is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 48, 31-08-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rotterdamse beeldende kunstenaars in Boymans

Voor de duur dezer tentoonstelling was de maand van 27 April—27 Mei 1940 bestemd. De oorlog heeft haar onderbroken, het museum bleef voor verwoesting gespaard, en daarna is het werk der Rotterdammers nog gedurende enkele maanden te zien; een datum van sluiting is nog niet bekend. Wie er toe in de gelegenheid is, verzuim© niet eon bezoek Boymans te brengen. Het zien van groepententoonstelUngen is altijd een vermoeiend tijdrovend werk; er is veel wat gemiddeld goed en waardeerbaar is, er zijn soms kleine zeer goede dingen, die verborgen daartussen zijn, er zijn verrassingen en altijd een aantal slechte dingen, die beter thuis hadden kunnen blijven, De totale indruk van het werk der twee vereniglngen de Kunstenaars-Societeit en de R 33 met enkele genodigden is dat er goede dingen gaande zijn in Rotterdam en deze stad met haar rhythme van arbeid enkele belangrijke kunstenaars telt. Als het kenmerk der besten zou ik wUlen hoemen een eenvoudig realisme van primitieve wat ruwe kracht, een kunst die buiten het voorafgaande expressionisme ondenkbaar is. De kleur, zonder weelderigheid, is open en sterk, de lijn beschrijft bijtend het aspect der dingen. Zij brengen een kunst, waarop de locaal bepalende omstandigheid: Rotterdam, onmiskenbaar een stempel heeft gezet.

De cirkel zou te eng getrokken zijn, indien men deze kunst wilde binden aan de voorstellingen der stad van haven, arbeid en rivier. Haar gestemdheid is evenwel zeker door het arbeidsrhythme en het karakter van het leven dezer stad gevormd. De portretkunst van Herman Mees, den mens in zijn vriendelijke alledaagsheid getrouw weergevend, treffend door de algemeen begeerde goede gelijkenis, kan overal in Nederland ontstaan. Zo zijn er meerderen te noemen, die ambachtelijk gezien, gaaf werk maken en waardering verdienen, Ook onder de Rotterdammers vindt men hen. Een figuur als de oudere Richter daarentegen heeft de schoonheid der beweging van arbeid rondom hem doorleefd en begrepen. Midden daarin is zijn heftige soms krampachtige kunst ontstaan. Het best is hier m.i. zijn grafiek van rivier en arbeiders, van zijn schilderijen de bekende ~Lazarus” met de prachtige actie der honden. In aansluiting met zijn grafiek noem ik de werkelijk voortreffelijke

J. Proost. Gezicht op Rhenen. Ets.

etsen van Proost, Schotel ei Neuhuys. Proost bereikt wat hij wil zonder iet effect van toon en schaduw, zijn lijn is kartdend open, betrekkelijk met weinig variatie sebeten, soms zeer diep, lijkt mij; uitstekend set hij het zwart van zo’n rookwolk, die haigen blijft in de lichte lucht, op het vlak, at daardoor grote V-rHior* ... .. lijn van Schotel ljn«, sp , zeggen. PraiAtigis het zwax 6ts van de brug met het nortgulpen e wa oifi de pijlers, de sprankflende lijn in e haventerrein. Een studie van las- en smjapparaat toont hoe hij ah een Japanner rne lust van zo’n gegeven ets moois maakt. Neuhuys zoekt in zijn figmr naar een monumentale vorm. De grafiek ?ou incompleet zijn indien niet Derksen van Angeren met zijn doorwrochte etsen aanweiig ivas. Ik noem nog de houtsneden van B<on, rijk van wit en zwart, en de voor mij nie' zuivere Lode Sengers, de pentekeningen ei etsen van Van Zanden. Ik zou met nadruk willen zeggen; mensen vergeet toch niö dat deze goede grafici er zijn. Een tijdlaag is de grafische kunst in de mode geweest een ieder had een houtsnede aan de muur. Nu schijnt de belangstelling ook voor de go;de dingen der grafische kunsten te zijn'getiand. Weet dat een goede ets, houtsnede of litho voor weinig geld te krijgen is en dat de kunstenaar, die het ernstig met zijn werk meent, moet doorwerjuist nu!

Onder de schilders zijn er enkelen die markant naar voren komen. Allereerst noem ik het ruige gezonde werk van Chabot. De wijze waarop hij in zijn landsckap de verhouding "van „ruimten” in land en wolken beziet, toont verwantschap met Permeke. De vaart bij Permeke is echter woester, roekelozer, het werk van Chabot rijpt langzamer, is dieper bezonnen. Er is een precieze snedigheid in de streek van zijn penseel, die de hechtheid van de vorm onderstreept, een begrip van de soliditelt van de bouw, die de IRaming dikwijls mist. Het werk is eerlijk gegroeid, verworven buiten moderne allures om. Chabot dunkt mij één der belangrijkste Nederlandse schilders te zijn. In dezelfde zaal hangt het werk van v. leperen, een colorist van betekenis, een man met een aangeboren zin voor de schoonheid der verf. Kelder is mij steeds te week en modieus.

De knapheid van Karei v. Veen begint een gevaarlijke levenloosheid te vertonen. Zulke wegen kunnen doodlopen. Ik noem nog het wat rauwe, expressieve werk van Bieling, het dromerige van Moulijn, het impressionistische zuivere werk van Weyns, de decoratief opgevatte aquarellen van Gidding. Van het werk der jongere Rotterdammers valt het werk op van Timmer, kernachtig en geestig In zijn beknopte notities van dieren.

Den Rotterdammer van geboorte v. Dongen heeft men een aparte zaal gegeven, waar vijf belangrijke werken van zijn hand hangen. Het is werk, dat het sterk doet; hij is de portrettÉst, 'die met een flair en genadeloze raakheid, het canaille dat de mens soms zijn kan, typeert. Genegeniheid voel ik zelden voor deze portretten, hoewel zij overstelpend zijn in hun kleurvondsten, in de vervaarlijke juistheid van hun tekening. Het portret van burgemeester De Vlugt, den koenen wakkeren Hollander, de slanke canailleuze gestalte der Comtesse de Noailles, het weelderige blanke lichaam van Angèleke tegen de ultramarijnen fonds, zij staan ten volle en onverbloemd voor den beschouwer. Van Dongepi’s kunst is raak en bruut juist, het langdurig en dieper-boeiende mist hij. Daartoe is zij te veel op het moment van de slag in het gezicht berekend.

Lang niet allen werden genoemd, die wel goed werk zonden. Maar de lezer heeft tenslotte weinig aan een inventaris van namen. Beeldhouwkunst besprak ik niet, daar ik mij op mijn eigen gebied, dat der schUderkunst en grafiek wenste te houden.

H. A. GERRETSEN.

Groot Nederland, waarlijk groot!

Is het een schande, dat wij erkennen pas nu in ernst op het vraagstuk van Groot-Nederland gedrukt te worden? Neen. Want al wijzen wij de betogen af van hen, die ons nieuwe beginselen willen aaindoen vanw*ege de nieuwe tijd, wij behoeven daarom nog niet onze ogen te sluiten voor nieuwe problemen, pakken mèb’‘S2gn. Mits wij ze dan maar aan- Het had enige zin, dat wij, religieus-socialisten, aan het Groot-Nederland-probleem voorbijgingen. Het is goed, dat vooraf in herinnering te roepen. Twee redenen hadden wij daarvoor, beide aanvechtbaar, geef ik toe. In de eerste plaats hebben wij steeds volgehouden, dat de sociale en economische problemen in de samenleving de voorrang verdienden en in de tweede plaats waren wij vuurbenauwd voor volkse romantiek, voor verheerlijking van historische gestalten en vormen. Wij wUden bovendien internationalisme belijden, en zagen daardoor langs sommige volk-problemen heen.

Maar, thans worden wij wel met grote nadruk gesteld voor de vraag, wat wij van deze zaak denken. Mussert, Arnold Meyer, de Nederlandse Unie, van alle kanten worden eisen gesteld, programpunten opgemaakt. Als ik mij niet vergis, is het de beweging van Arnold Meyer, die ons met de meeste felheid voor de keus wil stellen: Groot-Nederland of klein-Holland. Niet onwaarschijnlijk is het, dat deze vraag hem, Brabander, Rooms-Katholiek, wel zeer bijzonder ter harte gaat.

Nu doen wij verkeerd, het Groot-Nederlandprobleem al te nauw te verbinden met de huidige omstandigheden. Er was al geruime tijd, voornamelijk sinds de vorige wereldoorlog, een Dietse beweging, die zich op Groot-Nederlands standpunt stelde. Ik vat dit standpunt kort samen.

De Dietsers zagen de Nederlandse stam jammerlijk verscheurd. Nederland als volk (en dat is wat anders dan de Nederlandse staaf), wonend tussen Duinkerken en Delfzijl, had door aardrijkskundige én buitenlands-poUtieke omstandigheden nooit zijn eenheid weten te -vinden. In 1300 begon deze te groeien, weliswaar onder de door de Franse cultuur beïnvloede Bourgondiërs, maar er had toch een staat uit kunnen groeien, met als centrum Brabant, en daarnaast het economisch belang-