is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 41, 13-07-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BINNENLAND

Eenheid In de kerk

Jaren geleden is er in een der Haagse kerken een samenkomst geweest van vertegenwoordigers der verschillende richtingen in de Ned. Herv. Kerk. Vrijzinnige, evangelische en orthodoxe voormannen van verschillende schakering bestegen achter elkaar de kansel en gaven een kort getuigenis. Het maakte de indruk van een wedstrijd in kanselwelsprekendheid. Wij herinneren ons van het gesprokene niets meer. Alleen één bijzonderheid is ons bij gebleven. ledere spreker deed het deurtje dicht, als hij de kansel bestegen had. Maar de gematigdorthodoxe spreker, we menen de Haagse predikant ds. Gheel Gildemeester deed het niet. En hij begon met het hoofd gericht naar het open deurtje ongeveer aldus: Zo moet het zijn in onze kerk; de kansel moet open staan voor alle richtingen! Dit getuigenis zei meer en maakte op mij een dieper indruk dan alle redevoeringen samen. Hier sprak een hoogheid van geest, die ruim en ver zag en voor wie de richtingsverschillen geen muren waren, die alle uitzicht benamen.

Nood verenigt en zo is in deze tijd ook in de kerk het verlangen naar eenheid toegenomen. Ook in het verleden was dit meermalen het geval. Onder allerlei oude geschriften vonden wij een schrijven van de Broederschap der Remonstranten aan alle leraren en opzieners der Protestantse gemeenten in Nederland. Het is van het jaar 1796; de taal en voor een deel ook de gedachten zijn anders dan de onze; zij zijn van een vroegere tijd en daardoor voor een deel ook uit de tijd. Voor ons geldt echter ook deze opmerking: „Het is toch openbaer, dat onze onderlinge verdeeldheid en afzondering tot eene zeer groote ergernis strekt, en van den schaedelyksten invloed is, zoo wel op velen der genen, die Jezus belyden, als op hen, die Hem miskennen en verloochenen.”

Velen wanen, „dat het geheele wezen des Christendoms gelegen is in een meerdere of mindere bekwaemheid, om over godgeleerde geschillen te hairkloven”.

Waerom zouden niet allen, die den naem van Jezus Christus welgemeend belyden, door den band der liefde vereenigd kunnen zijn niettegenstaende de verschillende begrippen, welken hen thands vap elkanderen afgezonderd houden? Daarom volgt in het schryven de opwekking:

„Dat wy ons, in een recht heiligen yver, vereenigen, om met samengevoegde krachten, en onder gedurige broederlyke opscherping, de eigenlyke eer en het waerachtig belang van Jezus Ryk te handhaven, en de gelukzaligheid van velen te bevorderen!”

De schrijvers zijn Remonstranten, een „toetoenaem, waardoor men ons van de Christenen van andere Gezindheden gewoon is te onderscheiden”, maar zij verzekeren, „voor Ulieden en voor allen plechtiglyk, dat wy liefst by geenen anderen naem, dan by den naem Christenen gekend en genoemd willen worden”. Het geschrift eindigt met de wens, „dat wy, met alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, malkanderen verdragen in liefde, ons benaerstigen, om de eenigheid des Geestes te behouden door den band des vredes”.

Deze geest spreekt ook uit het getuigenis, dat „de Ver. van Vrijz. Herv. in Ned.” dezer dagen publiceerde. Daarin wordt verklaard, dat het Evangelie in deze tijd als een sterkende en samenbindende kracht zal worden ervaren. De Ned. Herv. Kerk heeft in deze tijd de taak, onderlinge geschillen binnen eigen kring achterstellende, allen, die de naam van Christus willen belijden, in gemeenschappelijke arbeid voor ons volk te verenigen.

Dat in een tweetal grote orthodoxe stadsgemeenten thans het deurtje van de kansel voor vrijzinnige predikanten geopend is, bewijst, dat de drang naar eenheid door de nood sterker geworden is. Die eenheid betekent geen geesteUjke uniformiteit. Er zijn en blijven diepgaande versschUlen, maar die behoeven en mogen niet te leiden tot onverzoenlijke tegenstellingen, uitstoting en afzondering met alle lelijke, kleine gevoelens, die daartoe leiden

maar er tevens door versterkt worden. Het moet met de richtingen der Kerk gaan als met de vele laden, die toch gezamenlijk één kast vormen en men kan ook licht te pietluttig worden bij het sorteren en opbergen in de verschillende laatjes!

Politieke samenwerking

Dat Nederland, indien de Duitse bezetting opgeheven en onze zelfstandigheid hersteld zal zijn, niet meer het oude Nederland zal worden, staat wel vast. Het oude was waarlijk geen paradijs, over het verlies waarvan wij moeten wenen. In de politiek leefde en werkte men te zeer binnen de enge grenzen van het partijbelang en daardoor kwamen er geen grote dingen tot stand. Ook hier heerste de loketjesgeest. Het ging meer om het handhaven en behouden van het bestaande dan om het scheppen van nieuwe verhoudingen en toestanden. Idealen waren meer vlaggen voor feestelijke gelegenheden dan wegwijzers, die men trouw volgde. Hoevelen deden alleen om de vier jaar aan politiek en stelden er dan een beetje belang in en het was vaak niet veel anders dan sportbelangstelling of juister wedstrijdbelangstelling, of onze mannen en onze club het winnen zouden. Thans uit zich in de eigen rijen ook ontevredenheid met de socialistische beweging, zoals zij was. Een merkwaardige uiting daarvan lazen we in „Het Volk”:

„Het is de bewuste wU om de socialistische overtuiging in zo wijd mogelijk verband te plaatsen, haar los te maken van bindingen en beperkingen, die aan haar universele karakter te vaak afbreuk deden, haar aan te doen sluiten bij het denken en wiilen der besten uit de ganse geschiedenis der mensheid.”

Wij hebben behoefte, schreef de N.R.Ct., in een herleving van de publieke geest in geheel ons volk. Dat is de geest van verantwoordeiijkheid jegens maatschappij en staat en van roeping, om ze te dienen. Terecht wees deze courant erop, dat het geneesmiddel voor ons niet gelegen is in het kiakkeloos overnemen van ideeën en instellingen, die in andere omstandigheden, bij een andere volksaard en andere nationale traditie grote resultaten hebben te weeg gebracht. Verder schrijft de N.R.Crt.: „Waaraan wij behoefte hebben, is noch revolutie, noch blind vertrouwen in wien het hardste roept, dat hij het beter zal doen dan allen voor hem. Wij kunnen geen heU verwachten van het plots als „redders in de nood” aanvaarden van medeburgers, van wier vermogen om in het werkelijke leven iets tot stand te brengen, wij niets weten.”

In de laatste weken wordt de behoefte aan politieke samenwerking gevoeld en aangedrongen op het vormen van een nationaal blok of front. De „Maasbode” heeft er een appeltje van opgeworpen en dr. Colijn wil ook, dat de leiders der grote partijen de handen zullen ineenslaan en dat personen, die met recht namens een overweldigende meerderheid van het Nederlandse Volk kunnen spreken, een nationaal front zullen vormen.

Wij juichen dit streven toe op voorwaarde, dat het doel van deze samenwerking scherp en duidelijk wordt gesteld. Dr. Colijn wil niets weten van een van boven geleide volkshuishouding; hij wil aan de maatschappelijke krachten zoveel mogelijk vrij spel laten, maar sociaal-democraten en een groot deel der leden van de R.K. Staatspartij en de Chr. Hist. Unie en anderen menen daarentegen, dat de volkshuishouding toezicht en leiding en ordening nodig heeft en daardoor het best arbeid en kapitaal het algemeen welzijn kunnen dienen. Dit is een zeer belangrijk punt, een poUtiek vraagstuk van de eerste orde en politieke samenwerking zal onvruchtbaar zijn, indien men het hierover oneens is. Hier betreft het een principieel en diepgaand verschil. Maar tussen de politieke partijen zijn ook vele kleine en flauwe grenzen, die samenwerking in het geheel niet behoeven te belemmeren. De nood van deze tijd dringt tot een einde van allerlei geharrewar en stokpaardruiterij. Er zijn en blijven natuurlijk tegenstellingen, die in ernstige beginselen hun oorsprong vinden. Het politieke leven is gelijk alle leven niet mogelijk zonder verscheidenheid. Deze behoeft echter samenwerking niet uit te sluiten en eist deze zelfs, indien het gaat

om kostelijke goederen, zoals vrijheid en zelfstandigheid, het volkskarakter en heel de toekomst. J. A. BRUINS.

Verlangen naar God

De Psalmen van het Oude Testament spreken ons sterk aan in deze tijd, niet het minst door hun grote verlangen.

De dichter van de 42ste psalm maakt de indruk, een mens te zijn geweest in grote nood. Misschien was hij een vluchteling, een zwerver, die verjaagd van zijn geboortegrond, nu eenzaam en arm zijn onzeker bestaan voortsleepte ergens in den vreemde. En nu kwam uit de nood van dat gekwelde mensenhart een geweldige verlangenskreet op. Was het verlangen naar de dood? O, het zou begrijpelijk zijn geweest als het verlangen was naar de dood. Maar het verlangen van dezen mens bleek uit te gaan boven dood en leven, naar God. ~Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God.”

Verlangen naar God.

In het programma der Woodbrookers is het de centrale veronderstelling. leder is welkom op de cursussen, die komt in een oprecht verlangen naar God. Dat lijkt zo eenvoudig, zo weinig gevraagd, daaraan kun je allicht voldoen. Maar is dat waar? Is onze godsdienstige levensbeschouwing werkelijk een oprecht verlangen naar God?

Naar God, niet zoals wij willen, dat Hij is en doet, maar naar God, zoals Hij regeert op Zijn wijze, zoals Hij Zijn plannen voltrekt langs voor ons ondoorgrondelijke, verbijsterende wegen, naar Zijn vrijmachtig welbehagen, volgens Zijn oordeel, in Zijn heilige souvereiniteit?

Het verlangen naar God houdt ook in het verlangen naar Zijn Rijk. Want die zijn één. En God zoeken, dat is tegelijk Zijn Rijk zoeken, Zijn geest van liefde en waarheid en barmhartigheid, de heerschappij van Zijn wil. Verlangen is van grote betekenis in het leven. De grote levensgoederen worden ons pas geschonken als ons verlangen groot genoeg geworden is. Als we ons ernaar uitstrekken. Als we ernaar hongeren en dorsten. Als we er alles voor over hebben.

Het is, zoals het Evangelie zegt: wie zoekt, vindt; wie bidt, ontvangt; wie aanklopt, wordt opengedaan.

Is er daarom zo weinig geloof onder ons mensen, omdat ons verlangen ernaar zo gering is? Is er daarom zo weinig heilige geest, die het leven loutert en vernieuwt, omdat er zo weinig innig geleden wordt om dien heiligen geest?

Is er daarom geen vrede op aarde, omdat wij er niet genoeg naar hebben verlangd, wij die altijd weer zeiden, dat wij de vrede wilden, maar dat was blijkbaar niet brandend genoeg gewild.

Als wij dat brandende sterke verlangen naar vrede in ons hadden, dan kregen wij de vrede ook en leefden niet meer temidden van waanzinnig oorlogsgeweld.

Alle vooruitgang, alle ontwikkeling kwam altijd als de gewetens riepen en schreeuwden om verbetering. leder groot werk van barmhartigheid is door een groot verlangen naar barmhartigheid tot gtand gebracht. Alle maatschappelijke vernieuwingen zijn ontstaan door een hongeren en dorsten naar gerechtigheid. Zonder dat verlangen naar de dingen van Gods Rijk is ooit iets groots ontstaan, is nooit iets vernieuwd.

„Zalig”, zegt Jezus, „zijn de hongerenden en dorstenden naar gerechtigheid.” En een ander voegt aan de zaligsprekingen toe: ~zalig zijn degenen, die heimwee hebben, want zij zullen thuiskomen.”

Er zijn velen, die in deze verbijsterende tijd van hun zelfgenoegzaamheid zijn losgeslagen en iets van dat verlangen gaan kennen. Dan zijn er twee mogelijkheden, öf zij gaan verlangen naar de dood. „Nu mocht ik liever hier vandaan.” öf zij gaan verlangen juist nu in deze geschonden wereld naar de ongeschonden heiligheid van God en naar de zuivere innerlijke goedheid van Zijn Rijk.

Mij dunkt, vanuit dit verlangen, mag ook nu, juist nu, worden gehoopt.

A. M. L. FREVEL.