is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 26, 23-03-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JlllDiririTifilliriimiiiiiiiiiHiiiii» |ll 111 11

Staatsgevaarlijk

Minister Gerbrandy doet aan minister Heemskerk denken; beiden gereformeerd van religie en anti-revolutionnair van politiek. Op het terrein van deze beide richtingen is de humor zeldzaam en valt hij des te meer op. Men heeft Heemskerk den vertegenwoordiger van het jolige Christendom genoemd; minister Gerbrandy is minder zwierig en elegant in zijn geestigheid, hij houdt meer van een grap in volkstoon. De eerste was een kunstenaar in fijne zetten, de laatste is meester in moppigheid. De juristerij is vaak taai en droog en mag wel eens gekruid en smakelijk gemaakt worden. Humor betekent geen afwezigheid van ernst. En daaraan ontbreekt het minister Gerbrandy ook zeker niet. Hij ziet het in deze tijd bijzonder grote gevaar van misdrijven tegen de staat, zijn veiligheid en kracht; het aantal staatsgevaarlijke personen is het grootst, wanneer er bijzondere gevaren voor de staat zijn. In oorlogstijd komen de spionnen los, krijgen zij veel extra werk, sluipen en loeren en luisteren zij. Ons oordeel over spionnenwerk is sinds onze jeugd veel veranderd. Door lectuur over oorlogsverhalen was de spion eens voor ons de held. Hij deed zijn werk met grote sluwheid en onverschrokkenheid en leefde en werkte te midden van avontuur en gevaar. 'Zo was de spion, die ons land en ons leger diende. De spion in dien.st van een vreemde staat tegen de onze was natuurlijk een verachtelijke schurk, die verdiende subiet neergeschoten te worden. Er was natuurlijk enige grond voor dit grote verschil van waardering. Spionnage in dienst van een vreemde staat is verachtelijker dan spionnage voor eigen volk; ook maakt het groot onderscheid of de spion met zijn werk eigen land en leger of eigen beurs wil helpen. Men heeft den spion wel eens het oog van het leger genoemd. Dan spreekt men echter liever van verkenner, hoewel deze ook met de sluwheid, de leugenachtige list van den spion moet werken. Met de gewone zedelijke wetten kan men echter geen oorlog voeren; als men ze laat gelden tegenover den vijand, is oorlog onmogelijk. Niemand zal over den verkenner in militaire dienst anders oordelen dan over den gewonen soldaat. Een leger moet de bewegingen van den vijand, zijn plannen, de door hem aangelegde militaire werken zo goed mogelijk kennen om hem te kunnen tegenhouden of verslaan.

Er zijn tegenwoordig onder ons mannen aan het werk, die voor een andere staat spionneren op ons gebied, omdat dit goed betaald wordt of omdat zij de zaak van die andere staat stellen boven die van hun eigen volk. Het eerste is nog verachtelijker dan het laatste, maar ook het laatste is verraad tegenover de volksgemeenschap, waartoe men behoort. Bovendien is dit spionnenwerk gevaarlijk voor de staat en daarom wil minister Gerbrandy de strafmaat inzake spionnage belangrijk verhogen. Maar hij heeft ook aangekondigd, de bevoegdheid te zullen vragen om door en door staatsgevaarlijke individuen, die men niet onder een wetsartikel kan vangen, door middel van internering onschadelijk te maken. Zo grote macht zouden wij den minister niet willen geven. De persoonlijke vrijheid wordt beschermd door de wet en ook door haar opgeheven. Zij mag niet afhangen van het persoonlijke oordeel van, een minister. Wij vertrouwen, dat deze minister geen misbruik zou maken van deze buitengewoon grote macht. Maar men moet een minister geen onbegrensde bevoegdheid geven omdat hij het is; men geeft de grote macht niet aan een maar aan den

mmister. In ~Volk en Vaderland” zijn meer malen mannen staatsgevaarlijk genoemd, die wij tot de beste leiders van ons volk rekenen. Men heeft zelfs al een candidatenlijst voor opname in een concentratiekamp, bestemd voor de felste bestrijders van de N.S.B. Ook staat men in deze tijd van angst en spanning wel wat gauw klaar, een uiting of streving staatsgevaarlijk te noemen.

Naar de kelder!

Onze taal is doorspekt met zeemanstaal. De zeevaart heeft altijd in ons volksleven een grote plaats ingenomen en zo spreken we vaak zeemanstaal, zonder het te weten en zeggen zelfs tegen een vriend, die uit vrees voor zeeziekte zich niet op een rustig meertje waagt; Vaarwel! De uitdrukking; naar de kelder is ook ontleend aan het zeemansleven; de bodem en diepte zijn de kelder der zee. Wij gebruiken het woord vaak als een beeldspraak in de tweede graad en denken niet aan verzinken en verdrinken in letterlijke zin, maar aan verloren gaan en vernietigd worden. Een deel van onze toch al niet grote welvaart gaat naar de kelder, nu zovele van onze schepen naar de kelder gaan. Als uit de luidspreker klinkt; Het ton metende Ned , weten we de ' rest wel. In de „N. R. Ct.” zagen we een lijstje van schepen, in één week aan een oorlogsdaad ten offer gevallen. Dat is het werk dus van torpedo, bom en mijn. Vroeger belegerde men een stad en zorgde, dat er geen voedsel binnen kwam en poogde door uithongering tot overgave te dwingen. Thans doet dit staat tegenover staat met de meest moderne middelen, maar het is dezelfde methode. In een week gingen zo verloren twee Duitse, vijf Engelse en twee Nederlandse schepen. Sinds September gingen 23 Nederlandse, 205 Engelse, 62 Duitse, 138 Scandinavische schepen naar de kelder. Honderden zeelui verloren daarbij het leven; zonder de moderne hulpmiddelen voor schip en man in nood zou dit aantal nog veel en veel groter zijn. Enkele schepen voeren in ballast maar met de meesten werd de kostbare lading van graan, olie, kunstmest, wol, kolen en stukgoederen van allerlei aard vernietigd. Het leed van het slagveld is verschrikkelijk, maar hoe groot is ook niet de nood, zorg en angst en rouw bij hen, die thuis blijven. Wij mogen al buiten de oorlog blijven, maar de neutrale landen zullen een steeds groter deel van de nood, door de oorlog ontstaan, moeten dragen. Prof. FranQols, een onzer specialiteiten op het gebied van het volkenrecht, verklaart de zeeoorlog, waardoor ook staten, die in vrede verkeren, moeten lijden, uit de volgende factoren; de geringe kracht, die de neutralen kunnen ontwikkelen, de toenemende invloed der economische factoren bij de oorlogvoering, het steeds meer betrekken der burgerbevolking in de oorlog, de invloed van de luchtoorlog, de practijk van de bewapening der koopvaarders, de onmogelijkheid om de blokkade te handhaven, door nieuwe oorlogsmiddelen. Daardoor wordt de rechtstoestand op zee steeds kleiner en blijft er weinig van over. Ook hier moet in de oorlog recht wijken voor geweld en belang.

Het volkerenrecht is nog zeer zwak; zijn bepalingen zijn voor een deel te vaag of slechts door enkele staten erkend. Bovendien ontbreekt de macht om dit recht te handhaven geheel; het kan straffeloos geschonden worden. De neutrale, zwakkere staten kunnen niet anders doen dan eindeloos protesteren, maar er wordt weinig of geen notitie van genomen. Hoe langer de oorlog duurt, des te meer zwijgen de wetten. Maar al is de stem van het recht

zwak en gaat ze in het oorlogsgeweld vrijwel verloren, zwijgen mag ze niet. Wie zwijgt, stemt toe. Waar onrecht geschiedt, moet protest gehoord worden. Het ergste zou wel zijn, dat zelfs ieder besef van recht en geloof in recht naar de kelder ging.

Wel ver lijkt nog de tijd, waarin niet alleen de oorlog aan bepaalde regels ook ten opzichte der onzijdigen gebonden zal zijn en die banden worden erkend en geëerbiedigd, maar ook het volkenrecht iedere oorlog veroordelen en verhinderen zal, omdat dat recht macht zal zijn en niet, als thans, macht recht steeds meer verdringt.

Volksbond tegen drankmisbruik

Deze bcnd staat niet op het beginsel der geheelonthouding. In lokalen, door deze vereniging geëxploiteerd, wordt wel bier geschonken, behalve als zij bestemd zijn voor beroepschauffeurs, want de bond aanvaardt het; Geen alcohol bij snelverkeer! De bond doet goed werk, door te streven naar het oprichten van gymnastiekclubs voor militairen, het inrichten van tehuizen en cantines en door de volkshuizen, waar arbeiders voor weinig geld eten, drinken, rust en gezelligheid kunnen vinden. Hij bestrijdt meer de omstandigheden, die tot drankkwaad kunnen leiden, dan dat hij het drankkwaad direct aanvalt. Zwak blijft echter zijn standpunt, de matigheid en het toelaten van bier en wijn en andere zwak-alcoholische dranken. In de wijn- en bierlanden heerst ook alcoholisme, al het lichamelijke en zedelijke kwaad, de sociale en persoonlijke ellende van de alcohol. Het is' ook niet waar, dat wijn en bier daar de sterke dranken verdringen. De bierdrinker in Duitsland gebruikt ook Schnapps en de wijndrinker in Italië en Frankrijk laat gedistilleerd niet staan. Vooral nu het alcoholgebruik ook in ons land weer toeneemt en de nood en angst velen zullen doen grijpen naar de bedwelming en verzachting door de alcohol, is het nodig, dat wij niet met halve middelen, maar radicaal dit kwaad, dat terecht volkskanker genoemd is, blijven bestrijden.

Als er gaten in een dijk zijn, moet men geen schuttingen tegen de stroom oprichten en zelfs niet één gat pogen dicht te krijgen, maar de gehele dijk met alle nuttige middelen herstellen, opdat de vloed wijke en overwonnen worde!

De invloed van de oorlogstoestand op de kleding

Zo sterk is de mode, dat zij zich ook nog in oorlogstijd doet gelden. In deze tijd worden kleurige tentoonstellingen van de dameskleding voor de zomer gehouden. Men omhangt er geen wassen poppen mee, maar meisjes dribbelen, trippelen en maken gebaren, opdat de nieuwe kleren op hun best uitkomen zullen. De beschrijvingen van de modeshow zijn voor mij Russisch; de meeste woorden erin versta ik niet. Wat zijn een afgeknoopt tablier, witte organdi, een streng getaillleerd jasje, rosé moiré en goud lamé swaggers en een Schotse kilt? Men ontdekt toch telkens weer lelijke gaten in zijn algemene ontwikkeling! Bijna altijd sla ik de verslagen van dergelijke modetentoonstellingen over, maar toevallig las ik in een ervan, dat een militair accent zich in de mode openbaart. Er zijn een blauw-grijze kepi, koperen knopen op het complet, een linnen overhemd, op de schouders epauletten van bruin koord en een staande kraag; bij een uitspringende plooi in de rug ziet men marineknopen.

De uniform neemt thans in ons leven en onze wereld een grote plaats in. Wij zien ze met de gedachte, dat de mannen ze spoedig mogen afleggen en het vrede zal zijn. De mode wordt ook door de tijdgeest beïnvloed en nu zovelen militair zijn, neemt zij ook een militair accent aan. Zo zien de dames er soldatesk uit, ze lijken een beetje op de Finse Lotta’s. Maar de gruwelijke ernst van de oorlog zal toch zeker wel de meeste vrouwen weerhouden om tot pronk hun kleding naar die der soldaten te richten. Wij zien liever de zwijgende stoet van de vredesgang der vrouwen zonder bloemen en vaandels en opschik, dan behaagzieke dametjes, die met uniformnabootsing coquetteren.

J. A. BRUINS.