is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 38, 1940, no 52, 28-09-1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BEDE

Lichte nacht, die lichter zijt Dan mijn donker droeve dagen, Sterrennacht, die groter zijt Dan mijn kleine hart kan dragen, – Laat mij knielen in Uw duister. Waar geen sterveling mij ziet, En mij bidden tot Uw luister: Doof het licht mijns harten niet!

C. S. ADAMA VAN SCHELTEMA

wijze een krotwoning op dan een eindeloos delibererende gemeenteraad.

Is alles dan toeval en bestaat er geen goed of kwaad?

Nochtans allerlei krachten heffen elkaar op, werken op elkaar In en uit de reacties van de kruisingen al dezer Invloeden ontwikkelen zich de grote stromingen In het geweten der mensheid. Er ontstaat in ons een gevoel voor de richting van het leven. Het mag dan lijken, of we alleen het begin van onze daad In onze macht hebben, en dat, eenmaal losgelaten, zij een heel weefsel van gevolgen ontwikkelt, waar zelfs onze eigen toekomstige vrijheid in verstrikt raakt. Toch komt er niets uit onze daden, voorzover het althans ons zelf betreft, dan wat er reeds in klem aanwezig was. Het zijn niet zozeer veranderingen, die de omstandigheden aan onze natuur aanbrengen, dan wel kansen, waardoor ze zich kan ontwikkelen en tonen, wat er In haar verborgen hulst. Hoe langer de keten onzer daden wordt, hoe meer we schijnbaar onze aanvankelijke vrijheid Inboeten, maar vergeten we nooit, dat deze dwang van onszelf uitgaat, zelfs wanneer we onze vrede en ons zelfrespect kwijtraken als woekerprijs voor geheime tekortkomingen.

Uit de smeltkroes nu van het leven komen allerlei beginselen; de ervaring van duizenden heeft zich vastgelegd In eenvoudige zedespreuken, die de wijsheid van eeuwen en van volkeren samenvatten. Hun oorsprong onttrekt zich aan het heldere weten. Ze stijgen uit boven de gezichtskring en de belangensfeer van het Individu, ja boven die van een willekeurige mensengroep, omdat zij het geheel betreffen der mensen en der wereld. ~Je mag niet liegen”, zegt de eenvoudige mens. Soms kan het schijnen, dat een leugen een waarachtig voordeel belooft aan een individu, ja aan een volk. Toch houden we vol, dat liegen zedelijk slecht Is, al kunnen we het niet bewijzen. De menselijke daad wordt geworpen In de onmetelijkheid aller dingen en wezens en ze verwacht een antwoord van deze oneindigheid. Die daad Is een beroep op, en een echo van de oneindigheid; zij komt er vandaan, zij gaat er heen. Wat men er over weten kan, berust op een ervaring van de ondoordringbare ingewikkeldheid van het leven. Hierop berust de overdracht der zederegels. Het geweten der mensheid groeit d(X)r deze eeuwenoude ervaring en mits we eerbiedig luisteren, hebben we deel aan deze ontwikkeling. Een enkele maal staat er een zedelijk genie op, dat samenvat en vooruitziet (Christus), maar de gewone mens doet veilig, zich niet op zijn redenerend verstand, of op de gril van zijn fantsisle te verlaten bij de opbouw van zijn zedelijk inzicht. Het leven zelf, mits hij zich leerzaam betoont, zal hem er In onderrichten bij duizenderlei ontmoeting en allerlei ervaring. Het kan zijn, dat hij smartelijk afscheid nemen moet van een gemeenschap, waarin hij opgegroeid was, dat zijn geweten hem zal doen ontvlammen tot een vurig revolutionnair tegen de gemeenschap, waarbinnen hij tot dan toe geleefd heeft, hij zal telkens bemerken, dat in de diepte zijn geweten zich gevormd heeft door de lessen en de ervaring van dezelfde gemeenschap, waar hij protesterend tegenover staat. RENÉ.

Uit de Bijbel

Sommigen onder ons horen In hun herinnering nóg de dreun van het rijtje namen: ~Hosea, Joël, Amos, Obadja, Jona, Mlcha, Nahum, Habakuk, Sefanja, Haggal, Sacharla en Maleaohl; dit zijn de twaalf kleine profeten”. Zo hebben ze het vroeger geleerd. Vreemde, nlets-zeggende „gekke” namen, die je alleen kunt onthouden door de bepaalde cadans, waarin je ze opzegt.

We laten dit dozijn In die bijbelse volgorde langs ons trekken. Al moeten we dan wel eens van het Noorden naar het Zuiden van Palestina en van de ene eeuw In de andere springen. In de bijbel staan de kleine profeten niet naar tijd of plaats gerangschikt. Elk van hen heeft ons wel lets te zeggen. Soms zijn ze moeilijk te verstaan, omdat ze In vreemde taal en beelden spreken. Toch is er In elks verkondiging een kern van waarheid. Want deze piofeten waren allen op hun wijze trouw aan de opdracht welke God hun gaf. En deze opdracht was altijd weer om voor hun volk In een bepaalde situatie getuigenis af te leggen van Gods wil en bedoeling.

Hosea

Hij Is het eerst aan de beurt. lets over zijn tijd en omgeving: Hosea leeft plm. 740 voor Chr. Hij profeteert In het Noordelijk tlenstammenrljk Israël, dat ook Efralm genoemd wordt. Israël wordt bedreigd van buitenaf door vijandelijke agressie, van binnen uit door burgeroorlog. Geen helderziendheid Is nodig, slechts gevoelig inzicht, om te begrijpen dat het einde van Israël nabij Is. Maar wat Is de diepere oorzaak van het verval van zeden, van de onderlinge tweedracht, van de toenemende afgoderij ?

Hosea, evenals de andere profeten, ziet de waarheid onverschrokken in het gelaat. Hij weet en moet het uitspreken, dat het hele volk met zijn vorsten en priesters schuldig staat, dat het zelf door zijn gedrag mede dit lot heeft opgeroepen en bepaald.

Nu komt het vaak voor. dat men om een situatie of een verhouding tussen mensen onderling te doen begrijpen, daarvoor een beeld gebruikt.

Een beeld verduidelijkt, stelt ons lets voor ogen. Er Is één beeld, dat Hosea telkens gebruikt en uitwerkt wanneer hij spreekt over de verhouding van God tot Zijn Volk. Die verhouding Is een verbond, een heilig verbond. Hosea gebruikt daarvoor het beeld van het heiligst verbond, dat tussen mensen mogelijk is: het huwelijk.

Dit beeld maakt de tedere en innige liefde van God voor zijn volk voelbaar, het Is kenmerkend ook voor de lichtzinnige en trouweloze wijze waarmee het volk telkens weer op Gods liefde heeft gereageerd.

Want zo ziet Hosea het: God is In dit huwelijksverbond de echtgenoot die zijn partner trouw en oprecht liefheeft, maar Israël gedraagt zich als de overspelige vrouw. Want Israël is God ontrouw geworden, heeft het heilig verbond geschonden, heeft de liefde bedrogen en verraden. Het heeft zich gewend tot andere góden om op hoop van zegen (lees: succes) hen aan te hangen. Deze verraderlijke ontrouw Is de eigenlijke zonde van Israël, daaruit komen al de andere ongerechtigheden voort. Het was niet alleen ongehoorzaam aan de geboden van God, het heeft Hemzelf verraden en bedrogen.

En de heilige Heer des Levens heeft alle recht en reden om dit, zijn zo geliefd volk, te verwerpen. Het moet aan zijn eigen schuld te gronde gaan. Dat Is els van het strenge huwelijksrecht. De ontrouwe vrouw wordt verstoten en verlaten. Maar Hosea heeft geweten dat heilige en echte liefde geen rust vindt bij wat recht en billijk Is alleen. Zo wordt het conflict niet opgelost. Want liefde neemt geen plotseling einde, ook al wordt er tegen haar gezondigd. In het beeld van Hosea: Dé echtgenoot heeft niet afgerekend met zijn trouweloze vrouw door het verbond met haar te vernietigen en haar weg te zenden. Hij komt niet los van haar, ondanks of misschien wel dank zij de pijn, die zij hem deed. Tegen alle gewoonte

in neemt hij haar weer terug in zijn huis. Neen, niet alles Is vergeven en vergeten, de verhouding Is anders geworden. Het oude blijde vertrouwen Is niet zomaar hersteld. Maar aan haar die gezondigd heeft, wordt de mogelijkheid geschonken door berouw en boete lets te herwinnen van wat zij lichtvaardig verspeelde.

Zo tekent Hosea de levens- en liefdegeschiedenis van God en Zijn volk Israël. En dat maakt het verstaan van zljh profetie nog lets moeilljker aan Hosea zelf wordt opgedragen om deze geschiedenis In en met zijn eigen leven te Illustreren. Hijzelf moet deze wrange huwelljkservarlng doormaken, die dan een gelijkenis Is van wat daar tussen den Heer en Israël plaats grijpt.

Toen de Heer voor het eerst tot Hosea sprak, zeide Hij tot hem: ~Ga, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen van ontucht. Want het land heeft In ontucht den Heer verlaten.” (Hos. 1:2) De namen van deze kinderen hebben dan ook symbolische betekenis; zij heten: „Nletbemlnd” en „nlet-mljn-volk”.

Hosea moet dus vèr-beelden en vóór-beelden schuld en schuldgevolgen van zijn volk, ook liefde en trouw waarmee God dit volk omringt, op een zeer realistische manier, die echter meer voorkomt In het Oosten. Men predikte vaak met daad-beelden, niet zoals bij ons met enkel woord-beelden.

Het kan ook zijn, dat Hosea In zijn persoonlijk leven de ervaring heeft gekend van bedrogen liefde, trouweloos verraad, geschonden belofte. Dan Is dit persoonlijk leed hem gelijkenis geworden van die diepe gemeenschappelijke schuld van zijn volk, dat ontrouw werd aan God.

In elk geval: het beeld Is pijnlijk duidelijk, niemand kan zich vergissen. Noch In de sterke, heilige, oprechte liefde van God voor zijn volk, noch In de zondige roekeloosheid waarmee dit het heUlge llefdegeschenk verspeelde. Maar er Is ergens nog hoop op behoud, beter op redding. Want dit soort liefde kan zich niet verloochenen, die laat de trouweloze niet geheel los, die roept haar tot Inkeer en boete (Hosea 2:13-19).

Het beeld, dat Hosea gebruikt, heeft doorgewerkt, herhaaldelijk Is later de verhouding van God tot den mens, van God of van Christus tot de kerk aangeduid als huwelijksverhouding. Het Is een gevaarlijk beeld, omdat het spoedig ontaarden kan en een ontoelaatbare zwoelheid In die verhoudingen kan suggeren. In Hosea’s profetieën, hoe realistisch hun toon ook Is, werd deze zwoelheid vermeden.

Gods heiligheid Is niet aangetast door de zeer menselijke ver-beeldlng. Maar wel Is de verkondiging er door verinnigd. Want In deze woorden klinkt niet enkel het strenge oordeel over de zonde, maar de goede verstaander hoort nog het verdriet erin trillen om den zondaar.

Schuld doet pijn, het meest hem, tegen wlen misdreven werd. God lijdt door en om de ontrouw van Zijn Volk.

„Toen Israël een kind was had ik het lief uit Egypte riep ik mijn zoon;

Ik leerde Efraim lopen

en nam het op mijn armen

Ik trok het met bomden van tederheid, met koorden der liefde.

Maar zij erkenden niet, dat ik hen verpleegde, zij weigerden zich tot mij te wenden. Hoe meer ik hen riep, hoe meer zij van mij weken;

zij offerden aan de Badls en rookten voor de beelden." (Hos. 11:1-5, 2).

Maar deze liefde laat niet af:

„Hoe zou ik u kunnen prijsgeven, Efraim u kunnen overleveren, o Israël?

Hoe zou ik u kunnen maken als Adma en kunnen behandelen als Seboïm? Mijn hart keert zich in mij om,

ook is mijn barmhartigheid ontbrand; mijn vlammende toorn zal ik niet uitvoeren ik zal Efraim niet wederom verdelgen.

Want ik ben God en geen mens

een heilige in uw midden geen verderver.” (Hos. 11 ;8, 9).

„Bekeer u, o Israël tot den Heer uwen God, want gij zijt ten val gekomen door uwe schuld. Keert weder tot den Heer en zegt tot hem: vergeef onze schuld, dat wij genade erlangen ..

en het antwoord komt op dit eerlijk berouw: