is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 18, 27-01-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WELKE COD?

Het heeft mij zeer verheugd, dat mijn artikel met bovenstaande titel in no. 14 van „Tijd en Taak” de aandacht heeft getrokken en dat twee collega’s er op geantwoord hebben. Nog meer verheugt het mij, dat de redactie mij in de gelegenheid stelt, om in een serie van enkele artikelen dieper op deze vraag en daarmee ook op de opmerkingen van Moulijn en Boschma in te gaan. Wetende, dat ik schrijf voor theologen en leken, wil ik bovenal trachten, voor de laatsten zo duidelijk mogeiijk te zijn, waarbij ik hoop te ontkomen aan het gevaar, dat de duidelijkheid te kort zou doen aan de wetenschappelijkheid.

Ik begin dan met te onderscheiden: God. Godsbegrip en Godsvoorstelling of Godsbeeld. Over God valt niet veel meer te zeggen dan wat Vondel er in zijn beroemde reizang in „Lucifer” over zegt of wat het hoofd der lagere school in Groningen ons indertijd voorhield, die de vaste gewoonte had om als voorbeeld van wat men toen in de onderwijzerswereld een bestaanszin noemde, met keurige letters op het bord te schrijven: God is.

Ik kan mij nog ievendig herinneren, hoe ik tegen die twee woorden zat aan te kijken en welke gedachten en vragen toen reeds in mij opkwamen. In en na mijn studiejaren heb ik van prof. Rauwenhoff geleerd, dat die uitspraak: God is alleen geldt voor de religieuze mens. Rauwenhoff immers, wiens onvoltooid werk: „Wijsbegeerte van de godsdienst” in ons land te weinig gewaardeerd is (in de Duitse vertaling is het ettelijke malen herdrukt) maakt een onderscheid tussen Macht-zijn en God-zijn.

Dat er een bovenmenselijke Macht is, wordt door niemand ontkend. Ik heb indertijd het genoegen gehad om te luisteren naar debatten over God en godsdienst, door de vereniging „De Dageraad” georganiseerd, waarin o.a. prof. De Hartog als verdediger van het Godsgeloof optrad. Ikzelf heb ook met de kopstukken dier vereniging, Constandse, Hoving en Rijnders in stampvoile bioscoopzalen en elders gedebatteerd. En dan trof het mij teikens, dat geen van deze, zich atheïsten noemende lieden het bestaan van een bovenmenselijke macht (of machten) ontkende. Wat ze ontkenden was dit, dat die macht God was, d.w.z. een aanbiddelijke, in alle opzichten boven den mens verheven macht, waarvoor de mens zich behoort te verootmoedigen, waarin hij zijn vertrouwen kan stellen, waaraan hij heeft te gehoorzamen en waarop hij zich kan verlaten. Op de vraag, waarom zij dit ontkenden, kom ik later terug.

Ik geloof, dat wij goed doen met steeds dit onderscheid tussen Macht en God in het oog te houden en daarbij ook te bedenken, dat er eveneens als muzikale en onmuzikale, zo ook religieuze en onreligieuze, of laat ik liever zeggen zwak-religieuze naturen zijn. Evenmin moeten wij vergeten, dat religieuze aanleg, evenals de muzikale, ontwikkeld kan worden, maar ook misvormd en verstikt.

De uitspraak: God is, geldt dus alleen voor de religieuze mens. Met een voorbeeld uit eigen beleven kan ik het allicht nog duidelijker maken. Eens kwam ik in Rotterdam op weg naar huis voorbij een grasveld, waar kleine jongens speelden, onder wie ik een van mijn zoontjes ontdekte. Ik sprak even met hem en liep door. Toen hoorde ik, dat een van die knaapjes tot mijn jongen zei: „Wat was dat voor een man?” Waarop in verontwaardigde toon het antwoord kwam: „Dat is geen man, dat is mijn vader ”. Glimlachend liep ik over die woorden door te denken. Dat mijn zoontje in zijn verontwaardiging gezegd had, dat ik geen man was, kon ik hem vergeven. Hij meende dit niet in) letterlijke zin. Als ik geen man was, had ik zijn vader niet kunnen zijn. Zo wijs was hij ook wel. Maar hij bedoelde natuurlijk: „Dat is maar niet zo’n wiliekeurig persoon, dat is een man tot wien ik in een bijzondere verhouding sta, dat is mijn vader!”

Wanneer Vondel thans leefde en zelf zijn beroemde reizang: „Wie is het, die zo hoog gezeten” zou voorlezen aan een lid van „De Dageraad” tot en met de woorden „Of schort het aan begrip en stem?” en zijn toehoorder zou daarop kalm zeggen: ~Dat is een ons on-

bekende Macht”, of: „Dat is de Natuur”, of: „Dat zijn blinde krachten en wetten” (zoals mevrouw Roland Holst nog meende in de dagen, toen zij de Nieuwe Geboort dichtte (bl. 103), dan zou Vondel vermoedelijk met een van verontwaardiging trillende stem zeggen: ~Dat ’s God. M.a.w.: dat is niet zo maar een willekeurige macht of kracht, dat is voor mij iets heel anders nog n.1.: God, dien ik aanbid, voor wien ik mij buig. En wanneer indertijd in, mijn klasse, terwijl daar de woorden: „God is” op ’t bord geschreven stonden, de geleerde en hooggeleerde heren, dr. Büchner, prof. Moleschott en prof. Haeckel binnengekomen waren en ze zouden schouderophalend, met een medelijdend glimlachje naar die twee woorden op het bord gekeken en tot den schrijver er van gezegd hebben: „Er is alleen maar stof en kracht, wees dus zo verstandig die twee woorden uit te wissen en uw leerlingen niet langer te misleiden” ik ben er van overtuigd, dat mijn oude meester dan als een tweede Luther triomfantelijk zou hebben geantwoord: „Die woorden zullen blijven staan! Gij, mijne geleerde en hooggeleerde heren, gij zijt het, die de jeugd misleidt door uw gepraat van enkel stof en kracht!”

Het woord van den bekenden ethicus F. W. Foerster zou daar weer bewaarheid zijn: „Zodra de mensen over God gaan spreken, beginnen de misverstanden”. Vondel en de Dageraadsman, mijn oude meester en Büchner met zijn geestverwanten, ze spreken over hetzelfde, maar noemen het verschillend, omdat zij verschillend zijn ingesteld tegenover datgene, waarover zij spreken. Men zou het een verschillend gezichtspunt kunnen noemen.

Met dit misverstand is een ander verbonden, waarvoor wij ons ten zeerste hebben te hoeden. Bij velen, zowel gelovigen als atheïsten n.l. bestaat het misverstand, aisof iemand, die in God gelooft, persé een beter, zedelijk hoger staand mens zou moeten zijn dan een mens, die zegt: Er is geen God. Dit is onjuist. Het is de vraag of b.v. dr. A. Kuyper en Luther betere mensen geweest zijn dan Karl Marx en Bakounin. Mijn oude meester was een driftkop en hij heeft eens een jongen uit mijn kias, die van andere leeriingen mooie potioden gekaapt had, behandeld op een wijze,, waarvan ik gruwde. Maar ik was en blijf hem dankbaar voor zijn godsdienstig onderwijs en vooral daarvoor, dat hij mij in mijn jonge jaren die twee woorden heeft voorgehouden, ook al heeft hij mij de consequenties daarvan niet aitijd voorgeleefd (wat ik evenmin gedaan heb).

Wanneer nu iemand, na dit ailes gelezen te hebben mij zou vragen: „Wilt ge dus beweren, dat het de mens is, die God tot God maakt?” dan antwoord ik: Ja. En ik wil trachten aan te tonen, op welke grond ik dit beweer.

Gesteld, dat alle mensen op aarde zelfmoord pleegden of dat het hun gelukte (wat op ’t ogenblik het oogmerk is van millioenen) elkander door middel van gifgassen enz. totaal uit te roeien, dan zou onze planeet haar wenteling om haar as en om de zon blijven volbrengen. Planten en dieren zouden dan ook nog bestaan. Maar hier op aarde zou geen God meer zijn, omdat de mensen verdwenen waren. Zoals de Venus van Milo, toen ze nog niet uit de grond was opgedoiven, niets anders was dan een klomp marmer; zoals de Nachtwacht van Rembrandt op ’t ogenblik niets anders is dan een groot stuk linnen met verf besmeerd, maar deze beide werken tot kunstwerken worden, zodra een mensenoog ze aanschouwt (althans wanneer die mens vatbaar is voor ’t genieten van kunst), zoals in een lege kamer, waar de lamp brandt alleen maar trillingen zijn, die tot licht worden, op het ogenbiik, dat een mens, die niet blind is, die kamer binnentreedt, zo wordt de bovenmenselijke macht, die door iedereen als macht erkend wordt, tot God op het moment, dat een mens gelijk de dichter van psalm 8 in aanbidding uitroept: ~Hoe groot zijn uwe werken, o God! Wat is de mens, dat gij zijner gedenkt!” De gevoeiens van eerbied, ontzag en huivering, die door die Macht in het hart van mensen gewekt worden, maken die Macht tot God.

Hier moet ik weer even terugkomen op die ontmoeting met mijn zoontje. Terwijl ik nog nadacht over die op zichzelf zo onbeduidende

gebeurtenis, kwam ik tot de ontdekking, dat ik, dien hij zijn vader noemde, door mijn kind tot vader gepromoveerd was. Had ik geen kind, dan was ik alleen maar een man en geen vader.

Op dezelfde wijze zo dacht ik toen wordt God tot God door hen, die Hij geschapen heeft.

Zou dit ook niet de bedoeling zijn van de op ’t eerste gezicht zo wonderlijke woorden van den Duitsen mysticus Angelus Silesius, als hij zegt; „Ik weet, dat zonder mij God geen ogenblik kan leven.” En van Meester Eckart’s woorden: „Ik ben de vader van God. Ik baar Hem, die mij heeft doen geboren worden.” Gelijk ook onze dichter Jan Greshoff zegt:

„Ik keer naar huis en zie de wereld wenken. De mensen kunnen, moegereisd, per slot Met zwier en wijsheid leven zonder God. Maar God niet zonder mensen, die Hem

[denken.”

Tegen het woord denken heb ik bezwaar. Maar hierover in een volgend artikel dat zal hkndelen over Godsbegrip en Godsvoorsteliing.

P. ELDERING.

BOEKBESPREKING

Een bundel van Ragaz in het Nederlands

Bij zijn 70ste verjaardag in 1938 hebben de vereerders van Ragaz de uitgave van een bundel opstellen mogelijk gemaakt, die thans voor een deel vertaald en van een inleiding voorzien, onder de titel „Het Koninkrijk Gods” bij de Uitgeverij Ploegsma verschenen zijn.*).

Temidden van de stroom van stichtelijke lectuur, die een weeë nasmaak achterlaat, is hier een woord te beluisteren van een prediker bij uitstek. Ragaz moge meer zijn: theoloog, politicus, cultuurcriticus. De lezers van zijh „Neue Wege” kennen hem in die kwaliteit in zijn zwakte en in zijn sterkte. Maar Ragaz wordt pas Ragaz als hij predikt. Neen, niet preekt. Preken is het eindeloos laten doordeinen van de welluidende zinnen. Prediken is wat de profeet doet: één ding zeggen in verbijsterende gevarieerdheid. Banning, die de inleiding schreef, wijst er al op: Ragaz is ééntonig. Maar, zo voeg ik eraan toe, hij is nooit vervelend.

Zijn ééntonigheid geldt het Koninkrijk Gods. Overal, waar hij het leven met zeldzame scherpte ontleedt, daar geeft hij uitzicht op dat Koninkrijk. Hij doet dat op ontwapenende wijze. Zeker, er zijn vele bezwaren in te brengen tegen de manier, waarop hij alles in oppositie stelt tegenover dat Koninkrijk: èn de politiek, èn de kerk, èn de staat, èn de theologie: dat dreigt overspannen te worden. Maar het is het niet, omdat hier een waarachtige, deemoedige èn moedige overgave in het eigen leven achter voelbaar wordt.

Dat Ragaz zich voortdurend rekenschap geeft van de politieke situatie en van de mens in zijn concreet bestaan, spreekt voor ieder, die Ragaz kent vanzelf. Daarzonder zou hij geen Christen-socialist zijn. En daardoor dwingt hij tot luisteren, en kan men hem niet als stichtelijk afwijzen.

Ragaz ééntonigheid moge verhinderd hebben, dat hij de samenbindende figuur werd voor een christen-sociale wereldbeweging, elke christen-sociale beweging, zoals wij, religieussocialisten er ook een willen zijn, zou ver beneden de maat blijven, indien zij niet zéér aandachtig naar de profetische stem van dezen eenzamen Zwitser luisterde.

De vertaling van Mej. Dr. M. H. v. d. Zeyde is voortreffelijk. Evenals in het oorspronkelijke Duits, komen Ragaz’ woorden recht op de man af.

Een dief in de nacht mag een heie kastplank stichtelijke lectuur komen roven. Ik zal er geen aangifte van doen. Mits hij, naast twee of drie andere boeken, Ragaz’ bundel met zijn korte, felle, bewogen stukken maar laat staan.

L. H. RUITENBERG.

*) 1939. 256 pg. ing. ƒ2.50, geb. ƒ3.50.