is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 17, 20-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MORAALHITSERS

Men behoeft slechts een paar maal een Amsterdams straatdebat te hebben bijgewoond, om voorgoed te weten, dat spreken met een tegenstander vaak een kwestie van woordenrijkdom is. Nu staat het met woorden eigenaardig; zij zijn nooit los te maken van hun afkomst, van de sfeer, waann zi] geboren werden, dus van de man, die ze uitspreekt. Daarom zal werkelijke discussie slechts mogelijk zijn tussen mensen, die. elkander goed kennen. Voor de rest is het een min of meer sportief heen-en-weer gepraat, waarbij de langste adem en de meeste fantasie beslist. |

Nu is er één groep in ons politieke Nederland, die dit niet spoedig zal toegeven. Het zijn de communisten. Daarom is het nuttig, dat hun tegenstanders, voor zij zich in debat begeven, zich de speciale structuur van het communistische woordgebruik goed voor ogen stelien. Juist tegenover hen is dat nodig, omdat het communisme beweert, een giashard en glashelder rationalisme te belijden. Welnu, dan zal er toch over de woorden te praten moeten zijn.

Wie de moeite neemt (inderdaad: moeite!!, i om de jongste communistische schrifturen j onder het gezichtspunt van woordgebruik te ; lezen, zal met mij tot de conclusie kernen, i dat de voornaamste indruk, die achterblijft,! deze is: wat een geknetter! Om de proef op; de som te nemen, heb ik zorgvuldig het, maandblad der Nederlandse communisten, „Politiek en Cultuur” van Januari 194(), en het in Zweden verschijnende communistische weekblad „Die Welt”, daarvan het nummer ; van 28 December j.l. gelezen. Na lezing hoort men in zijn herinnering doordenderen woorden als „kliek”, „verrader , laaghartigheid”, „leugenachtigheid”, en anderzijds: „ontmaskeren”, „strijd op leven en dood”, „geniaal inzicht”, „reusachtige ervaring.” En behalve dat de woorden blijven hangen, valt als grondtoon op, die van absolute zekerheid. . , Dit verschijnsel moet zijn zm hebben. De oorzaak moet te vinden zijn in de geestelijkzedelijke houding, dte voortvloeit uit de commimlstlaehe leer.

Nu ZOU het „jargon” van elke beweging, elke kring, voor een dergelijke beoordeling vatbaar zijn. Het zou zeer nuttig wezen, als een nret-geestverwant de woorden in ons religieus-socialistisch taaleigen bestudeerde en ons twijfeld hebben ook wij onze hebbelijkheden en onze houdingen. Veel verzet tegen het religieus-socialisme is terug te voeren, me tot bezwaren tegen de beginselen, maar tegen bepaald woordgebruik.

Wat valt nu, als wij de communlstisclie taalschat nader bekijken, verder twee verschijnselen te mogen onder kernen. Ie Een ver door gevoerd schematisme. Dat uit zich ai direct in de persoonlijke verhoudingen. Een brief van een communist overtuigde mij daar onlangs van. Schrijvend over een sociaai-democraat van matige betekenis maar die in een bepaalde kring wei eens links afwijkende meningen had b kende mijn correspondent: „Vroeger ik altijd erg opgezien tegen die pp jou maar nu heb Ik gemerkt, dat hij een onbekwame kerel is.” Waarom die plotselinge zwenking? Natuurlijk nergens anders om, dan omdat de sociaai-democraat in kwestie zich over Sowjet-Rusiand niet laten. Daarmee verdween onmiddeihjk de (ten onrechte) toegeschreven bekwaamheid Zowel bij prijzing ais bij misprijzing was het oordeel volkomen vertroebeld door één vraag. hoe denkt hij over Sowjet-Rusiand?J

Ook’ in de" beoordeUng van wal geschiedt, treedt een dergelijk schematisme op. De historie wordt door de communisten in een wet gevangen: de wet van het historisch materialisme. Die wetmatigheid wordt voor het politieke gebruik tot een grof schema omgebouwd. De wetmatigheid duidde al op een versteningsproces. Met het schema treedt een dubbele verstening op. In dit schema worden nu alle verschijnselen gepast, gerekt, gewrongen. Als dat kunstwerk gelukt is, dan staan

de gelovigen er omheen en juichen als supporters op een voetbalveld. Dan heet het triomfantelijk aan het eind van de redenering: „De weergaloos geniale blik van Stalin heeft het voorzien.”

Laat mij twee voorbeelden noemen. Daar is in de eerste plaats de steeds weerkerende bewering, dat er een groeiend verzet is in de brede volksmassa’s van de grote landen van Europa tegen het imperialisme van hun regeringen. Natuurlijk: dat verzet moet volgens de communistische theorie bestaan. Zou het niet bestaan, dan klopte de theorie niet. Dus proclameert elke schrijver over buitenlandse politiek, dat het bestaat. Maar niemand wijst dit verzet aan. Niemand noemt cijfers. Niemand wijst op resultaten. De lezer moet de zeldzame zekerheid, waarmee deze bewering geuit wordt, maar als bewijs aanvaarden. Waar verkiezingen zijn geweest (Zwitserland) is de zichtbare communistische invloed vernietigd. Waar de democratie functioneert (Engeland), daar kan men alleen aankomen met een paar ingezonden stukken in burgerlijke bladen. Of moeten soms de door Moscou te betalen huldetelegrammen aan Stalin voor bewijzen van het spontane verzet der volksmassa’s dienen?

Een tweede voorbeeld is Finland. Het schema is duidelijk: Sowjet-Rusland is het enige socialistische land. dus: S.R.=socialisme. Rusland wordt voortdurend bedreigd. Voor die bedreiging wordt geen nauwkeurig bewijs gegeven. Natuurlijk wel citaten uit kranten en ionclusies uit theorieën, maar dat zijn geeri >ewijzen. Een bedreiging heeft een potentieel >n een actueel karakter. Potentieel wordt 3.R. inderdaad bedreigd. Maar dat land niet lileen. leder mens en ieder ding leeft onder mortdurende dreiging van naderende ondergang. Actueel werd S.R. niet bedreigd. Althans alet van Finse zijde. Dat Finland anti-Russisch was, is verklaarbaar. Dus een potentiële bedreiging was inderdaad aanwezig Maar vol te houden, terwille van de reinheid der theorie, dat Finland Rusland bedreigde, Is een belediging voor nuchtere hersens Zoveel rationalist zijn wij nog steeds, dat wij zo’n redenering onze hersens niet aandoen De reden, waarom dit schema zo ongeloofwaardig is en waarom het zo vlak aandoei is dat feiten, verwachtingen en waarderingen op precies dezelfde wijze worden geham teerd. Dat een feit een ander karakter heeft dan een verwachting, en dit weer dan eei waardering, ontgaat alle communistischi schrijvers.

2e. De volgende eigenaardigheid van het communistisch begrippenmateriaal is, dat een onpersoonlijk geschiedgebeuren verpersoonlijkt wordt. Dit is in de grond een hoogst on-zakelijk bedrijf, maar het is blijkbaar het enige middel, om gevoelens af te reageren. Op dit ogenblik krijgen de sociaal-democratische leiders de volle laag. Hun genomen, dat zij een andere overtuiging hebben Zij zijn daarom een „kliek , een lakeien”, „laaghartigen”, lafhartigen. Ik ben geen sociaal-democratisch leider, dus ik kan het zonder ogenknipperen aanhoren. Meer geraakt word ik, als een schrijver over pacifisme niet anders over deze beweging kan spreken als over „preken.” Een awijking wordt onmiddellijk een zedehjk hals misdrijf. Daarom moet de sociaal-democratie ook verwoed (!) bestreden worden.

Tweeërlei gevolg heeft dit woorOleiiruik: ten eerste, dat het woord volkomen verslapt. Men kan, om althans de eigenlijke redenering van een schrijver te volgen, niet beter doen, dan alle heetgeladen bijvoegelijke naamwoor-I den vervangen door neutrale dito’s. Verslappend werkt ook, dat vaste woordverbindingen, met grote eentonigheid geuit worden. Zo heet Trotsky steevast „de laaghartige vijand van de arbeidersklasse”. Hij heet dat ook, als zpn naam slechts in ver verwijderd verband genoemd wordt. Het monotone van deze herhaling schijnt tot de communistische zieisbehoefte te behoren. Het tweede gevolg is, dat, omgekeerd, de communisten zich verbeten wenden tot ieder,

die het waagt, over hen een zedelijk oordeel uit te spreken. Wie thans zou beweren, dat het toch niet met de feiten van de luchtbombardementen klopt, als geschreven wordt, dat het Rode Leger strijdt voor het Socialisme, waarin de mens het hoogste kapitaal, zijn geluk het hoogste doel is; wie het zou wagen, hier vrij gangbare morele maatstaven te leggen, krijgt een storm van verontwaardiging van voren. Die is een moraaihitser. En dan wordt zijn doopceel gelicht. Dan is hij een kapitalist of diens beulsknecht en dan wordt alle kwaad van alle landen toegeschreven aan één duivel, het kapitalisme = het Imperialisme en dan krijgt men in de grond niets anders te horen dan de ordinairste schooljongensrepliek van: kijk naar je eigen.

Wat ons in diepe afkeer van deze communistische woordenvloed doet afkeren, is de miskenning van zedelijke maatstaven; een miskenning, die oneindig veel erger is, dan starre ontkenning. Die miskenning zyn diepste oorzaak in de volstrekte afwijzing van een godsdienstige overtuiging. Beter misschien, in de overtuiging, dat goed en kwaad een volstrekt karakter hebben. Daardoor wordt elke beoordeling onmenselijk, elk verwijt absoluut, elke liefde pathologisch en elke haat demonisch. Met dat te consateren trotseer ik net scheldwoord, dat voor ons soort mensen klaar ligt: moraalhitser. Maar nu antwoord ik zonder blikken of blozen: kijk naar je eigen. L. H. RUITENBERG.

Zondagsschoolherinneringen

Mae ik naar aanleiding van de medege deelde ervaringen van Ds. L. H. Ruiteriberg omtrent de Zondagsschool (T. en T„ 13 Jan.) misschien ook mijn ervaring geven? Ik ben nooit door mijn ouders naar een Zondagsschool „toegestuurd”. De eerste Zondag na Pasen van ’t jaar 1900 (ik was toen 8 jaar) werd ik door een buurjongen eens een keer meegenomen. Een bakkersknecht vertelde daar het verhaal van de Emmaüsgangers. De gehele tijd was ik een en al de verteltrant was zeer goed. Ik ben de Zondagsschoo eeregeld blijven bezoeken tot t laatst van December 1904. Toen kreeg ik een Bijbel mee en ging over naar de knapenverenigmg. Elke Zondag kregen we een papiertje mee. Aan de ene kant stond een versje, dat we mochten leren (een vers uit een psalm of gezang), aan de andere kant een Bijbeltekst. Ook die mocht geleerd worden. Elke Zondag werd voor t begin der les gelegenheid gegeven t geleerde op te zeggen. Voor dat overhoren stelden week aan week verschillende mensen zich met bliefde beschikbaar. Wie ’t vers goed ge eerd had, kreeg een „vers”-papiert3e; die ook de tekst kende een „vers en tekst -papiertje. 15 van de eerste of 10 van de tweede soort gaven recht op een kleine surprise b.v. een klem boekje, kaartje enz. Met genoegen enkele uitzondering daarplaten) werden steeds vers en tekst geleerd. |

Op ’t papiertje, dat we ’s Zondags meekregen, stond de tekst onderaan. Daarboven stond de titel van ’t verhaal voor de volgende keer Tevens was daarbij aangegeven, waar dat verhaal In de Bijbel stond. Ik begon met in de week in de Bijbel ’t verhaal te lezen van de vorige Zondag en dat van de komende. Zo langzamerhand las Ik de Bijbel, wat t vfjhalende deel betreft, door. Behalve de beide Zondagsschoolverhalen las Ik ook de Bijbels hoofdstukken In volgorde. Hele stukken vari Exodus, Numeri, Deuteronomlum en geheel Levltlcus b.v. sloeg Ik over, evenals Spreuken, Psalmen, de Profeten enz. Op de Zondagsschool waren 4 leerkrachten, die om de beurt vertelden: een bakkersknecht, een naaister, een predikantsdochter en een kleermakersdochter. Alle vier waren beste vertellers; persoonlijk prefereerde Ik de kleermakersdochter. |

Thans ben ik 48 jaar, maar nog ben ik dat viertal dankbaar. Zij hebben mij op een wijze waarvoor ik niets dan lof heb met de Bijbel in aanraking gebracht. Hulde aan de Zondagsschool van Sneek uit de jaren 1900 tot 1904. A. HOFSTRA Zandvoort