is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 33, 11-05-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat geeft ons in deze tijd de onontbeerlijke moed?

„Stelt u hem dan voor, die stands vastig verdragen heeft, dat zondaren hem op zulk een wijze tegenspreken: dan zult gij niet verslappen, moede: loos van hart (Hebr. 12:3).

Pinksteren wordt vaak het feest van de daadkracht genoemd. Maar onver* zettelijke daadkracht wordt alleen ge* boren in een moedig en gelovig hart. We kunnen niet ontkennen, dat velen de moed bij de dag ontzinkt, dat zij het geloof verliezen.

Er is een zenuwenoorlog bezig, die zich speciaal richt tegen hen, die zich nog bewust Christenen noemen. Niet omdat die naam hun toekomt, maar om* dat deze naam hun diepste levensover* tuiging uitdrukt. Er wordt een steeds herhaalde aanslag gepleegd op de ge* loofskracht en het liefdevermogen van deze mensen, waar ter wereld zij zich mogen bevinden. En deze aanslag wordt sluw en langzaam, en zeer voorzichtig voorbereid. Men weet de geesten met bepaalde gedachten te vergiftigen, men begint met twijfel te wekken aan onom* stotelijke zekerheden, men tast haast onmerkbaar de klaarste overtuigingen aan. En wacht dan het verloop van deze infectie af. Waar de geest ziek genoeg schijnt te zijn geworden, en de gewetens* zekerheid langzaam afsterft, kan dan een snelle en gemakkelijke overwinning worden behaald. De tegenstand van het moedig geloof is gesloopt voordat hij zich heeft kunnen openbaren. Laten we twee van de meest infecterende gedach* ten noemen, die in omloop zijn en die steeds meer het geloof en hèt geweten aantasten:

1. Men kan niets doen tegen het on= vermijdelijke; en onvermijdelijk is het recht van den sterkste; onvermijdelijk is het succes van den machtigste.

2. Daad werkelijk succes is alles waard. 1 rouw aan Waarheid en Gerechtigheid is belachelijke zwakheid (cf. de „ave* rechtse naastenliefde”!), is onvergeef* lijke illusie, is den mens, den heldhaf* tigen mens ónwaardig!

Nu is er één ding, dat we grondig hebben geleerd. Men kan deze bewerin* gen niet doden door een logisch of zake* lijk tegenbetoog. Hun kracht is er juist in gelegen, dat ze zo handtastelijk reëel zijn. Zo gebeurt het toch maar; het onvermijdelijke gaat zijn gang, en het succes is alles waard, vooral als het de voorsprong der gewetenloze brutaliteit bezit.

Ons geloof wordt telkens overweldigd door wat er in deze werkelijkheid on* middellijk gebeurt, onze moed wordt verlamd. Want wat geeft het moed te betonen voor een overtuiging, die onder dergelijke aanvallen bezwijkt. In een rustiger tijd hebben we misschien vlot en argeloos beleden, dat God is mèt de zwakken en de ontrechten, dat Hij staat aan de zijde van het vertrapte recht en de geschonden waarheid en niet aan die van het triomferend geweld. En we heb* ben zelfs dit tragisch karakter van het Christendom liefgehad. Maar nu de realiteit ons deze éne waarheid voor*

houdt en telkens weer te doorproeven geeft, nu wordt het anders. Geloven wij slechts in een God, die zwak is met de zwakken, die het verliest met de ver* lorenen?

Hoe zullen wij het volhouden te leven en te werken voor wat misschien eeuwig maar niet voorlopig en onmiddellijk waar is? Waar halen we de moed vandaan om de honger en dorst naar Gods Ge* rechtigheid te laten branden, en ons niet te bedwelmen met lafenis van minder* waardig allooi? Waar halen we de voor den Christen onontbeerlijke moed, het onmisbare geloof en de onbezwijkelijke liefde vandaan om gehoorzaam te blij* ven tegen alle schijn in aan Gods heilige wil?

Daar is voor mijn overtuiging maar één krachtbron, waar ons dit alles wordt geschonken: Stelt u hem voor, die stand* vastig verdragen heeft, dat de zondaren hem op zulk een wijze tegenspraken: dan zult gij niet verslappen, moedeloos van hart (Hebr. 12:3).

Het gaat nu niet om theologische op* vattingen, om theoretische Christusbe* ■schouwingen. Maar het gaat erom, dat wij, hoe dan ook, het contact hervinden en herstellen met die geest van liefde en kracht, die ons bemoedigt om aan de waarheid vast te houden. De geest, die ons bezielt om nimmer de gerechtigheid prijs te geven, ook al boekt zij geen enkel resultaat, ook al moet zij wijken voor het grove gelijk der trouweloze succesjagers. Christus wordt wegge* drongen van deze aarde, tot er zelfs geen plaats meer is voor zijn voet om op te staan, enkel plaats voor het kruis, waaraan hij hangen moet. Welk een won< derlijke moed is het, die hem bezielt dan iets te vragen van God voor zijn vijan* den („Vader vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”), die alles wat zij wilden en wensten immers bereiken op bet ogenblik van zijn kruisiging?

Maar Christus gaat rustig en onver* biddelijk zijn gang. Hij betoogt niet, dat hij in zijn recht is, hij verdedigt zich tegen geen beschuldiging. Hij laat zijn tegenstander het voordeel van het on* middellijke, daadwerkelijke succes, hij laat het onvermijdelijke geschieden. Zo schijnt het, maar in dit zwijgend dul* den, in dit standvastig verdragen, in dit rustig aanvaarden gloeit heilige, moedige liefde, die nimmermeer vergaat.

Het wordt Pinksteren. Vlammen des gewelds dreigen een wereld te verteren. Wat valt er voor een Christen nog te doen dan zich terug te trekken, dan zo goed mogelijk dekking te zoeken? Pink= steren. Heilige Geest? Heilige daad? Gemeenschap? Hebben wij de kansen daartoe niet voorbij laten gaan? Wat is er nu nog mogelijk?

Stelt u hem voor, die standvastig ver= dragen heeft, dat de zondaren hem op zulk een wijze tegenspraken Gedenk hèm. Hier en nu op dit Pinks sterfeest. Vraag niet in het wilde weg om den Heiligen Geest. Maar verlang diep en hartstochtelijk, bid met brandende begeerte om een deel van dien heiligen geest, die in Jezus Christus

werkt, die hem bezielt en bemoedigt, die hem drijft en draagt dwars door dood en verderf. Gedenk hem, en zoek con* tact met hem, op welke wijze ook. Want de geest die in Christus werkt zal ook ons aanraken, de kracht die hem bemoedigt zal ook onze harten versterf ken. Een nieuwe liefde zal ons door» gloeien en ons vast aaneensmeden. Moed, geloof en liefde die tot alle ont« beringen en smarten in staat zijn.

Kom heilige Geest van Christus, sterk onze moed, vertroost ons ongeloof louter onze liefde! Leer ons van dag tot dag samen strijden en zo het moet lijden voor Gods Koninkrijk en Zijn Gerecht tigheid. E. B. A. POORTMAN.

Het polemisch hoekje

Een wachter op Slons muren

Onlangs is opgericht men heeft er ook in ons blad over gelezen een Religieus-socialistisch Zionistische gemeenschap. Hoewel deze groep nog generlei organisatorische band met het niet Joodse religieus-socialisme heeft gezocht, hebben wij onze vreugde over haar ontstaan uitgesproken. Sinds jaren hopen wij op het ontstaan van dergelijke werkgroepeh in andere kring dan de onze. En natuurlijk hopen wij dan op samenwerking.

Nu wordt daarvoor reeds onmiddellijk geloaarschuwd door S. Mok in „Koemie Orie”, het orgaan van het Joods socialistisch Verbond Poale Zion. De oprichting van de nieuwe groep doet Mok denken aan de „Tijd en Taak”- groep; dan gaat hij voort:

„Over deze groep en haar plaats in de socialistische beweging wil ik thans niet spreken. Ik aarzel evenwel geen ogenblik te verklaren, dat Joden in het algemeen, doch Zionisten in het bijzonder, bij deze groep niet thuis horen. Zij is, noemt zich althans, christelijk-humanistisch. Joden, die niet assimilatorisch zijn ingesteld, kunnen daarvan geen deel uitmaken. Het is verdrietig, dat het in deze moeilijke tijd noodzakelijk is, tijd en arbeid te gebruiken om tegen bepaalde Joodse stromingen op te treden.”

Tot zover Mok, die blijkbaar niet voldoende op de hoogte is. In de „Richtlijnen” van de Arbeiders Gemeenschap der Woodbrookers (die wel niet met de Tijd en Taak-groep samenvalt, maar feitelijk op dezelfde grondslag staat) heet het onder nummer 2:

„Ons verbindt het oprecht verlangen naar God, de bereidheid open te staan voor Zijn Rijk en Zijn wil te dienen met ons leven. Dit sluit in, ons geloof in de bestemming en de roeping van mens en mensheid tot gerechtigheid, vrede, vrijheid, liefde. Waar wij niet streven naar eenheid van belijdenis, is er in onze werkgroep plaats voor aanhangers van verschillende godsdienstige inzichten: kerkdijken en onkerkelijken. Protestanten, Katholieken en Joden, overtuigden en aarzelenden.”

Wij hebben aan het hier geformuleerde inzicht in ons practisch optreden steeds vastgehouden. Voor menig buitenstaander is daarbij de moeilijkheid, dat wij het zoeken naar een grootste gemene deler in geestelijke dingen dwaasheid achten; een mens kan alleen leven en handelen als hij ergens geworteld is. Voor den Zionist is dat zijn Joodse volk; voor den Christen-humanist zal het de Christelijke geloofsgemeenschap zijn.

Nu brengt onze methode van werken mee, dat wij ons eigen geloofsbezit rustig uitspreken, zonder het dwingend op te leggen. Daarom is er voor religieuze Joden, als zij in Nederland en in de socialistische arbeidersbeweging willen werken voor de versterking der religieuze krachten, plaats in onze groep. Al begrijp ik ten volle, dat zij méér nodig hebben (b.v. hun Zionisme). Zo hebben velen onzer ook meer nodig: b.v. de kerk. Maar dit is geen belemmering voor samenwerking met andere rel. soc.