is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 4, 20-10-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZuiTering

Hoezeer kan ik wel eens die rechtlijnige mensen benijden! Gij kent ze wel: mensen, die zonder aarzeling weten wat goed en kwaad is en die vlot betogen, wat een ander doen en laten moet. Dat zijn de mensen met „beginselen”, die muurvast staan, en die slechts weinig speling geven voor individuele afwijking.

Zulke mensen moeten het toch wel gemakkelijk in het leven hebben I Zij kunnen veel doen en soms ook veel bereiken. Zij zijn onvermoeibaar, want hun ziel kent niet de weerstanden der aarzeling. Want wie die weerstanden wèl kent, weet hoeveel schijnbaar nutteloze energie gebruikt moet worden, voor men tot een conclusie kan komen. Een conclusie, die dan nog vaak helemaal niet het laatste woord is en de bekoring van de gezaghebbende vastheid mist.

Het is misschien wel goed, dat er van die rechtlijnigen bestaan. Waar zouden wij anders de zuiveringscommissies en de tribunalen vandaan halen ? Want in die lichamen moet men dan toch maar gaan zitten aan de andere kant van de groene tafel en niet alleen over mensen oordelen, maar hen ook veroordelen. En als dat oordeel dan geveld is, steekt er een storm van verontwaardiging op van de rechtlijnigen, die niet in zo’n commissie zitten. Want het is in ieder geval niet goed geweest. Het oordeel was te streng of te slap. Of de zuiveraars waren niet zuiver genoeg. Misschien is het daaraan te wijten, dat er geen schot in de zuivering zit, omdat het aantal mensen, dat die rechte lijn hanteert niet zo groot is. En het aantal, dat dezèlfde rechte lijn volgt, is nog gering.

De zuivering. Er wordt eindeloos veel over geschreven, en ik durf er haast niet meer over te denken. Vanwege de wolk van problemen, die deze zaak omgeven. En toch laat het mij niet los. Want wie door de mens en zijn nood geboeid wordt (omdat hij op een geheimzinnige wijze deel aan die nood heeft) kan niet anders dan steeds weer zijn aandacht te richten op het werk der zuivering, dat moeizaam in Nederland tot stand komt.

Daarbij heeft men meestal twee kanten in het oog, nl. de mensen, die gezuiverd moeten worden en de zuiveraars. Terwijl men vaak een derde kant vergeet, nl. de samenleving, die ons allen omvat, en die gezuiverd moet worden gelijk een huis, waarin besmettelijke ziekte heeft geheerst. Maar daarover tot slot.

Wie worden gezuiverd? Allen, met wie wij een rekening te vereffenen hebben. De laffen en de slimmelingen, de profiteurs en de domkoppen. Wij zijn ze overal tegengekomen. Bovenal de mensen in overheidsbetrekkingen, die begonnen met uit te rekenen, dat Duitsland wel winnen zou (het was overigens lange tijd tegen alle nuchtere overweging in om er vast van uit te gaan, dat Duitsland niet winnen zou!) en toen „hun consequenties trokken”.

Let wel: wie zo spraken waren veelal fatsoenlijke mensen, en zij hadden een sluitende redenering bij de hand. Maar zij irriteerden ons mateloos, omdat zij... (nu komt het I) niet hetzelfde geloof hadden als wij. Let wel: geloof. Want als wij zelden, dat Duitsland verslagen zou worden.

dat Nederland zou herrijzen, dan was dat niet op grond van gedetailleerde gegevens, maar eenvoudig, omdat het een waarheid van ons hart was. Weliswaar werd deze „geloofs”waarheid ondersteund door zakelijke vermoedens, maar die ontleenden wij aan de toch ook niet zo wetenschappelijkpreciese bron van de 8.8. C.

Omdat deze mensen ons geloof niet hadden, daarom irriteerden zij ons mateloos. Natuurlijk: zij deden er ook verkeerde dingen bij. Zij doken niet onder, als het nodig was. Zij gaven hun steun aan Duitse maatregelen. Zij boden geen weerstand. Zij ondermijnden daardoor het verzet. Maar nogmaals : dat was alles niet gebeurd, wanneer zij maar ons geloof hadden gehad. Dan was er nog wel de kans geweest, dat zij laf en slim en dom waren gebleven (die zijn er onder „goede” Nederlanders evenzeer) , maar dan hadden ze ons niet tot vermoeiends toe geprikkeld. Ons, weerlozen.

De lezer merkt het: ik spreek niet eens over de echte N.5.8.-ers. Die hebben niet alleen een ander geloof gehad, maar zij hebben ook bepaalde daden gedaan. Al was het alleen maar contributie betaald aan de partijkas. Neen, ik spreek over alle geschorsten, gestaakten, over de halven, over de ongelovigen.

En wie zijn de zuiveraars ? De kern wordt gevormd door hen, die een rechte lijn in hun leven ontdekt hebben. De mensen, die het precies weten. Recht is recht en krom is krom. Waarheid is waarheid en leugen is leugen. En nu wil men allen, die „fout” geweest zijn, dit alsnog aan hun kortzichtige verstand brengen. Men wil in een ambtenaarscorps, een kimstenaarsgroep, een handelarenstand leven, die zuiver is. D.w.z.waar de ongelovigen uit weggezuiverd zijn.

En ziehier, waar de zenuw van de zere kies zit: het zuiveringswerk is in laatste instantie inquisitie, dwz. oordeel van een college van de priesters der waarheid over ketters.

Voor wie dat gezien heeft, doemt de vraag, of hij werkelijk ketterjacht wil. Of hij middeleeuwer wil zijn, waarin geloof en leven afgebakend waren door de officiële waarheid, en waarin men heel goed wist, dat de doorbrekingen van de omheining dier waarheid gevaarlijk was voor de orde; dan wel of hij modern wil zijn, die ruimte laat voor het andere geloof, ook al bestrijdt hij het, die in ieder geval dat andere geloof óf het ongeloof wil bestrijden met doeltreffender middelen dan de volstrekte vernietiging.

De ongeduldige lezer vraagt: maar wat wilt gij toch ? Ik antwoord, dat ik hier niet spreek over de berechting van oorlogsmisdadigers. Die hebben handelingen verricht tegen de wet. Dat is een apart probleemgebied. Ik spreek wel over degeen, die niet aangeklaagd, maar tóch vervolgd worden. En daarbij ook over hen, die straks vrijgesproken worden, maar toch boter op hun hoofd houden.

En tegenover die grote schare komt het erop aan, de juiste houding te vinden.

Ik kan daarbij maar nooit vergeten, wat ik eens bij Adolf Keiler las. Hij bezocht een gevangene. Hij vertelt, hoe er weinig te spreken is tussen hem en den misdadiger.

Deze man had zijn schuld bekend, maar hij had erbij gezegd, dat God of misschien wel de duivel, toch ook medeschuldig was. En zo ziet Keiler dezen man voor zich, als vogeltje, dat door het trippelen op de ijsvlakte de lawine heeft veroorzaakt. Dat trippelen is de laatste, in het verband van het geheel gezien, eigenlijk heel onbelangrijke oorzaak. En als Keiler door den cipier wordt gemaand heen te gaan, weet hij een ogenblik niet, wie gaan of wie blijven moest...

Van deze houding begrijpen de raszuiveraars, de inquisiteurs, de rechtlijnigen helemaal niets. Zij hebben het kwaad gezien in een bepaald mens, in een verschijnsel, maar zij hebben het niet ontdekt als boven-menselijke gestalte met zijn donkere achtergrond, in zijn duivelse kracht. Zij begrijpen maar niet, dat de foute ambtenaar, die voor hen zit met zijn rare redeneringen en zijn gestamelde excuses niet anders is dan die vogel boven op de sneeuwberg, waarvan Keiler spreekt. En hij vergeet helemaal, dat hijzelf die vogel had kunnen zijn, als hij was neergestreken op die plaats, waar toevallig dat kleine, tekleine mensenkind in zijn leven terechtgekómen is.

Wil ik er nu maar zand over strooien? Neen. Maar ik wil anderzijds ook niet de uitbanning. Het lijkt mij de juiste weg, indien de mensen, die „fout” geweest zijn, zonder dat hun iets positiefs ten laste kon worden gelegd, gewoon opgenomen blijven in hun verbanden. Wij mogen daarbij vertrouwen op een zeker natuurlijk zuiveringsproces. Want in de eerste plaats zullen deze mensen daardoor in de voortdurende aanraking met „goede” Nederlanders (want heus, er zal wel menig harde noot gekraakt worden) op hun plaats worden gezet. Misschien zullen zij zich daarbij verdedigen, misschien zullen zij oprecht tot „bekering” komen. Juist, omdat er zoveel conjunctuurridders onderzitten, die hun „geloof” laten bepalen door wie succes hebben, zullen zij het eerste toegeven, dat zij zich vergist hebben. En dan gaat het er maar om, te laten zien, dat zulk een vergissing op een fout beginsel rust, nl. op het beginsel der opportuniteit.

Deze mensen zullen bovendien hun leven lang de schaduw van hun „fout”-zijn achter zich meedragen. leder, die hen ontmoet, zal even een gehinderd gevoel moeten wegwerken. Bij benoemingen zal het een rol spelen. Dat zal hen misschien prikkelen tot inkeer en tot doordenking, als ze tenminste niet verbitteren. Maar daarin ligt in ieder geval de mogelijkheid van reclassering, die door de maatregelen van zuiveringscommissies veel geringer is.

Het komt mij voor, dat de zuiveringscommissies op velerlei gebied onbewust ook rekening houden met de visie, die wij hier ontwikkeld hebben. Hoe zou het anders kunnen, dat de rechtlijnigen vaak zo boos zijn om al te grote mildheid tegenover de veroordeelden.

Maar nu moet, tot slot, nog een opmerking geplaatst worden. Het gaat er niet alleen om, mensen te zuiveren. Ook Nederland moet gezuiverd worden. Want wie iets weet van de gemeenschappelijke schuld aan de nood, die over ons is gekomen, zal beseffen, dat alleen gemeenschappelijke arbeid ons kan redden. Dwz. dat wij onze activiteit vooral richten op groter sociale gerechtigheid, op betere sociale zede, op meer belangstelling in de publieke zaak. En vooral op een nieuwe geestelijke houding van het ganse volk. Daarvoor zich in te zetten betekent méér te doen aan de zuivering dan op een aantal mensen van smalle allure onze toorn te ontladen.

L. H. RUITENBERG.