dat Hij iets anders zal zijn. En elke lezer moge zich op die vraag wel ernstiger dan ooit te voren bezinnen.

HILBRANDT BOSCHMA. P.S. Een vraag voor theologen; Spruit ook heel dat veelvuldig gebruik, dat onder ons orthodoxen tegenwoordig van het modescheldwoord „humanisme” gemaakt wordt, niet voort uit een heimelijk verzet tegen de gedachte dat God = Christus zou zijn?