is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 34, 25-05-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VRUCHTEN VAN HET JAAR I

r en jaar van vrijheid is verstreken. *-■' Kwantitatief kon de oogst van de litteraire akker nog niet groot zijn hoe staat het met de kwaliteit? Volle aren, voedzaam graan, of nog altijd veel kaf?

Het is natuurlijk een illusie geweest een illusie van de dromers van een vernieuwd Nederland dat ook het proza en de poëzie „vernieuwd” uit de beproevingen zouden opstaan: sterk en eenvoudig, gericht op wat in het leven wezenlijk is, bevrijd van veel ijdelheid en omslachtig zelfbehagen. Het lieve leven is al lang weer aan de gang de menselijke kleinheid wordt eenmaal door een oorlog niet weggevaagd. Maar wij kunnen het niet helpen, dat wij critischer zijn geworden; dat wij strenger wegen, en wat er te licht bevonden wordt kregeliger van ons af gooien.

Met vreugde ziet men oude boeken van zuiver gehalte weer in de étalages verschijnen: Van Schenders sober Fregatschip, de barre en moeilijke gedichten van Roland Holst’s Winter aan Zee, maar ook het lieflijke Orpheus in de Dessa; Engelman’s Tuin van Eros (verbeeld ik het mij, of heeft die tuin met de jaren tóch nogal wat van zijn charme ingeboet?), en zowaar ook weer de twee delen Dichtwerken van den ouden Gezelle, waarin zoveel onvergankelijke schoonheid ligt opgetast.

Maar het nieuwere? Er is één verschijning die met hoofd en schouders uitsteekt boven de rest: De Poort van Ishtar van dr. F. Schmidt Degener. Twee bundels en een lyrisch drama, het nagelaten werk van een man dien wij bij zijn leven niet als dichter hebben gekend. Laat ik het er maar direct bij zeggen: te moeiiijk voor den gewonen lezer; het is typisch een boek voor insiders, en dat geeft bij alle vreugde om deze verrassing toch even een bittere smaak. Men kan deze verzen niet genieten zonder aan Villa d’Este, Eurydice, de val van Constantinopel, „Anadyomene in de stijl der Renaissance” en talloze andere begrippen uit de Europese cultuur der eeuwen een voorstelling te verbinden. De dichter was directeur van het Rijksmuseum; geen wonder dat hij zich vertrouwelijk bewoog tussen wat de meesten van ons te ver en te geleerd is. Maar ook afgezien van de wel zeer brede ontwikkeling die dit boek vraagt men moet geloof ik wel een beetje insider zijn in de wereld van het dichterlijk scheppen om de wonderlijke kunst der „55 variaties” te beleven zoals zij beleefd wil zijn, steeds tegen de achtergrond van haar thema. En wat moet deze poëzie met een lezer doen die alleen maar om „iets moois” vraagt, en niet bereid is zich in eindeloos vernieuwde bespiegelingen over het duistere en toch steeds weer verrassende raadsel des levens te laten meenemen?

Een criticus heeft onlangs van dit boek verklaard, dat de term „belangrijk” er beter op paste dan „mooi”, en dat het daarmee, zuiver litterair gesproken toch eigenlijk geoordeeld was. Dit lijkt mij een misvatting. Er is een schoonheid van innerlijke structuur en van geestelijke achtergrond, die de directe aesthetische waarde van het „vers” te boven gaat. Zo staan er in het werk van Leopold regels, die de liefhebber van „een mooi vers” nooit boven andere verkiezen zal, maar waarin a.h.w. een hele wereld van verlangens en strijd, van vertwijfeling en weergevonden vrede aan de oppervlakte komt. Die simpele regels, verscholen voor wie slechts aesthetisch leest en niet met zijn gehele hart en zijn gehele ziel, getuigen van de grootheid van den kunstenaar niet minder dan het volmaaktste gedicht. Leopold wel mag

zijn naam genoemd worden bij dezen formaatvollen bewonderaar! Maar het is waar: minder dan de meester zelf weet hij in verzen aan de oppervlakte te brengen; méér voltrekt zich voor ons maar flauw waarneembaar in de diepten van zijn geladen persoonlijkheid.

Zullen wij hiernaast misschien Van Schendel’s „episch gedicht” £>e Nederlanders hebben te noemen? Neen lezer, want dit epische gedicht is mijns inziens een ietwat slaapwekkend fiasco. Ik heb

óók wel eens getwijfeld aan de waarde van romans en vertellingen van Van Schendel, die door de critiek vol dienstijver worden geprezen; maar deze „poëzie” is, al worden er hier en daar fijne dingen over het Hollandse landschap gezegd, vrijwel volslagen waardeloos.

Liever wend ik mij dan tot iemand van minder grote naam, den dichter Binnendijk, die bij denzelfden uitgever (Meulenhoff) twee boekjes liet verschijnen, een „inleiding tot de Poëzie van Bontens” onder de titel Een Protest tegen den Tijd, waar behartigenswaardige dingen in staan, en een bundeltje kwatrijnen. Oog in Oog. Het bundeltje vertoont zeker een sterke invloed van Bontens, maar die invloed vrucht van ernstig geestelijk verkeer met den meester strekt den jongeren dichter niet tot schande. In deze beide boekjes is althans de strikte en naakte ernst, waaraan wij behoefte hebben.

Die behoefte aan ernst houdt nochtans niet in, dat wij geen luchtige toon zouden kunnen verdragen! Integendeel; als in het lied van Dieuwertje Diekema, dat goedhartige bewonderaars van Maria Lecina zuinig doet kijken omdat het wel wat oneerbiedig is, heb ik een hartelijk plezier gehad. Heel gezond, als iemand „Vigo en Villajoyosa” eens vervangt door Bols-

ward of Oude-Pekela, en aantoont hoe licht de lezer zich laat inpalmen door een klinkend woord. Liever deze trouwens in de grond óók heel goedhartige Hollandse nuchterheid, dan veel plechtige rhetoriek. Als een schitterende degenstoot, neen meer dan dat: een volledige partij schermen tegen de nieuwe rhetoriek van de verzetspoëzie heb ik Stuiveling’s studie Het nieuwe Geuzenlied genoten'). Beheerst, sierlijk, maar dodelijk raak, hier ziet men deze heldere critische geest en knappen stylist misschien op zijn best. Een beetje ijdelheid bij het hanteren van de floret nemen we dan wel op de koop toe. Alleen waarom deze zelfde Stuiveling die bijv. „de zevende gast” doet spreken (over het stuitend litterair gehannes met het geschonden Rotterdam), zelf na de bevrijding met zo rhetorische producten voor het voetlicht verscheen?

De behoefte aan het echte en wezenlijke, die ons Stuiveling’s luchtig geschreven studie en zelfs het parodistische Dieuwertje Diekema doet waarderen, maakt anderzijds dat wij maar matig verrukt zijn van een boek van Vara Praagr over mevrouw Roland Holst Niet dat wij in deze degelijke dissertatie fouten hebben ontdekt; als die er mochten zijn, ontbreekt ons in elk geval de deskundigheid om ze aan te wijzen. Maar dat is juist wat mij in dit boek zo bitter heeft teleurgesteld; het is een boek zoals men ook over Isaac da Costa zou kunnen schrijven, wiens profetische gloed sinds lang gedoofd is; of over Hendrik Conscience, een braaf man voor wiens idealen wij hoogstens nog een historische belangstelling hebben. Het onoverkomelijke euvel van dit boek is juist, dat het een dissertatie is „ter verkrijging van de graad van doctor in de letteren en wijsbegeerte”, een behoorlijke, goed opgezette en verantwoord uitgewerkte academische studie, maar geen , woord voor de wereld”. Men leest er, als men een beetje thuis is in het werk van mevr. Roland Holst, niets nieuws, en zeker niets belangrijks uit. Wie zich zet tot een samenvattend boek over deze figuur, zal m.i. een van tweeën moeten zijn: de nederige bemiddelaar van haar profetisch getuigenis, of de brede, superieure geest die haar psychologisch en historisch als verschijning weet te plaatsen dr. Van Praag is geen van beide, en zo blijft zijn boek uiteindelijk academisch en zonder belang.

Min of meer hetzelfde geldt van het proefschrift van dr. G. w. Huygens over De Nederlandse auteur en zijn publiek. Het gezichtspunt, a.h.w. een litteratuurgeschiedenis te schrijven die van de oplaagcijfers uitgaat i.p.v. van de litteraire waarde, is belangwekkend genoeg; een litteratuurgeschiedenis, met andere woorden, waarin Bartje en dr. Vlimmen de plaats van Gorter en Leopold zouden innemen, en Ivans die van mevr. Holst. Het inleidende hoofdstuk wekt dan ook verwachtingen. Maar wat interesseert ons verder de historische populariteit van Tollens, of van Vondel’s concurrent Jan Vos? Belangrijk, maar dan ook uitermate belangrijk wordt dit alles m.i. eerst als materiaal voor een sociaal-psychologische studie, die dan liefst op sociaal-paedagogische conclusies zou moeten uitlopen. Een dergelijke studie zou een levenswerk kunnen zijn; of dr. Huygens er nog eens een bijdrage toe leveren zal?

M. H. VAN DER ZEYDE

') Schrift 1, Jrg 18 van De vrije Bladen (A. A. M Stols, Den Haag). ’) Dr. J. Ph. van Praag, Mevr. Roland Holst, haar wezen en werk.