is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 30, 20-04-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEZORGDHEID

„Weest dan niet bezorgd voor de dag van morgen elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad”. (Matth. 6:34.)

Dat er waarheid in dit woord schuilt, kunnen wij gemakkelijk inzien. Gij kent allen wel de mensen, die op een praeh» tige zomeravond uw en hun eigen vas cantiegenoegen bedierven door hun om ophoudelijke verzekeringen, dat het weer zou omslaan: de wind was om, de zon was achter een zware wolkbank ondergegaan enfin U kent het lied.

Dat het dwaas is je gemoedsrust van vandaag te laten vertroebelen door bes zorgdheid voor een toekomst, die je niet kent, verstaan wij wel.

Wij weten ook, dat alleen de noden van vandaag werkelijk zijn, die van morgen zijn altijd denkbeeldig. Want wij kennen de toekomst niet. Het blijft bij een „misschien”, op zijn hoogst een „waarschijnlijk”.

Toch nemen die denkbeeldige zorgen voor de toekomst gewoonlijk veel groter plaats in dan die van vandaag. Zij zijn ook groter: die van vandaag vallen in de regel wel mee, die van morgen lijken onoverkomelijk, zij zijn als een loden last, die ons neerdrukt. Dit is allemaal gemakkelijk in te zien.

Toch staan wij innerlijk vreemd tegem over bovenstaand Evangelie=woord. Het is als komt het uit een andere wereld. Wat moeten wij er mee aanvangen in onze wereldmü? Wij waren zeer bezorgd in de afges lopen weken.

Waren wij het ten onrechte? Stond er niet onnoemelijk veel op het spel? Polen, daarna Finland, toen ken en Noorwegen.... Hebben wij ten onrechte gevreesd: nu wij..?

Wij dachten aan Warschau, aan het onuitsprekelijke lijden van Finland, uit Noorwegen ontvingen wij nog weinig berichten, maar wij konden er wel iets van vermoeden.... Zou ook hier de hel losbarsten?

Wij zijn bezorgd geweest. Wij zijn het nog. En we kunnen ons plezier waarlijk wel op. Weest dan niet bezorgd voor de dag van morgen.. het woord irriteert ons, het trekt ons, in onze bezorgdheid, teges lijkertijd aan.

Het is ook niet in te zien, waarom dit woord niet ook gelden zou voor onze situatie in onze tijd.

Waren de tijden vroeger beter? Niet bezorgd zijn voor de dag van morgen dat is per slot een woord van geloof.

De gelovige piekert niet over morgen. Hij weet, dat de toekomst onzeker is. Altijd. En hij heeft er vrede mee. Hij weet ook niet welke mogelijkheden er dan nog zullen zijn. Maar hij gelooft, dat ze er zullen zijn.

Want de gelovige is ook de vertrous wende, die vertrouwt, dat er steeds, hoe dan ook, een uitweg is. Hierin is hij als een kind. Een kind plukt de dag, het leeft van de ene dag in de andere. Denkt het aan de toe* komst, dan als aan een land van onbe*

grensde mogelijkheden, waarin het dit zal doen en dat.

Wordt ’t al door volwassenen aan de kwade kansen van morgen her* innerd, dan is toch in een kind het onbe? redeneerde vertrouwen, dat er ergens, hoe dan ook, wel een uitweg is. Meer dan een volwassene heeft een kind vertrouwen in de essentie van het leven, vertrouwen, dat het leven in wezen goed is.

Ook de gelovige aanvaardt het leven. Want hij kan niet anders dan geloven, dat dit leven, met zijn goed en kwaad, met zijn smart en vreugde, in God ges borgen is en dus zin heeft.

Daarom aanvaardt hij de toekomst ook, nog voor hij zich van die toekomst rekenschap gegeven heeft. „Zouden wij het goede van God aannemen en het kwade niet?” En daarom richt hij zich op het heden, hij verrieht zijn werk, doet wat zijn hand vindt om te doen.

Er is genoeg te doen: „Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad”. Wel zo= veel, dat er weinig tijd blijft over mor= gen te piekeren. Weten wij hiervan?

Dan toch altijd op de wijze van de vader uit het Marcussevangelie (9:24): „Ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp”.

Maar ook zo weten wij, dat het waar is: „Weest niet bezorgd voor de dag van morgen ” En de waarheid hiervan te weten is nu, in deze tijd, reeds veel. D. OOSTEN.

Ldfon Wö nist mst Ldieri we mer mer onze scnanae fo re Koop lopen.

Als ik „verstandig” nadenk over de vrouwelijke vrijwilligers, kom ik tot de slotsom: er is niets tegen. Als ook in ons Isind de oorlog komt, als de gewonden om hulp roepen móet er geholpen kunnen worden. Dat moet vooruit georganiseerd zijn. men moet weten, wat er in bepaalde gevallen gebeuren moet. De hulp aan oorlogsslachtoffers kein als de oorlog woedt, niet opgeheven worden.

Dus? Maar als ik dan de conclusie moet trekken, dat ik mij ook bij die vrouwelijke vrijwilligers hoor te scharen, ben ik niet langer „verstandig”, maar wordt het een gevoelskwestie. Ik wil het grote woord gewetenskwestie hier niet gebruiken; Het gaat hier niet om mogen of niet mogen. Ik mag mij wel voorbereiden iemand te helpen, die in nood zai verkeren. Ik aanvaard geen noodzakelijke en geen rechtvaardige oorlogen, maar de realiteit van mensen die om hulp roepen heb ik wel te aanvaarden. Het hangt er maar van af hoé ik mij voorbereid. En juist om dat „hoe” komt mijn gevoel in opstand.

Er zijn in alle oorlogen „dames” geweest, die zich verdienstelijk maakten. De goede engelen achter het front, die sokken breiden en pluksels maakten. Ze waanden zich nuttig en waren trots op hun schone taak. Ik moet denken aan het stukje, dat Aart van Dobbenburgh enige tijd geleden' in dit blad schreef, het stukje over zijn „tante”, die door het uitbreken van de ooriog zich kon werpen op de schone taak van breien voor de soldaten. ’t Was wel een meedogenloos stukje. Meedogenloos voor de „tantes” dan. Die goeie, ouwe mensenl hebben het toch al zo akelig in hun dor, grauw bestaan

Ik heb wel met hen te doen. maar ik zou toch niet met hen samen willen werken bij de vrouwelijke vrijwilUgers. In een „veelgelezen” dames-weekblad stond

een artikel over de vrijwilligers, met piaatjes opgesierd. Zie je, het is toch mooi werk Om je in dit werk nog te wilien laten interviewen en fotograferen! Als het dan noodzakelijk is, laten we het dan héél stil en héél beschaamd verrichten. En zo vlug mogelijk. om het dadelijk weer uit onze gedachten te zetten en die gedachten te richten op levengevende krachten, op opbouw en vrede. Het is nog al iets moois, dat de vrouwelijke vrijwilligers nodig zijn! Het blijft werk onzer schande. Nog eens: ik heb met hen te doen en nog eens: mijn geweten verbiedt me niet dit werk aan te pakken, maar de sfeer waarin dit geschiedt, hindert. Ik zou ook niet goed weten hoe ik zou moeten „samenwerken”. Samenwerken is iets moois op zichzelf, het brengt blijdschap en verbondenheid mee, het heeft plaats voor gezelligheid en een grapje. Zo zal de samenwerking van de vrouwelijke vrijwilligers ongetwijfeld ook zijn. dat kan niet anders. Maar ik zou mij daar niet in kunnen vinden. Het doel waarop dit werk gericht is. is te afschuwelijk om in het werk iets van voldoening, iets van blijdschap te kunnen vinden. Als ik iets zou moeten doen, dan: heel gauw, heel stil en heel verslagen, omdat mensen tot zoiets kunnen komen. Ik zou mij zeker niet hebben laten fotograferen. Een moment waarin je je diep schaamt, is ook juist niet het moment waarin je jezelf „vereeuwigd” wilt zien.

En nu zullen allen, die het niet met mij eens zijn, weer komen aandragen met hun argumenten wat verpleegsters en brandweermannen en zo dan wel moeten. Kunnen die dan ook niet gezellig samenwerken, is er voor die mensen dan ook nooit reden tot blijdschap en liefde tot hun werk? Natuurlijk wel. Maar de verpleegsters hebben niet eerst de zieken ziek gemaakt en de brandweermannen hebben de brand niet zelf aangestoken. Het leven zelf brengt ziekte en dood. Wie daar heipen en verzachten kan, heeft zijn taak in het leven, heeft zelf ook deel aan dat leven met al wat het te bieden heeft, ook het goede. Maar de rampen, waartegen wij dan iets zou\

den doen, komen niet voort uit het leven ze komen voort uit onze eigen zonde Ons werk i^ niet enkel ernstig, het is in de eerste ulaats afsehuwelijk. Niet omdat er ais het werkelijkwordt bloed zal vloeien, maar omdat dat bloed vloeit door onze schuld,

Laten we aani luchtbescherming, enz. vooral geen minuut meer tijd besteden dan nodig is. hebben al onze minuten nodig om met te zoeken naar een betere vorm van samenleving, waarm plaats zal zijn voor een niet zo makkelijk als breien. Maar het ligt wel meer op de weg van een verantwoordelijk mens. Het gaat er met om de ooriog zo dragelijk mogelijk te maken, de oorlog blijft even vreselijk, ook al z

Als men mij betrekken wil in luchtbeschermings-oefeningen, als ik mij bezig moet houden met gasmaskers, emmertjes zand en wat dies meer zij. dan is mijn reactie om dat alles af te wijzen en dan kan ik prof. Heering hartgrondig nazeggen: „Ik stik liever in zo’n wereld!” Er is dan toch iets in me dat zegt: ~dat mag je niet doen, je schakelt je in in die wereld, die naar de ondergang gaat. Je moet bouwen en niet ondergaan”. Dan wordt het toch zoiets als een gewetenszaak. Maar omdat ik toch niet van anderen mag verlangen, dat ook zij liever zullen stikken en omdat ik ondanks mijn' vurige hoop van het tegendeel er niet helemaal zeker van ben, dat ik op het critieke moment niet zal proberen het gasmasker van mijn buurvrouw te gappen ja, daarom

Het is al onze schande, dat we over zulke dingen denken moeten. Als we weten iets te moeten doen, lèten we dat dan doen. Zonder ophef. stil. beschaamd. Laten we er over zwijgen. En elkaar iets vertellen van onze wil naar vrede, naar harmonie. Van onze bestemming, waar we nog zo heel ver van af zijn. bEP OTTEN.