is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 23, 02-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergeven

Mt 18: 21-35. Toen kwam Petrus tot hem en zeide: Heer, hoe dikwijls moet ik mijn broeder die tegen mij zondigt vergiffenis schenken? Tot zeven keer toe? Jezus zeide: Ik zeg u, niet tot zeven keer, maar tot zeventig maal zeven keer. Daarom gaat het met het Koninkrijk der hemelen als met een koning die wilde afrekenen met zijn slaven. Toen hij met de afrekening begon, werd tot hem een gebracht die hem tienduizend talenten schuldig was, en daar hij niet kon betalen, beval de heer dat hij met vrouw, kinderen en al wat hij bezat verkocht zou worden tot delging van de schuld. Daarom viel de slaaf voor hem neder en zeide: Heb geduld met mij; ik zal u alles betalen. En de heer had medelijden met dien slaaf, liet hem gaan en schold hem de schuld kwijt. Maar die slaaf vond, toen hij buiten kwam, een zijner medeslaven, die hem honderd zilverlingen schuldig was; hij greep hem bij de keel en zeide: Betaal wat gij schuldig zijt. Daarom viel zijn hem te voet en zeide smekend: ~Heb geduld met mij; ik zal u betalen. Hij wilde echter niet maar ging heen en wierp hem in de gevangenis, totdat hij het verschuldigde zou betaald hebben. Toen zijn medeslaven zagen wat gebeurde, werden zij diep bedroefd en gingen alles aan hun heer mededelen. Nu ontbood de heer hem en zeide tot hem: Gil boze slaaf, die gehele schuld heb ik u kwijtgescholden op uw smeken; behoordet gij dan ook niet u te ontfermen over uw medeslaaf, zoals ik mij over u ontfermd heb? En in toorn leverde zijn heer hem over aan de gerechtsdienaren, totdat hij al het hem verschuldigde zou hebben betaald. Zo zal uw hemelse Vader u doen indien niet ieder van u van harte zijn broeder vergeeft.

Toen onlangs in een lezing het woord „gerechtigheid” genoemd was, en ook „mild-

De onbarmhartige dienstknecht

Rembrandt

heid”, maakte de nabespreking zich van het laatste met een zeker enthousiasme meester en liet de gerechtigheid voor wat zij was. Tot schrik van den inleider.

Want deze wereldwijde christelijke ontferming waartoe wij ons geroepen weten door Gods ontferming krijgt pas haar volle diepte naast en tegenover en boven de gerechtigheid. Wij leven in een maatschappij waarin onrecht en vernedering een vreselijk wantrouwen deden ontstaan tussen groepen van mensen, waarin wij dus onderling schuldig staan aan dat onrecht en aan dat wantrouwen. Nu is er de neiging, het milde vergeven te verengen tot persoonlijke vriendelijkheid, daarin te vluchten, en de schuld terzijde te schuiven. Of een ander voorbeeld daar heeft tussen mensen jalouzie en laster gewoed, en nu raadt men u met een glimlach aan iets te vergeven en te vergeten. Dan blijft er een dam van verzwegen gedachten en verleugening, die vroeg of laat weer onheil brengt. Zo gaat het wanneer de gerechtigheid vergeten wordt. Zo gaat het wanneer wij de tekst van het zeventig maal zeven keer los maken van zijn achtergrond.

Deze God die ons vergeeft, die ons de kans schenkt van een nieuw begin, is Jahwe die de zonden der vaderen bezoekt aan kinderen en kindskinderen. Het gaat niet zo vlot met Gods vergiffenis. Elke slordigheid, elke leugen, elk hard woord laat zijn merk in ons achter, verspert de weg tot de levensbron. En wee, als we het niet bespeuren, dan is de vergiffenis er enkel in de voortgang van het leven dat nog iets anders brengen kan. Gelukkig wie zich althans voor de mensen schaamt, misschien gaat hem dagen dat elke fout, jegens anderen, jegens zichzelf, schuld is voor God, voor den hoogsten rechter. Misschien groeit dan het berouw. Maar pas als het ondragelijk wordt, pas als de slaaf in het besef dat alles wat hij is of heeft op het spel staat, neervalt voor zijn heer; pas als hij daarbij oprecht belooft: Ik zal u alles betalen, en weet, dat hij slechts bij

genade leven kan, en om geduld smeekt, pas dan ligt de weg weer voor hem open. Pas dan ervaart hij hoe zijn koning vergeeft. Dan is er ook recht geschied: het onrecht is voluit erkend, wordt waar mogelijk vergoed, de juiste verhoudingen zijn hersteld, zij beantwoorden aan de innerlijke werkelijkheid.

Hoe hebben wij dan te vergeven? Vergeven is een hachelijk bedrijf vanwege het duiveltje der- hovaardij. Wie vergeeft speelt de mooie rol. Wie zich en zijn medemensen onder de norm der gerechtigheid tracht te zien, schijnt soms voor eigen zaak te vechten. Als het maar niet zo is! Vergeving tussen mensen treft alleen doel, bestaat eigenlijk alleen als de schuld met of zonder woorden erkend Is, misschien ook uitgedelgd wordt, als de weg weer vrij is, als men weer recht tegenover elkaar staat. Zo niet, dan is vergeving schone schijn, een aangenaam braaf gevoel. En toch, wij mogen den schuldenaar niet haten, niet vervolgen. Maar wel de schuld, wel het onrecht dat voortwoekert. Dan verdwijnt echter de schuldenaar min of meer uit het gezichtsveld. Leugen en hardheid mogen wij niet dulden, mogen wij niet vergeven. Maar wie scherp ziet, weet steeds zichzelf mee schuldig.

Het vermogen om anderen door echte persoonlijke vergeving op te heffen, en de drift om zonder zichzelf te sparen „op alle slakken zout te leggen” kenmerken een leven dat uitgaat van de ervaring van Gods ontferming, dat heenstreeft naar een afschaduwing daarvan.

Wij hebben onzen broeder van harte te vergeven.

Maar hij gooit achter een schutting vandaan met modder. Wat is nu vergiffenis? Het schoonmaken van onze kleren èn het voornemen nooit zo iets te doen, èn het besef dat zelfs deze onhebbelijkheid aan ons dierbaar ik niet vreemd is.

-- Maar hij veracht mij om wat mijn familie, mijn groep, mijn „soort” de zijne aandeden. Wat is vergiffenis? Het aanvaarden der verantwoordelijkheid, het goedmaken van wat „de onzen” misdeden. Hier valt niets te vergeven eer dat is gelukt.

Maar hij spreekt van berouw over iets dat ik nooit gemerkt heb. Hoe dan te vergeven? In een blijde lach omdat mensen samen verlangen kunnen naar een wereld waarin openheid zijn zal door het opruimen van leugen en liefdeloosheid, van troebele zelfzuchtige gevoelens en gedachten.

~Niet tot zeven keer, maar tot zeventig maal zeven keer”, eindeloos, zult gij vergiffenis schenken wie tegen u zondigen.

Wat voor vergiffenis van ons gevraagd wordt leert ons alleen de levende kennis van Gods strenge liefde.

F. KALMA—KOOPS.

Och, ware ik ongevoelig en mijn herte een steen bedegen'),

wanneer de boosheid bijten komt van die mij toegenegen

emdankbaar wezen moesten! ach! ’t en is geen een verschenen.

of, was er een, hij verre weg van hier is en verdwenen.

’n Ware ik maar gevoelig als ik tranen zie en lijden.

bereid om al dat doenlijk Is te doen en hen te blijden

die, troostloos zijnde, zeggen: „Helpt: u wille Ik al mijn leven.

bédanken!” Neen, beloven is een ander ding als geven!

Ach, weze dan mijn herte zo ’t voor u, moet zijn, o Vader,

die meer mij als ik immer mocht

verdienen, altegader

ontvangen liet; die vrolijk zijn mij doet, mijn herte pramend

en al te menig keren mijne

Ondankbaarheid beschamend!

G. GEZELLE.

') geworden