is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 47, 24-08-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I I \/_ _ XA/OOk Yan Vv“vsl\. Iwl yycdx

Vreemdelingen voor elkaar

Lang is het hart van Afrika voor ons onbekend gebied geweest. Men sprak van darkest Afrika (pikdonker Afrika) en gaf dit aan door een witte plek op de kaart. In elk mensenleven en hart zijn zulke witte plekken, een ondoordringbaar duister zelfs voor de allemaasten. Wij kennen elkander slechts zeer ten dele.

Zelfs in onze naaste omgeving, al is ze open en toegankelijk voor ons, zijn onbekende gebieden. Er zijn eilanders, die zelden of nooit bij de zee of in de duinen komen. Mensen, in onze hoofdstad geboren en getogen, die het Rijksmuseum alleen maar vluchtig aan de buitenkant hebben gezien. Algemeen ontwikkelden, die in kerkgangers duisterhngen zien en nooit een kerkdienst hebben bijgewoond.

Terecht zeide J. v. d. Kieft dezer dagen in een rede voor het Inst. voor Arbeidersontwikkeling: „Gehele groepen Nederlanders kennen elkanders gedachtenwereld niet. Behalve oppervlakkige ontmoetingen in het openbare leven, weet men niets van elkander af. Ook de christelijke groepen onderling niet.”

Daar onbekend onbemind maakt, werkt deze onkunde omtrent de beginselen en opvattingen van andersdenkenden de verdeeldheid sterk in de hand en is aanleiding voor veel misverstand en onjuist en onbillijk oordeel. Ook blijft men vasthouden aan het oordeel en vooroordeel, dat men zich eens gevormd heeft en houdt geen rekening met de veranderingen, die ook onder hen plaats grepen. De vrijzinnige Christenen maar ook de rechtzinnige van thans zijn anders dan die van een halve eeuw geleden. Hoevelen vrezen en haten en verwerpen het socialisme naar voorstellingen, die zij er zich jaren geleden van gemaakt hebben en naar uitingen uit zijn wilde begintijd. Nadat ik eens een toespraak bij een begrafenis had gehouden, zei een Gereformeerde tegen mij: Ik dacht, dat u alles wegwierp en er voor u geen eeuwigheid bestond! En meermalen hoorde ik over een socialist zeggen; Hij is toch wel fatsoenlijk man, waarmede te praten valt. Hij meent het zeker wel goed! Hij werd dan echter voor een opmerkelijke uitzondering gehouden; de rest bestond uit schreeuwers en opruiers.

Wij moeten dus op ontdekking uit en zo een geestelijke wereld leren kennen, die voor een groot deel dicht aan de onze grenst. Daarbij kan de leeszaal, een der mooiste instellingen van de moderne tijd ons helpe- . Ik breng er thans geregeld een middag in de week door en zie aandachtig naar de bladen en boeken en mensen. Onder de bezoekers zijn veel jongelui, die zeker ook op onderzoek uit zijn. Spreken is er verboden en denken gebeurt alleen in stilte. Ik weet dus niet, wat er in deze jongelui omgaat noch de richting, waarheen hun belangstelling uitgaat. Ze snuffelen, bladeren in allerlei bladen en tijdschriften; een enkele maakt daarbij notities. Het zijn spoorzoekers en jagers; waarschijnlijk zoeken zij zekerheid en antwoord op de grote vragen van de dag. Waarschijnlijk gaat het hun als mijzelf; telkens verwonder ik me over uitingen van gene zijde der bekende en toch onbekende wereld. Wat een verscheidenheid vormen al die geschriften van Jodendom en Calvinisme en Katholicisme, van eenheidsstreven en rasverheerlijking, van een ruime, frisse geest, die aan de zee doet denken en de geest, die lijkt op een dorpsstraatje, waar huizen en tuinen scherp gescheiden zijn door heggen en hekken, waaraan niets veranderd mag worden.

De ramen der leeszaal staan wijd open en ik zie van mijn krant op naar de eindeloze verten en hoogten van de hemel en de wind waait en verdrijft de boekenlucht uit de vele propvolle kasten en ik zie de eenheid van het heelal, die zelfs in de zaal is doordrongen en vind iets van die eenheid in al die bladen, zo verschillend van uiterlijk maar vooral ook van inhoud. De schrijvers komen naderbij, ik zie ze beter en begrijp ze beter

en doe zo enkele ontdekkingen in een onbekende of slecht gekende wereld. Prachtige instellingen zijn de openbare leeszalen, waarin het geestesleven niet gelijkgeschakeld wordt, maar in zijn grote verscheidenheid voor ons openligt en men ook de anderen leert verstaan en waarderen.

De leeszaal is een geestelijke volksgaarkeuken, waar men voor weinig of niets verschillende spijs eet en leert eten. Ze is als een belvedère (uitzichttoren) waarvan men wijd en zijd alles kan overzien en de gang der wegen en hun betekenis kan opmerken en vele nieuwe schoonheid ontdekken.

Samenwerking voor steun en troost

In een klein blaadje trof ons een grote advertentie. Ze was ondertekend door een aantal verenigingen en richtingen. Op het land is naar verhouding het aantal organisaties en geestelijke stromingen nog groter dan in de stad. Onder de advertentie worden genoemd: Afd. N. V.. Bond van Ned. Onderwijz., Bond van Overh. Personeel, Bouwvakarb., Chr. Landarb. Bond, Chr. Nat. Werkm. Bond, Doopsgezinde Gem., Geref. Kerk, Kerk en Vrede, Mod. Landarb. Bond. Ned. Herv. Gem., Ned. Werkliedenverb., Nuts-Departement, Ons Huis, Recht en Vrijheid, Roomsch Katholiek, S.D.A.P., Ver. Bellamy, Ver. Volksonderwijs en Vrijz. Democrat. Bond.

ónder leiding van den Burgemeester zullen al deze verenigingen en groepen een samenkomst in een der dorpskerken houden, waarin een lekepreekster het woord zal voeren en een Hervormd zangkoor zijn medewerking verleent. Het doel is volgens de advertentie;

„In de spannende dagen, die wij hebben beleefd, zijn wij ons allen bewust geworden, dat niettegenstaande de verschillen, die er tussen ons bestaan in wereld- en maatschappijbeschouwing, er toch een gemeenschappelijke behoefte bestaat aan geestelijke steun en troost ten aanzien van de grote gebeurtenissen van deze tijd.”

Om daaraan uitdrukking te geven, wordt de samenkomst op. een Zondagnamiddag gehouden. Samenwerking van zeer verschillende elementen voor een of ander stoffelijk belang: aanleg of verbetering van wegen, verfraaiing van het dorp door het aanleggen van plantsoen of park, het dempen van sloot of vaart, die meer modder dan water bevatten en voor reuk en gezondheid minder gewenst zijn, komt vaker voor, al moet men daarbij rekening houden met allerlei gevoeligheden en zorg dragen, dat alle richtingen ook gekend” worden en in de samenstelling van ”het comité hun plaats krijgen. Nog moeiiijker is echter samenwerking van geestelijke aard, gelijk in het bedoelde Friese dorp plaats vindt. Orthodox en vrijzinnig, christelijk en niet-christelijk, socialist en liberaal protestant en katholiek komen daar samen in hun behoefte aan steun en troost in deze zware tijd. Zij zulien die alleen vinden, indien zij weten te luisteren naar een taal die hun vrijwel vreemd is, zeker wat de woorden betreft. Zij zullen moeten weten te ontdekken, wat voor alle tijden en alle harten is. Roomse priesters hebben stervende soldaten vertroost, die niet tot hun kerk behoorden en ook Protestantse geestelijken Roomse soldaten in hun doodsstrijd en benauwdheid bijgestaan; zelfs zijn stervenden, die de taal van geen enkele godsdienst of kerk begrepen, in hun laatste uren gesterkt door een geloofswoord. De hogere eenheid boven de sterke en scherpe verdeeldheid in zake kerk, godsdienst en wereldbeschouwing kan dus gevonden worden. Zo zullen ook wel meerderen uit deze dorpskerk naar huis gaan met de gedachte: Ik ben inderdaad versterkt en vertroost met al die anderen, hoewei ik het niet gedacht had.

Er is een taal der menselijke ziel te horen in alle kerken en richtingen en verenigingen; het is niet makkelijk haar te vinden en te verstaan. Wie aandachtig luistert, zal ze echter vooral in dagen van strijd en nood horen. J. A. BRUINS

VERWERKEN

„Ik ben te oud, ik kan dit niet meer verwerken.”

Wie heeft het in deze dagen wel niet eens horen zeggen? Wie heeft er niet een brandend medelijden gevoeld met de oudere mensen, wie deze tijd te verwerken is gegeven, en tegelijk toch heel zeker geweten, dat hun redenering niet sloot? Alsof men, hoe jong en onverbruikt ook, ooit voldoende lenig van geest kon zijn voor zulke sprongen. Alsof men in de kracht van zijn leven, ooit een innerlijke weerstand kon hebben, tegen zulke slagen bestand!

„Ik kan het niet verwerken, het gaat aliemaal te snel.” Zeker; als het tempo van de gebeurtenissen wat langzamer was genomen, dan had menigeen er niet zó verbijsterd tegenover gestaan. Met een rustig hoofd kan men beter zijn maatregelen nemen, hetzij die op een ons thee of op duizenden mensenlevens betrekking hebben. Ik zai de klacht, dat het „te snel” is. gegaan, niet licht tellen: in de verwarring en de roes van die sneiheid hebben mensen onhersteibare dingen gedaan, aan anderen, maar ook aan eigen leven en aan eigen ziel.

En toch, die snelheid is niet waar het hem eigenlijk in zit. Evenmin als onze leeftijd, of het falen van de berichtgeving waarop wij waren ingesteld, of welke uiterlijke omstandigheid ook. Beter zouden alle geestelijk levende mensen met elkaar kunnen zeggen: „Ik besef, dat ik dit alles verwerken moet, dit persoonlijke ieed, deze persoonlijke schuld, dit leed van mijn volk, deze schuld van het mensengeslacht, —■ en ik weet, dat ik het niet kan.”

Maar dit is, welbeschouwd, niet meer zo ongewoon, het is ook niet iets van de huidige toestand alléén. lets moeten, uit innerlijk besef, en zeker menen te weten dat je het niet kan, hoe gewoon is dat eigenlijk in het mensenleven. In alle kritieke situaties, in alle ogenblikken, dat het om er-op-of-er-onder gaat, is dat tenslotte waar je voor gesteld wordt. En ’t gewone leven van elke dag wordt in de grond beheerst door dezelfde „onmogelijkheid”: je zoudt het moeten leven in een stijl en op een peil, waarvan je weet dat je het niet kan.

Het moet, maar het kan niet, zegt de goedkope levenswijsheid. Dus gebeurt het niet en de gevolgen zul je dan wei gewaar worden. Maar een wijsheid, die het wonderlijke leven beter kent, zal uit ervaring weten, dat het vaak andersom is; Het kan niet, maar het moet, en daarom gebeurt het toch. Want juist de onmogelijkheden worden vruchtbaar.

Wij moeten de gebeurtenissen van deze tijd verwerken, terwijl wij te oud zijn en het aliemaal te snel gaat en het soms meer is dan vlees-en-bloed-verdragen-kan en niemand het einde ziet. Wij moeten, zo goed als andere mensen in andere situaties gemoeten hebben. Kent u het grote gedicht van mevrouw Roland Holst over „De boom van groot-verdriet”? Ach arme, ik hoorde een poos geleden van jongelui, die het voor de hoofdacte ~op hadden”. Ze vonden het wel erg moeilijk; poëzie is toch altijd al een hele sjouw, en dan was dit gedicht ook nog symbolisch (misschien zelfs wel allegorisch, dat ben ik vergeten). Maar gelukkig gaf de leraar er de verklaring bij, dan konden ze het tegen het examen altijd nog eens nakijken in hun schrift.

Ach ja, zo’n opleiding ook, waarbij je van alle markten, zelfs van die met allegorische bomen, thuis moet wezen! Maar ik heb zo’n gevoel of het ons in deze tijd, ook zonder hulp van de leraar, niet veel moeite kost om deze verzen te verstaan.

Daar zijn de mensen, die ómgekeerd zijn, toen de schaduw van de boom van groot verdriet op hun weg viel. Niet dat ze de slagen van het lot daarmee ontlopen zijn daartegen helpt geen omkeren of vluchten —, maar ze hebben bij zichzelf gezegd, dat ze dit leed niet verwerken kónden. En toen hebben ze een omweg gezocht om dat dreigende, ruisende stuk donkerheid heen.

Ach, zij zullen voortaan deemoedig knielen voor’ ’t beeld van iedre dwaze en blinde waan, omdat te zwak waren hun bange zielen den zin van ’t hoge ruisen te verstaan