is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1945, no 6, 03-11-1945

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De winst van de bezettingstijd menselijkheid en gerechtigheid, maar dan deze twee met als achtergrond de geestesgeschiedenis van West-Europa en ons vaderland mag onder geen voorwaarde verloren gaan.

Dit spreekt echter volstrekt niet vanzelf.

De mogelijkheid bestaat, dat wij weer terugkeren naar de tijd van vóór 10 Mei 1940, het zelfgenoegzame, zelf verzekerde en met zichzelf ingenomen leven van voor de oorlog.

In zijn „Dagboek” klaagt Willem de Clerq al korte tijd na de bevrijding van den Fransen overheerser, dat al de jaren van druk ons volk in geen enkel opzicht schijnt verandert te hebben. Geen enkele verwachting, dat het nu anders zou worden, werd vervuld. Van een edele hartstocht, om een waarachtig volksleven op te bouwen was ook niet het minste merkbaar. En Thorbecke spreekt ergens van de treurige tijd onze grootste omwenteling, treurig niet vanwege de zaak zelf, maar vanwege onze onmacht, de geschonken vrijheid te gebruiken.

Wij zullen ons niet mogen opvijzelen tot ongegrond optimisme en onwerkelijk idealisme. Toch willen wij aan het werk in een bepaalde verwachting.

Zonder verwachting gaat het niet. Wie geen verwachting heeft, wordt een cynicus en een egoïst, zoals de bekwame en in zekere zin hoogstaande ingenieur, die tegen mij zei: „Ik doe nergens aan mee, ik heb het uitstekend, ik heb een goede baan, een beste vrouw en lieve kinderen, nu ja, ik heb natuurlijk andere dingen gewenst, maar het grote geheim is, dat je deze leert vergeten”. Een leven met de grofste en gemeenste zonden prefereer ik

KANSEN op herstel

boven rein leven. Zulke mensen zijn voor ons volk vergif.

Wat dan wel? Zijn er kansen op herstel?

Prof. Huizinga spreekt er over in zijn „Geschonden Wereld”, maar zijn resultaat is niet bemoedigend.

Het louter aardse zal z.i. ter genezing niet genoeg zijn. De mensheid moet terug naar het bewustzijn van een metaphysische achtergrond van het bestaan. In een renaissance van het christendom gelooft Huizinga echter niet.

„Acht men waarlijk de tijd aanstaande, dat de mensen van gemiddeld geestelijk kaliber weer gaan leven in en uit de voorstellingen van kruisdood, opstanding, uitverkoring en aandeel? Het schijnt mij vermetel, zulk een wending als aanstaande te veronderstellen. Er is geen bodem voor de metaphysisch bepaalde levensgerichtheid, die voor een waarlijk herleefd christendom grondvoorwaarde kan zijn. De wereld van morgen zal niet rijp zijn voor een herleving van het christendom, zij is veel te veel verstrikt in een habitus, die aan het christendom tegengesteld is.”

Dat is niet bemoedigend en Huizinga’s oproep, dat ondanks alles ieder maar moet blijven streven naar de verwezenlijking van de onmisbare vooruitgang in liefde, is

niet overtuigend en al evenmin zijn aanprijzing van de vier klassieke hoofddeugden van wijsheid, dapperheid, zelfbeheersing en rechtvaardigheid. Waarom en op welke grond zullen wij onze verwachting bouwen op een herleving van deze in een voorchristelijke denkwereld thuishorende waarden?

Men kan pleiten voor enkel Humanisme, voor een volstrekte autonomie. In de rede zoekt men dan de vaste grondslag van leven en sterven. De geestelijke waarde van het ware en het goede zijn waarden in en om en op zichzelf. Dr. Gerritse zegt in zijn „De Toekomst en het Humanisme”: „Deze mentaliteit gelooft niet, maar zij is wel religieus. Zij weet en voelt zich orgaan van het geestelijk wereldorganisme. Zij bidt niet, maar dient”.

Dit Humanisme wil van het Christendom, liever: van den God van de Bijbel, niets weten. Het stemt in met het woord van Heymans: ~Het Godsrijk zal, wanneer het eenmaal op aarde zich realiseert, het werk van mensen zijn”. Eerst na de verdwijning van het godsdienstig geloof zullen de goedwillende krachten tot hun recht kunnen komen. Dus moet de heteronomie verdwijnen en wij moeten Jezus erkennen als den ideaal-humanen mens der morele autonomie.

Hoe zo’n beschouwing mogelijk is na al wat wij hebben meegemaakt, is mij een volslagen raadsel. Dr. Gerritse doet mij denken aan den baron van Münchhausen, die zich aan zijn eigen haren uit het moeras trok. In wezen is hij de propagandist van de voortzetting van het vermageringsproces. Hij ziet niet dat de ideaalhumane mens der morele autonomie, dien ik weiger met Jezus te identificeren, altijd weer zal blijken te verworden tot den Uebermensch van Nietzsche. Wij weten uU bittere ervaring, dat dit bovenmenselijke in de practijk van het leven het benedenmenselijke en onmenselijke is. Dit Humanisme eindigt in Nihilisme. Deze ideaal-mens wel waarlijk de Uebermens is uiteindelijk het Beest uit de Afgrond. Wanneer wij uit het verticale vlak God schrappen, zullen wij in het horizontale den mens verliezen.

Misschien zijn er ook onder onze lezers, die er al jaren vierkant buiten staan, buiten de christelijke kerk en buiten het christelijke geloof, die al jaren, wanneer men hen vraagt naar hun verhouding tot Jezus Christus niet de ideaal mens der zedelijke autonomie, maar als Gods Zoon de Godsopenbaring en de Heer der wereld met een zekere hooghartigheid antwoorden: Ik doe er niet meer aan, het is niet nodig christen te zijn, het is alleen maar nodig mens te zijn!

Maar is dan niet gebleken, dat met het christelijk geloof ook de menselijkheid verloren gaat? Toen wij Jezus Christus uitschakelden, begon het verval van het Humanisme en ten onrechte zegt Dr. Gerritse, dat de crisis van het Humanisme geen doodsstrijd, maar een geboortecrisis is. Wanneer wij nu na de oorlog zonder Christus beginnen, zullen wij nog wat beleven. Wij leven nu al van een schaduw. Het einde zal zijn de algehele liquidatie van Europa, dat voor ons toch iets meer

KANSELBOODSCHAP

Het Interkerkeiijk Overleg van

de Nederlandse Hervormde Kerk, de Rooms-Katholieke Kerk,

de Gereformeerde Kerken,

de Gereformeerde Kerken in H. V. de Christelijk-Gereformeerde Kerk,

de Oud-Ka,tholieke Kerk, de Evangelisch Lutherse Kerk,

de Remonstrantse Broederschap,, de Algemene Doopsgezinde Sociëteit heeft besloten de volgende Kanselboodschap te doen uitgaan:

Het is U bekend, gemeente, hoe de Kerken in Nederland zich in de bezettingstijd hebben verzet tegen den Duitsen onderdrukker en telkens openlijk hebben geprotesteerd tegen de door hem gepleegde onmenselijke handelingen.

Zij hebben Boodschappen doen uitgaan, welke met vreugde en dankbaarheid door ons volk werden begroet.

Toen God in Zijn grote barmhartigheid ook ons volk de vrijheid heeft geschonken, hebben de Kerken opgeroepen tot een vernieuwde dienst aan God den Heer, opdat Hem in woord en daad dank zou worden gebracht voor de verlossing uit zo grote ■

Met klem drongen de Kerken erop aan, dat door de Overheid de door God haar opgedragen taak: gerechtigheid te beoefenen, zou worden vervuld en het recht tegen allen die het schonden, zou worden gehandhaafd. Maar tegelijk hebben zij het volk aangezegd zich niet te laten overheersen door wraak- en haatgevoelens.

De Kerken herhalen thans haar oproep tot het Nederlandse volk.

Zij doen een ernstig appèl op ambtsdragers en gemeente om allen er van te doordringen, dat het aanzien van ons volk staat of valt met de beantwoording van de vraag of naar recht of naar wraak en haat in Nederland wordt gehandeld. Dit geldt met name de behandeling der politieke gevangenen. De kerken achten het een smaad voor ons volk, waneer na vijf jaren strijd tegen rechtsverkrachting en vijf jaren lijden onder de gruwelijkste methoden van het Duitse barbarisme, een der gelijke boze geest vat op ons volk zou hebben gekregen,

Daarom stellen de Kerken zich achter de Overheid, wanneer deze, naar haar hoge heilige roeping het recht handhavend, onrecht en willekeur in de behandeling dezer gevangenen met kracht tegengaat.

In de naam van God ontzeggen de Kerken aan een ieder het recht om na de beslissing door de aangewezen instantie nog recht naar eigen inzicht toe te passen,

De Kerken doen een beroep op het Nederlandse volk, in zijn gedragingen ten opzich te van de politieke gevangenen en hun kinderen te tonen, door de boze Duitse geest niet te zijn besmet, maar blijk te geven van het besef, dat ook bij strikte handhaving van het recht de barmhartigheid van Christus moet worden betracht,

Tenslotte doen de Kerken een beroep op alle betrokkenen, opdat met een sterke wil in samenwerking van Regering en volk een zodanige oplossing voor de berechting en de behandeling van de politieke gevangenen worde verkregen, dat wij ons voor God en mensen hierover niet hebben te schamen, ’s-Gravenhage, 12 October 1945.