is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 2, 06-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of zelfs over elkander schuiven, ontstaan de kwesties. Ge kent ze zelfs uit uw dagblad : Triëst, Dodekanesos, Karinthië en, nu niet territoriaal maar ideologisch, de „democratie” in Hongarije, Roemenië en Boelgarije. Naast veiligheid is welvaarteen punt, dat in het geding komt: de niets ontziende manier, waarop de Russen hun deel van Duitsland van zijn industriepotentieel ontdoen, schept voor de andere geallieerden zware economische problemen. Prestigepolitiek is weinig mogendheden vreemd, maar geen is er, die het thans zo ver drijft als de verslagen dictatoren hebben gedaan.

Voor de Russen is de marge tussen hun pretenties en hun werkelijke doeieinden tamelijk wijd. Dank zij hun opzienbarende overwinningen op het slagveld met een groot prestige onthuld, trachten zij nu zoveel winst binnen te halen als ze maar kunnen. Lukt het niet, ook goed; lukt het wel, dan is dat meegenomen! Maar er is één ding, waar ze op passen: op een oorlog laat geen het aankomen. Welke algemene en concrete doeleinden de mogendheden ook voor ogen staan, hun eerste doel is een gewapend conflict te vermijden. Zij beseffen, dat in deze tijd van de allerscherpste perfectionnering der machtsmiddelen oorlog alleen maar ondergang voor allen beduidt. Zij mogen dan al trachten hun veiligheid, welvaart en prestige ten koste van elkander uit te breiden, die tendentie is aan grenzen gebonden. Naderen ze die grenzen, dan wijken de pretenties voor de reële mogelijkheden terug. Waar deze grenzen liggen, wordt juist in de discussies ter conferentie openbaar.

Wie zich, naar onze mening, voorbarig en ten onrechte, thans ongerust maakt over de Londense gebeurtenissen, zou ik willen herinneren aan het Wener congres, dat in 1815 tot taak had de Napoleontische periode te liquideren en een wereld te scheppen waarin geruime tijd vrede zou heersen. Te zelden herinneren wij ons hoe vredestractaten tot stand kwamen ; te vaak weten wij alleen wat ze inhielden. Welnu, ook daar waren de moeilijkheden om de chaos te overwinnen uitermate groot; tijdens de conferentie rees een scherp conflict tussen twee der vijf vertegenwoordigde mogendheden met de drie andere. Doch het verantwoordelijkheidsbesef der staatslieden bracht een oplossing, zij het ten koste van de kleine landen. Voor elke moeilijkheid is een oplossing te vinden, ook nu, en zeker voor de Russische afgevaardigden, die thuis niet zoveel verantwoording hoeven af te leggen als hun collega’s.

Dit overzicht is noodgedwongen fragmentarisch. Wij brachten niet ter sprake wat nu precies de uiteenlopende visies van Amerikanen, Engelsen en Russen, van de kleine volken en de overwonnenen op de huidige politieke toestand zijn. Dat kan later nog wel gebeuren. Dit houde men nu voor ogen : alle volken en regeringen willen vrede en de wederopbouw van harmonische verhoudingen in deze „geschonden wereld”; ze willen het elk op zijn eigen manier; ze willen trachten het gezamenlijk te doen; maar gaat het al te zeer tegen elkaar, dan zullen ze danig oppassen, dat er geen klappen van komen. Een stichtende vertoning Is de Londense conferentie inderdaad niet, maar evenmin verontrustend. De heren weten nu weer eens wat ze aan elkaar hebben, en dan, in alle diplomatieke dreigementen en overbiedingen zit een element van spel, dat ons door de oorlog verzwakt gevoel voor humor nog maar matig appreciëren kan.

27 September 1945

A. E. COHEN.

IN DUISTERNIS

Nu ’t duister viel, hoe diep de nacht, hoe stil... Of alles, vrij, in zwijgen samenstemt. In mij alleen, schoon ’t ook die vrede wil. Het ene, steeds aanwezige dat beklemt.

Dit leed, dit nooit verdoofd geknaag van pijn. Dit kwellende bewustzijn van ’t geweld, ’t Is altijd daar, ’t zal altijd in mij zijn. Tot wat zo fel vernield werd is hersteld.

In stilte en nacht, door droefenis vermand. Met saamgevouwen handen voor het raam. Zeg ik, de lippen bevend, Nederland, Uw lieve, trouwe, ontroerend simple naam.

P. N. Van Eyck „Verzen 1940”. blz. 19. Den Haag, Boucher 1941.

Er zijn verborgen levenssamenhangen, die door het redenerend verstand niet achterhaald, maar door het hart bevroed worden. In ’t stormgetij van het gemoed kan ons hart helderziende worden. Wat hebben wij in de rustige jaren van voor de oorlog van vaderlandsliefde begrepen? Als wij het met ons verstand poogden te doorlichten, kwam het ons licht een beetje mal voor. Wanneer op het woord vaderland het hart niet mede resonneert, kan het verstand er weinig meer in ontdekken dan een abstractie, en wanneer dit vaderland alleen maar geeft, en niet van ons vraagt zo ondankbaar is nu eenmaal de mens! dan oordeelt men in platte

burgerlijkheid: „waar ik het goed heb, daar is mijn vaderland”. Hoezeer veranderde dit in de donkere jaren, die we moesten doormaken. Het vaderland verkeerde in nood en vroeg om hulp. Het gemeenschappelijk lijden, dat ons bijeengesnoerd hield, kerfde een diep litteken in ons en toen is het vaderland, dat waren wij-allen-samen, tot een hogere eenheid verbonden, in ons ontwaakt en verrezen. En toch... de belevenissen van het hart raken licht vergeten. We moeten hier wèl onderscheiden tussen geheugen en herinnering. Ik las ergens in een roman: „Ik heb een heel goed geheugen, omdat ik zo’n slechte herinnering heb.” De gebeurtenissen, die we meegemaakt hebben, zullen ons nog lang bijblijven: eike puinhoop zal ons herinneren aan de verschrikking van deze vijfjarige nachtmerrie, maar juist door dit telkens, ons-te-binnen-brengen zal de indruk vervluchtigen. De herinnering dreigt af te sterven, omdat het geheugen te vaak het' verleden belicht en daarmee versterven de belevenissen van het hart. Over vijf jaar zullen we wellicht preciezer weten, wat er gebeurd is, maar heel wat vager beseffen, wat ons aangedaan werd. En daarmee dreigt dan tevens te verdampen, wat de winst kon zijn van deze tijd: het diepe weten onzer lotsverbondenheid, de gevoelde vaderlandsliefde. Tenzij...

DRIE SONNETTEN

11.

Wij de gedaagden voor Uw groot gericht, Hoe kunnen we anders dan ons overgeven,

waar sterren huiveren en bergen beven, een kosmos voor Uw aanblik vliedt en zwicht

Nog hieldt Ge een nietig, onstandvastig leven met Uw genade in stralend evenwicht;

en in Uw vlammend oordeel staan wij even te trillen als de bloemen doen in ’t licht.

Wat was dit spel, ons willen en ons werken,

wat onze drift, ons ongeduldig dringen,

hoe glimlacht Gij zo mild op ons tekort?

Eèn dag, o God, om argloos op te merken

hoe Gij ons ’t manna Uwer zegeningen

grootmachtig uit Uw hoge schuren stort.

FEDDE SCHURER