is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 21, 17-02-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JlllDltriTriiniTiiiiiiiiriiiiiiii 111 lil I 1

Lenen en offeren

Een minister van finantiën heeft nooit, maar zeker in deze tijd niet, een makkelijke taak. Hij heeft te maken met ministers, die meer willen uitgeven, dan hij geoorloofd acht en met Kamerleden, die bovendien nog hem minder toestaan, dan hij voor de schatkist nodig heeft. Meestal zet hij een strak, streng gezicht, om kracht bij te zetten aan de noodzaak van zijn weigeringen en zijn eisen. We herinneren ons maar één minister van finantiën, die nu en dan te midden van zijn cijferredevoeringen een grapje wist te plaatsen en met een lachend gezicht zijn dubbele taak, om geld vast te houden en geld los te krijgen, verrichtte.

Ook al is in deze moeüijke tijd een sluitende begroting niet meer het eind der finantiële wijsheid, er is thans ook moed nodig, om geld uit te geven en schulden te maken, moed, die steunt op ernst en niet op luchthartigheid. Die moed toont thans minister De Geer. Hij is gekomen met een hele reeks voorstellen voor zwaardere en nieuwe belastingen. De noodzaak er van zal wel doen heenstappen over de bezwaren, ook al rusten ze op goede gronden. Bovendien heeft de minister een tweede vrijwillige lening uitgeschreven en thans opdat deze niet wederom maar voor de helft zal slagen, met de stok bij de deur, het dreigement van een gedwongen lening van 1% lagere rente, als de bezitters niet vrijwüiig willen lenen.

De minister had bij de eerste lening gerekend op de gemeenschapszin en de vaderlandsliefde, op de offervaardigheid der rijken en juist de rijksten bleken het minst bereid, om de staat een klein deel van hun geld te lenen. Een zwaar offer betekende deze lening immers ook niet; eer kon men van een veilige en behoorlijke geldbelegging spreken. Maar het is makkelijker, te juichen over de heldenmoed onzer voorvaderen en hun offers voor de zelfstandigheid en vrijheid van ons volk, dan de staat met geld te „helpen”. Overal hoort men daverende woorden over de prachtige geest onzer soldaten, hun bereidheid, om de vele zware lasten der mobilisatie zonder morren te dragen, maar zij, die geld hebben, bleken niet bereid te zijn, hun geld aan de staat te lenen, ook al waren de voorwaarden zeer aannemelijk. Er is ook reeds heel wat Nederlands kapitaal gevlucht om het gevaar der positie van een kleine, onzijdige staat tussen oorlogende machten beklemd. Het is zeker, dat er in ons land nog geld genoeg beschikbaar is, om de staat door deze moeilijke tijd heen te helpen. In handen van 816 miliionnairs in ons land bevindt zich 14% van het totale vermogen, dat onder de vermogensbelasting valt. Zij zouden in niets gebrek behoeven te hebben, al zouden zij de ƒ 300 mUiioen, die de minister thans vraagt, niet aan de staat lenen, maar schenken. Maar de vaderlandsliefde van velen, ook van minvermogenden is niet sterk genoeg, om de beurs open te krijgen.

De minister zal het met een zucht hebben neergeschreven; „De verwachting, dat ook in oorlogstijd een zuiver vrijwillige lening ditmaal een voldoende bevredigend resultaat zou hebben, is niet vervuld”.

De N.R.Crt. raadt een paar veranderingen aan in de voorwaarden van deze half-vrijwillige lening; dan zou volgens dit blad bij deze lening in geen enkel opzicht van een offer sprake zijn.

Bij de nieuwe belastingen zal echter ook de kleine man wel een offer moeten brengen; immers de benzine, koffie en suiker zullen duurder worden. In de oudheid offerde de

arme een duifje en de rijke een schaap of een rund, maar bij de indirecte belasting kent men geen offer naar offerkracht. De armen zullen echter over dit offer minder moperen en morren, dan de rijken over het offer der lening.

Prof. dr. N. J. Polak noemt het een eerste plicht voor een ieder, om, wanneer het vaderland zulks verlangt, een offer te brengen aan het welzijn van het gemenebest. Niet slechts op militair gebied, zo schrijft hij, ligt de bereidheid, die men mag verlangen, op velerlei wijze kan men tonen, voor de algemene zaak iets over te hebben. Hij is over die bereidheid van ons volk nog al goed te spreken.

„Gelukkig is er op menig gebied de goede wil, zelfs de heilige drang tot daden ten algemenen nutte”.

Maar hij erkent, dat bij de eerste lening een aantal, naar verluidde vooral kleinere beleggers, aan de eer en het welzijn van het vaderland welwillend een klein renteoffer bracht. „Doordat vele anderen zich afzijdig hielden, is thans directe of indirecte dwang nodig”.

De Marxistische gedachte, dat de arbeiders geen vaderland hebben, omdat het geboorteland hun geen werk en bestaan geeft, ziet de geestelijke waarde en band van het vaderland voorbij. Gelet op de uitkomsten van de eerste vrijwillige lening, die meer een voldoende geldbelegging dan een offer was, zou men kunnen zeggen: Hoe meer men van zijn vaderland ontvangt, des te minder heeft men er voor over!

Een vastenbrief

De Roomse bisschoppen zijn gewoon voor de vastenweken, waarin het lijden en sterven van Christus herdacht wordt, een open brief vol vermaningen tot hun gelovigen te richten. De Oud-Katholieke Kerk, waarin het gezag van den Paus ontkend wordt, al is haar inrichting nog in vele opzichten Rooms, die ook niet heeft het starre, onbewegelijke karakter van Rome, maar toegankelijk is voor nieuwe gedachten, vaardigt ook een herderlijke brief uit, die in al haar gemeenten wordt voorgelezen. In de vastenbrief, die zo Zondag voor een week werd bekend gemaakt, lezen we de opwekking, om vast te staan in het geloof, nu ons geloof in God des te meer gaat wankelen, naar mate de verwarring der wereld ons persoonlijk naderbij komt. De nood dezer wereld is het gevolg van onze verdeeldheid, heerszucht en zelfzucht, maar nu zijn wij zo vrijmoedig God te verdenken van gemis aan en onvermogen in leidende macht. Dan volgt deze prachtige getuigenis van een geloof, dat ook in de storm van deze tijden blijft staan. Ook het kwaad der wereld, onze verblinding en tegenwerking dienen mede den almachtigen Schepper en Regeerder van hemel en aarde, om Zijn doel te vervullen. God gebruikt zowel onze af en toe slagende pogingen, om de wereld een stukje op te bouwen als al het kwaad, waarmee wij de wereld radikaal dreigen te verwoesten. God gebruikt het een en het ander.

Dit is geen verstandelijke verklaring, het is geloof; het is geen oplossing als van een rekensom, maar het is een beschouwing der wereld en haar geschiedenis bij het licht der eeuwigheid. Het is een geloof, dat ons in deze tijd sterken kan, ook in trouw aan onze idealen en de strijd er voor en ons behoeden tegen verlammende angst en moedeloosheid of het nog grotere kwaad van onverschilligheid en cynisme.

Wij hebben hier geen geloof, dat uit benauwdheid en vrees geboren is, maar een geloof, dat benauwdheid en vrees leert overwinnen. Geen geloof van bange schapenzielen maar van dapper volhardende mannen.

Het probleem der Finnen

Men heeft opgemerkt naar aanleiding van de verdedigingsoorlog der Finnen tegen de Russen, dat zelfs in de moderne oorlog niet de meerdere machines en het grotere aantal maar de geest der strijders beslist. Aan de Finse geest is het zeker te danken, dat de Russen tot nu toe tegen een muur zijn gelopen, die ze niet konden doorbreken. Of de Finnen het op de duur tegen de overmacht van het aantal zullen kunnen uithouden, moet echter nog blijken. De uitslag van de strijd van zo menig in aantal zwakkere, die sterk stond in zijn recht, geeft te denken en te vrezen. Liefde voor recht en vrijheid, bereidheid, om het uiterste te doen voor de goede zaak van land en volk, zijn toch vaak met een nederlaag geëindigd. Al worden de Finnen gedreven en gesterkt door de gedachte, dat zij voor een heilige zaak strijden, zij brengen ons niet af van de overtuiging, dat de oorlog een zonde is en in strijd met de geest van Christus is. Zij hebben duizenden onwetende, arme Russen, slaven van Stalin gedood; zij hebben met hun machinegeweren ais gras door de zeis talloze levens afgesneden, weduwen en wezen gemaakt; zij hebben in de woede van het gevecht zeker niet aan Christus gedacht, ook al hebben zij voor het gevecht oprecht het Onze Vader gebeden. Ds. Riemens zegt dan ook volkomen terecht; Wie zich eenmaal waagt op het gebied, waar de ene brute kracht de andere tracht te overtroeven, waagt zich ook op het terrein van het demonische.

Hij herinnert zich, dat hij als jongen tijdens de Boerenoorlog in de kerk op de wijze van een psalm heeft meegezongen; Verdelg hun wederpartij.

Thans verklaart hij te geloven in lijdelijk verzet, niet in wapengeweld. De Boeren moesten het afleggen tegen de Britse wapenen, maar door geestelijke krachten draagt toch Zuid-Afrika een Hollandse stempel.

„Het recht hecht zich aan geestelijke factoren onder de volkeren en niet aan overmacht van wapenen”.

Geen oorlog is te voeren, ook al geldt het de meest rechtvaardige zaak, zonder den Satan als bondgenoot en hij krijgt bij nederlaag en overwinning zijn deel.

Een oud paard van stal

In een rede voor de anti-rev. Statencentrale-Oldebroek heeft oud-minister De Wilde een stokoud paard van stal gehaald. Wij meenden, dat het dier allang gestorven en begraven was, maar de stakker leeft nog, al kan hij nauwelijks de ene voet meer voor de andere verzetten en al is hij zeker niet in staat, om nog enig werk te verrichten. Het is het huismanskiesrecht, waarvoor een kleine veertig jaar geleden dr. Kuyper ijverde. Ijveren is wellicht te veel gezegd, want een warme en grote aanhang heeft het huismanskiesrecht nooit gehad. De Wilde verzekerde, dat de anti-rev. partij nog steeds voor het huismanskiesrecht is; er zijn echter moeilijkheden. Omdat men toch een individueel kiesrecht wilde, verzekerde hij verder, ging de anti-rev. partij met de invoering van het algemeen kiesrecht mede.

Dr. Kuyper heeft eens het huismanskiesrecht als het organische tegen het algemeen kiesrecht als het atomistische aanbevolen. Hij kende de magische werking van dikke, vreemde woorden. Atomistisch kiesrecht dat is immers om van te rillen. Het gezin is de cel van het orgaan, het levende lichaam der natie: daarom moet per gezin gestemd worden en natuurlijk komt het kiesrecht toe aan den huisman, het hoofd des gezins. Er waren nog allerlei voorstellen bij, om sommigen dubbel kiesrecht toe te kennen en ook om aan de weduwe, hoofd van het gezin, dat recht te geven. Ernstige kans heeft dit recht echter nooit gehad en hebben de anti-rev., hun ministers en coalitiegenoten ook nooit er aan gegeven. Het is wel erg slap, om van karakterloosheid niet te spreken, dat de anti-rev. volgens De Wilde met de invoering van het algemeen kiesrecht meegingen, omdat de meerderheid dit wilde. Beginseltrouw is anders!

Is het misschien, omdat de Veluwe van politieke en godsdienstige achterlijkheden houdt, dat De Wilde dit aftandse paardje in Nunspeet nog eens van stal haalde? J. A. BRUINS.