is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 19, 09-02-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SDAP V >

– PARTIJ VAN DE ARBEID

Een overdenking

Voor ons, Christen-socialisten, die lid zijn van de S.D.A.P., betekent de oprichting van de Partij van de Arbeid ik neem aan, dat deze een feit zal worden een bevrijding. Hoe dankbaar wij onze oude Partij ook zijn voor het vele, dat zij tot stand heeft gebracht, welke mogelijkheden zij ons heeft gegeven mede de schouders te zetten onder het streven naar verwezenlijking van onze socialistische idealen, welke banden ons aan haar en aan vele partijgenoten binden, een geestelijke tehuis is zij nooit voor ons geweest en heeft zij nooit voor ons kunnen zijn. Dat zij dat wel was voor het grootste gedeelte der leden, betekende voor ons een innerlijke afstand tussen dezen en ons. Vandaar, dat wij immer met onze ganse ziel hebben kunnen staan achter het werk van het Instituu voor Arbeidersontwikkeling, de A.J.C., de Bond van Sociaal-Democratische Vrouwenclubs, waarvan de geest gedragen werd door die leden, voor wie de S.D.A.P. als het ware een geloofsgemeenschap was. Integendeel, wij ' hebben ons daardoor steeds bezwaard gevoeld, hetgeen wij aanvaard hebben om der wille van wat onze Partij aan positiefs bood en verrichtte. Wat het zwaarste was, moest het zwaarste wegen. Maar nu zijn wij van die last bevrijd, wij dragen niet langer de verantwoordelijkheid voor arbeid, waarachter wij nooit geheel met onze innerlijke persoonlijkheid hebben kunnen staan.

Dat is een gave, die ons in de schoot wordt geworpen; doch elke gave betekent tegelijk een opgave. Zie ik het wel, dan ligt deze op drieërlei gebied.

In de eerste plaats moet dit een versterking betekenen van onze wil tot het socialisme. Nu de rem der reserve is weggevallen, zal onze Christelijke gezindheid nog intenser en feller van zich moeten doen spreken in onze strijd voor een socialistische maatschappij, een maatschappij, waarin sociale gerechtigheid en sociale liefde geen ijdele klanken zijn en het winstbejag als economische drijfkracht wordt uitgeschakeld. Van Katholieke zijde Ik denk o.a. aan prof. Cobbenhagen is steeds verkondigd, dat het winstprincipe nimmer kan worden geëlimineerd, omdat steeds het streven moet wezen de baten groter dan de kosten te doen zijn. Evenwel, hoe vanzelfsprekend dit ook is, daarom gaat het niet; wanneer wij het winstbejag wilien uitschakelen, dan betekent dit, dat wij het streven naar persoonlijke winst, naar winst voor de enkele onderneming en haar aandeelhouders, naar winst, die niet aan de gemeenschap in haar geheel te goede komt, willen uitbannen. In de Partij van den Arbeid moet, als het goed is, ons Christendom zich nog zwaarder laten gelden bij de verwezenlijking van de uit het Evangelie voortspruitende zedelijke normen, nu wij weten, dat het daarom alleen te doen is, en wij niet beangstigd behoeven te zijn voor het innerlijk verwijt, dat wij zijdelings meewerken aan het grootmaken van een gebouw van levensovertuiging, die de onze niet is. Anders zijn wij die Partij niet waard.

Onze tweede opgave is diep te beleven en vooral duidelijk te maken aan de a.s. leden van de nieuwe Partij, die geen S.D.A.P.-ers waren, welk een groot offer het inhoudt voor hen, die een, wat ik zou willen noemen, typische S.D.A.P.-mentaliteit bezitten, om aan de oprichting van de nieuwe Partij mede te werken. Die mentaliteit heeft niet slechts een negatieve, maar ook een positieve kant. Negatief uit zij zich o.m. in een afkeer tegen het Christendom, dat een grote sociale schuld draagt. Ik herinner mij, dat één van mijn goede kennissen eens tegen mij zei: „Als ik een preekstoel zie of een orgel hoor, dan rli ik al.” Die afkeer is diep doorgedrongen. In de Commissie, welke de totstandkoming van het nieuwe Partijprogram in 1937 zegge en schrijve 1937 heeft voorbereid, stuitten Banning en ik op de felste tegenkanting, toen wij bij de uitspraak, dat de sociaal-democratische beweging voortbouwt op de beste Nederlandse tradities van geestelijke vrijheid en verdraagzaamheid, wilden zien uitgedrukt, welke ontzaggelijke rol het Christendom hierbij heeft vervuld. Het mocht niet. Bij het begrip Christendom denken vele ouderwetse S.D.A.P.-ers aan autodafe’s, inquisitie, star conservatisme en onverdraagzaam dogmatisme. Er wordt dikwijls naar voren gehaald, ik heb er hard aan meegedaan —, dat de socialisten heel veel van de Christenen te lij den hebben gehad, maar het omgekeerde is niet minder waar: de

socialisten hebben de Christelijke bedoelingen dikwijls op onwaardige wijze verguisd. Men leze eens Gerard Broms biografie over Alfons Ariëns, den schepper van de Nederlandse R.K. Arbeidersbeweging, wat, deze nobele figuur door de socialisten is aangedaan.

De positieve kant van de S.D.A.P.-mentaliteit en dat is in het verband van wat ik zeggen wil van belang bestaat hierin, dat voor de ras-partij genoten de Partij het geestelijk tehuis vormt. Dat tehuis wordt afgebroken. Wij kunnen slechts in de verte benaderen, wat dit voor het geestelijk leven van dezen zeggen wil. Niet slechts, dat de gehele sfeer van de Partij van de Arbeid een andere zal zijn, zij zal, kan en mag niet meer wezen wat de S.D.A.P. voor verreweg de meesten heeft betekend. Wat voor ons een bevrijding is, dat is voor betrokkenen een hoge prijs. In tegenstelling met wat hier en daar door tegenstanders wordt geschreven, nl., dat de oude S.D.A.P. met haar Partijprogram van 1937 met vele buitenstaanders wordt gevoed, wordt door haar, of liever door haar meest enthousiaste leden, van alle toetredenden het grootste offer gebracht. Dat moeten wij, Christen-socialisten uit de Partij, bovenal beseffen en aan de anderen duidelijk maken. En wij moeten tevens begrijpen, eerbiedigen, ja in zekere zin toejuichen, dat als logisch gevolg hiervan naast en los van de nieuwe Partij een verjongde A.J.C., een Bond van Sociaal-

Democratische Vrouwenclutas enz., zij het onder andere namen, als evenzoveel geestelijke tehuizen ontstaan. Persoonlijk heb ik aan de totstandkoming van de Stichting voor Maatschappelijk Werk op Humanistische grondslag, die op voorstel van een Commissie uit de S.D.A.P. door het Partijbestuur in het leven is geroepen, zonder bezwaar medegewerkt ik hoop, dat dit even duidelijk is, als het feit, dat ik aan de uitnodiging als vast medewerker van het door die Stichting opgerichte blad „Humanitas” op te treden, geen gevolg heb willen en mogen geven.

Een laatste opgave is gelegen in onze zendingsarbeid. In de S.D.A.P. als zodanig, hadden wij op dat terrein geen taak. Nog minder zal dit het geval wezen in de nieuwe Partij van de Arbeid. Maar daar buiten is deze zendingsarbeid ons van Godswege opgelegd. Het is waarlijk geen hoogmoed, al wordt het daarvoor dikwijls uitgekreten, wanneer wij constateren, dat het humanisme, zoals het in de oude S.D.A.P. hoogtij vierde, naar ons oordeel in de diepte een stuk geestelijke armoede betekende, omdat, zo niet aan de diepste levensvragen naar de zin van het leven en de bestemming van de mens werd voorbijgegaan, dan toch met zulke vage noties hierover genoegen werd genomen, dat geen mens, naar ons voorkomt, daarin bevrediging mocht vinden. Dit blijft waar, trots het feit, dat in het verleden niet het Christendom o schande maar het socialisme de roep voor gerechtigheid is geheten en geweest. Wij hebben te getuigen van het heil, dat in Christus voor ’s mensen ziel is gelegen, mede door de ernst, waarmee wij om der wille daarvan streven naar de verwerkelijking van het socialisme. Goed zaad heeft goede aarde van noode. En die ernst moet stellig ook door ons woord, maar bovenal door onze persoonlijke levenshouding waar worden gemaakt.

Ja, wij Christen-socialisten, hebben thans niet minder dan ooit een „taak” in ■ M. J. A. MOLTZER.

Een plaat uit het Duitsland van na de vorige oorlog. Getekend door een van de felste en meest sarcastische geesten uit die tijd George Grosz. Grosz heeft van het begin van zijn artistieke werkzaamheid af het burgerdom gezien als een van de meest invloedrijke factoren in de ontwikkeling van zijn land. Telkens en telkens weer geeft hij rake typeringen van dat slag mensen, dat in platte zelfvoldaanheid en domme zelfverzekerdheid de weg naar het herstel belemmert. Als anti-fascist moest hij Duitsland verlaten en emigreerde naar Amerika, waar hij een professoraat kreeg aangeboden aan de Academie van beeldende kunst te Boston.

SOCIOLOCIEN LEIDEN

Banning is professor geworden. Wij zijn daar allen blij mee. Om hem zelf en om al zijn vrienden. Om hem zelf vooral. De man, die grote gaven heeft, kan nu zijn allergrootste gave ook aan Nederlands oude universiteit ten dienste stellen. Want zijn allergrootste gave is, dat hij doceren kan. Dat hij met hart en ziel in de goede, eerbare betekenis van het woord, schoolmeester is gebleven.

Wanneer Banning kan opdiepen, vormgeven, nieuw de stof doen glanzen en overdragen, dan is hij op zijn allerbest. Ook zijn vrienden zijn blij. Het schenkt bevrediging, een stuk levenswerk, waaraan velen deel hebben, op deze wijze wetenschappelijk te zien gewaardeerd.

Want laten wij nu verder zwijgen over de man en zijn werk. In onze kringen zijn wij sober, tè sober vaak, met loftuitingen, wanneer het om mensen gaat. Wij zien gaarne de zaak en de krachten achter mensen en dingen. Maar ook onder dat gezichtspunt mogen wij verheugd zijn.

Banning zal les geven in kerkelijke sociologie. Een deftig woord, dat bedoelt: leer van de maatschappij, voorzover deze met het kerkelijke leven te maken heeft. En het is een theologische leerstoel. 8.v.: deze lessen zijn bedoeld voor hen, die zich bekwamen voor het predikantsambt. Zie

hier, waarom wij, christen-socialisten, deze benoeming toejuichen.

Hoe was immers de situatie? De theoloog leerde veel, kè.n tenminste als hij wilde veel leren. Veel over de Bijbel, veel over de Kerk en haar dogmatiek, over de buiten-christelijke godsdiensten, over filosofie en zedekunde. Kortom: over God, althans de openbaringen van God en over de mens. De mens in zijn staan voor God, de mens als kind, handelend wezen. Allemaal prachtig. Maar hij leerde weinig of niets van de maatschappij. De maatschappij als eigensoortig verschijnsel, waarin krachten woelen, die den mens vormen. Zeker, wie indertijd in Leiden college liep bij onzen-diep-vereerden prof. H. T. de Graaf, werd er met de neus opgedrukt. Dat was de tijd, toen de meerderheid der vrijzinnige theologische studenten socialisten waren. De orthodoxen moest eerst de ontzettende oplawaaier van de tweede wereldoorlog hebben, om te ontdekken, dat er heus een maatschappij bestond. Maar hoe vreemd vond men die statistieken van prof. De Graaf. En dat was nog maar een onderdeel van de sociale ethiek, een vak, dat overigens zeer verwant is met

de sociologie, zoals Banning die opvat. Thans zal die maatschappij-zelf voorwerp van studie voor theologen kunnen worden. Haar verborgen wetmatigheid, haar strekkingen, haar demonische krachten, haar mogelijkheden, haar geschiedenis met haar stromingen op politiek en sociaal gebied, dat zal alles levend om de jonge theologen gemaakt kunnen worden.

Of zij er socialisten door zullen worden, is de vraag niet. Het is alleen de kwestie, of onze predikanten straks niet alleen zullen vermoeden, maar zullen weten in welk een wereld zij staan. De wereld, waarin de Kerk staat. De Kerk, die, op haar beurt ook bekeken moet worden als een stuk maatschappij, waarin dezelfde strekkingen te zien zijn. Strekkingen, die niet weggepraat kunnen worden door stichtelijkheden.

Het siert de Leldse universiteit deze leerstoel te hebben opgericht. Het is een hoopvol teken van vernieuwing. Want het is hiet voor niets, dat prof. Kramer wel eens bitter zei, dat hij nergens zoveel verstarring ontdekte als in de kerk maar dan 2ich haastte er achter te voegen: èn aan öe universiteiten. Het siert de theologische

faculteit in het bizonder. Het is een teken van begrip voor de nieuwe noodzakelijkheden in de predikantsopleiding.

Ik schreef: de studenten kunnen zich nu al deze dingen eigen maken. Kunnen, niet zullen. Want het is een bizonder professoraat, dat Banning gaat bekleden. Dat wil zeggen: het wordt geen verplicht examenvak. De bleke jongeling, die het allang weet, kan de collegezaal van Banning voorbij lopen, en niemand doet hem iets. En de Kerk doet hem helemaal niets. Hij kan straks de gemeente ingaan, zonder een grein sociale kennis. Hoe kómt dat?

De Hervormde Kerk heeft geen kans gezien, deze stoel als kerkelijke stoel in te stellen. Zeker, theoretisch wordt dit vak al gegeven bij de ethiek. Maar dat blijft grauwe theorie. De kerkelijke hoogleraren zijn benoemd, omdat ze goede dogmatici of bijbeltheologen waren. Niet omdat zij sociologen waren, althans zich dat vak hadden eigen gemaakt.

Men weet, met welk een warmte wij de vernieuwingsbeweging 'binnen de Hervormde Kerk steunen. Daarom mogen wij ook gerust hier onze teleurstelling uitdrukken. Zeker, het instellen van een nieuwe kerkelijke hoogleraarsstoel is door de lange reglementaire weg die dit vereist niet zo eenvoudig als van een rijkshoog-

leraarschap, dat aleen de handtekening van een minister en de Koningin vraagt. Maar waar het hier zo duidelijk een zaak van dienst aan de Kerk betrof, had zij haar nieuwe wil, haar nieuwe vaart moeten demonstreren en een kloek getuigenis van haar wil tot verantwoord apostolaat moeten geven.

Intussen: de band met de Kerk is er. Banning, hoofddocent van „De Horst”, het opleidingsinstituut voor sociale werkers van de Hervormde Kerk, is tegelijk hoogleraar in Leiden. Deze personele unie tussen Driebergen en Leiden houdt een belofte in. Voor de Kerk, die midden in de wereld staat.

En om dat alles zijn wij uitermate verheugd. L. H. RUITENBERG.

De Werkgemeenschap voor Evangelie en Socialisme in Den Haag belegt op Woensdagavond 13 Februari 8 uur precies, een kernvergadering in de salonboot ~Watergeus” (bij de Laakbrug). Het onderwerp van deze avond is: ~Het Koninkrijk Gods en de Socialistische Heilstaat” en wordt behandeld door Arie Snaauw. Inlichtingen over de arbeid der Werkgemeenschap in Den Haag, zijn verkrijgbaar aan het secretariaat: Relnwardtstraat 85.