is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 23, 09-03-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veert is oneindig veel kleiner en men kan bii wijze van spreken gemakkelijker de honderdduizend uit de staatsloterij trekken dan dat men in dezelfde periode een grote zeekoet in de kijker krijgt. De kleine alk en de alk tout court komen des winters in de zeeën voor onze’kust lang zo vaak niet voor als de Noordelijke en Zuidelijke zeekoet, maar in sommige jaren geeft toch een behoorliik aantal individuen blijk van zijn aanwezigheid. Tenslotte verschijnen er ’s winters in de buurt van onze kust nogal eens Zuidelijke papegaaiduikers, dieren met een gekke snavel, die geel, blauw en rood is gekleurd. Dikwijls belanden de vertegenwoordigers der alkenfamilie in deze gebieden tegen hun wil en wel als storm- of stookolie-slachtoffers. Volledigheidshalve worde nog genoteerd, dat een andere vogel van de zee, de majestueuze Jan van Gent, die bij de orde der pelikaanachtigen is ingedeeld, ’s winters eveneens meermalen van het strand af kan worden waargenomen.

Terwijl de ijsduiker in Januari een uiterst zeldzaam dier is aan onze kusten, is de parelduiker niet zo’n grote rariteit; op zijn beurt is de roodkeelduiker een veel meer geziene wintergast. Wat de futen aangaat, kan worden vastgesteld, dat zij alle wintergasten zijn, wel niet uitsluitend, maar toch is hoofdzaak in onze kustwateren; wij sommen ze op in de volgorde van hun talrijkheid: fuut, dodaars, roodhalsfuut, kuif duiker, geoorde fuut.

Niet alle strandlopers schitteren ’s winters door afwezigheid. Integendeel: sommige vertoeven hier dan juist bij honderden en duizenden. Wij denken hierbij aan het drieteentje, de bonte strandloper, de paarse strandloper, een echt dier van bazaltglooiingen, dat men ’s winters derhalve veel ontmoet in gezelschap van steenlopers, en de kanoetstrandloper. Enkele van deze soorten zijn ’s winters niet alleen aanwezig aan onze Westelijke Noordzeekust, maar vertoeven ook gaarne veeltallig in het Wad-

dengebied, waar zich eveneens de zllverplevier, de rosse grutto, sommige tureluurs, de wulp en de scholekster op hun gemak gevoelen.

Eveneens kunnen wij ’s winters genieten van de aanblik, die een viertal kolonievormende vogelsoorten biedt: de lepelaar (doch deze is in het begin van het jaar maar door enkele overwinteraars vertegenwoordigd), de kluut, die aan de Sloedam en op enkele andere plaatsen de winter wel pleegt door te brengen, de aalscholver, die gedeeltelijk bij ons overwintert en de blauwe reiger; wat deze laatste soort betreft, er schuilen onder de vogels, die hier ’s winters vertoeven, meermalen buitenlanders.

Wij besluiten ons overzicht met de vermelding van enkele bewoners onzer moerassen, plassen en van ’t overige watergebied; meerkoet, waterhoen en roerdomp. Soms wordt dit op water aangewezen gevogelte door een plotseling felle winter overrompeld en dan gebeurt het niet zelden, dat heel wat individuen hun verblijf hier met de dood moeten bekopen.

Uit ons overzicht is intussen niet alleen overduidelijk gebleken, dat de winter, gelijk wij in de aanhef opmerkten, maar hier nog eens met nadruk wensen te herhalen, geenszins een vogelarme tijd is, maar bovendien, dat het aantal soorten in genoemd seizoen dat der zomervogels aanzienlijk overtreft.

Wij stellen ons voor in deze rubriek nader in te gaan op het boeiend leven van ons veelsoortig vogelheir en verder belangstelling te vragen voor wat de onuitputtelijke natuur ook overigens in alle jaargetijden geeft te bewonderen in de vorm van wonderlijk geschakeerde en wisselende schoonheid. RINKE TOLMAN.

ZIJN ER WERKGROEPE

voor evangalie en socialisme nodig?

Doordat er in ons blad een mededeling herit gestaan van de Haagse Werkgemeenschap voor Evangelie en socialisme, dat er inlichtingen bij het secretariaat te verkrijgen waren, zijn er verschillenden geweest, die mij een informerend briefje of kaartje hebben gezonden. Dit was natuurlijk niet de bedoeling, doch als antwoord geef ik dan dit artikel maar, het kan misschien een vingerwijzing zijn.

Op de conferentie te Haarlem is klaar en duidelijk de vraag: of het religieus-socialisme nog een taak te vervullen had, aan de orde gesteld. Even klaar en duidelijk is hier door Banning antwoord op gegeven. Teruggekeerd van deze conferentie is de Haagse groep aan de slag gegaan, volgens de lijnen die in Haarlem aangegeven waren. Veel moest natuurlijk opnieuw worden opgezet. Het is gebeurd. Van onderen op is de actie gekomen, we zijn nu echter zover, dat enige leiding van bovenaf wenselijk wordt. Een centraal leidinggevend orgaan ontbreekt echter, zodat veel werk dat nu gedaan wordt straks blijken zal overbodig te zijn. Nu weet ik zeer goed dat er een landelijk bestuur van de A.G. bestaat, waarvan onlangs de groepen nog een foldertje met enkele gegevens hebben toegestuurd gekregen. Doch dit ik niet hetgeen wij wensen. Jammer genoeg moet ik dus concludéren dat er van de leiding niet veel „leiding” uitgaat.

Misschien zien zij hun taak niet, het kan zijn, maar dan wordt het m.l. toch hoog tijd, dat zij het nu gaan zien. Moge de volgende regels hiertoe medewerken.

Het rel.-soc. heeft altijd gestreefd naar een ontmoeting van Christendom en socialisme. De ontmoeting is er, het ligt dus voor de hand dat het rel.-soc. deze taak als afgelopen beschouwt. Zo eenvoudig is de zaak echter niet en zo gemakkelijk komen de rel.-soclalisten er heus niet van af. De ontmoeting zal verstevigd moeten worden, wil men het niet opnieuw op een schei-

ding en tegenstelling zien uitlopen. Hier ligt dus om te beginnen een nieuwe taak. Men kan deze nieuwe taak op twee manieren aanpakken.

Ten eerste. Door het gesprek in de breedte, op het platform der politieke ontmoeting, zoals dat thans door de N.V.B. wordt gedaan. Ten tweede. Door bezinning op de grondwaarden der beide verschijningsvormen, m.a.w. afsteken naar de diepte, naar de kern.

Dit afsteken naar de diepte wordt niet of bijna | iniet gedaan, meetings en massacongressen zijn er| niet de geschiktste gelegenheden voor. Het is de taak voor kleine kerngroepen, die ondanks hun beperkt karakter, verzameld en gestuwd een enorme kracht kunnen vormen.

Dan is er uit de anti-these doorbraak nog een andere taak ontstaan, die niet over het hoofd mag worden gezien. Het is de vormingstaak. De geestelijke vorming der afzonderlijke leden van de „partij van de arbeid” zal door de diverse stromingen, die in de partij het politiek tehuis vinden, zelf ter hand moeten worden genomen. De vrijdenkers uit de partij doen dat in de Dageraad, de Katholieken in de kerk, de humanisten weer ergens anders Maar nu de protestanten. Deze zou men natuurlijk kunnen splitsen naar hun verdeeldheid; wenselijk lijkt het mij allerminst omdat dit het oecumenisch streven allerminst bevordert. Daarom een geestelijk tehuis voor alle protestanten, waarin voor alle schakeringen plaats is Verder is daar hst Bentveld- en Barchem-werk, dat in groter mate dan voorheen ter hand moet worden genomen. Er moet een dicht net van retraite-oorden komen, waar protestanten in een geest van christelijke verdraagzaamheid en liefde de problemen van kerk en wereld bespreken kunnen.

Ten leste is daar altijd de blijvende opdracht om, getuigen te zijn van Jezus Christus de Heer vaii ons leven. Hij moet toch ook de Heer van het

leven der socialisten worden, want dan pas is één onze Vader en zijn wij allen broeders. Nu bestaat er in de kringen van de dageraads- en Humanistisch-socialisten een zekere vrees, dat het „socialist worden” van vele christenen niets anders dan een vooropgezette zendingscampagne is. Zij menen dat wij onze grote kans willen waarnemen, om het door de oorlog onstane vacuum in de geesteswereld der socialisten, te vullen met christelijke denkbeelden en voor dit doel „de Partij” als middel gebruiken. Vanzelfsprekend nemen wij onze kans waar, dat is onze plicht, doch niet door middel van de partij. Dit zou een schending zijn van een pas gesloten overeenkomst, dat wij gezamenlijk, ieder van uit zijn levensovertuiging zouden strijden in een organisatie voor een socialistische maatschappijvorm. Edoch, de geestelijke nood van de arbeidende massa onbewogen te laten voorbijgaan, zou verraad aan onze hoogste roeping en opdracht zijn.

Welnu, zult gij zeggen hier is de kans voor de kerkl Zo eenvoudig als het lijkt is het toch niet. Het zou afkeurenswaardig zijn als de kerk in deze tijd alleen maar zou gaan spreken tot den socialistischen mens, laat staan socialistische partij.

De kerk spreekt of moet altijd spreken tot het volk in zijn geheel en tot den individuelen mens in het bijzonder en altijd tot den zondigen mens en tot het volk dat in duisternis wandeit, m.a.w. de kerk zal juist nu Het koninkrijk Gods moeten prediken, dat ook geldt voor den kapitalist en reactionnair. . Natuurlijk vervalt hiermee geenszins de plicht tot getuigen onder de socialisten. Voor deze taak nu lijkt mij de werkgemeenschap voor Evangelie en socialisme bijzonder geschikt. Twee klippen omzeilt men dan: vertroebeling van de geest en sfeer in de partij en verlaging van kerk tot richtingkerk. _ .

Er is dus reden genoeg om met alle kracht m vernieuwde vorm de vroegere arbeid ter hand te nemen. SNAAUW.

Wil men ons eens laten weten, of er in andere plaatsen al wat gedaan wordt, in de vorm van werkgroepen voor Evangelie en Socialisme. Wij nemen graag mededelingen daaromtrent oP(Red.)