is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 46, 24-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lisme en het communisme als gezindheid gezien verwante trekken met het Godsrijk vertoonden, in de wereld verwezenlijkt betekenen zij een bepaalde economische en rechtsorde, waarvan de waarde in de eerste plaats beoordeeld moet worden naar de vraag, of zij economisch de belangen der mensheid al dan niet het beste dient en al dan niet voor de bescherming van de rechten van de burgers de beste waarborg biedt.

Dat is een zedelijke eis. Zo is het koloniewezen niet veroordeeld, omdat het hi strijd is met het Koninkrijk Gods, maar omdat het economisch niet verantwoord is. Ditzelfde geldt voor de gemeenschappen als ook de goederénbeurzen rivet arbeidsbonnen van den genoemden Owen.

Het socialisme als economische rechtsorde is in de eerste plaats zedelijk geboden, omdat het technisch de beste waarborg biedt voor een zo rechtvaardig mogelijke voortbrenging en verdeling van goederen en een zo groot mogelijke bescherming in verschillende richting van de rechten van den mens.

Maar geen enkele economische en rechtsorde staat op zichzelf. In de tweede en voor den Christen voornaamste plaats moet zij daarnaast beoordeeld worden naar de vraag, of zij bevorderlijk is voor de groei en de bloei van het Koninkrijk Gods. Voor Ragaz is een socialistische maatschappij wel niet het Godsrijk in zijn volle omvang, maar toch wel een stuk ervan, voorzover daarin gerechtigheid woont; naar mijn overtuiging is zij een instelling van en voor aardse tijdelijke mensen en is het Godsrijk steeds iets van andere orde, een wereld, die in de harten van wedergeborenen leeft. Alleen biedt een socialistische maatschappij een betere gelegenheid dan de kapitalistische voor de ontplooiing van dit zuiver geestelijk Rijk. Voor het zaad van dit Rijk is goede aarde nodig. Vandaar dat naast het zaaien, gelijk de zaaier uit de gelijkenis doet, het ook van groot gewicht is doornen en distels uit te trekken en stenen te verwijderen, opdat er nog meer goede aarde kome, die vrucht voortbrengt. Maar zaad en aarde blijven onderscheiden grootheden. Gaarne zeg ik het de Beginselverklaring der Frans sprekende socialisten na: „Socialist wijl Christus”, maar niet omdat het socialisme de minst onvolmaakte uitdrukking van de Christelijke boodschap zou zijn, maar omdat het de voorwaarden schept voor een Geestelijk Rijk Gods. Op zichzelf is in het socialisme niets meer te vinden van het Koninkrijk Gods dan in het kapitalisme, alles hangt af van wat er in de harten leeft. Ondertussen, in een samenleving, die niet op concurrentie maar op samenwerking, niet op winstbejag maar op het gemeenschappelijk belang is gebaseerd, zijn de mogelijkheden voor een leven in liefde tot God en den naaste in een verbondenheid in Christus oneindig groter dan in een kapitalistische. Daarom hang ik het socialisme in de diepte aan. Om dezelfde rede verwerp ik het communisme, wijl het één der eerste eisen van het Koninkrijk Gods, de geestelijke vrijheid, miskent.

Ik ben mij bewust, dat het verschil van inzicht tussen Ragaz en mij op beide genoemde punten practisch tot verschillende levenshouding leidt. Maar ik weet mij weer geheel één met hem, wanneer hij zijn boek besluit met de bede; Uw Koninkrijk kome. Ik bid ieder en mijzelf toe, dat ons gebed iets van de intensiteit en de gloed moge hebben, waarvan het zijne is bezield.

M. J. A. MOLTZER.

Het stond dezer dagen tn de krant, het zal mooi worden, heel mooi. De Jodenwijk in Aynsterdam zal nieuw worden opgebouwd. Brede straten, moderne huizen, veel groen. Nieuw, nieuw, alles nieuw... maar met al dat nieuwe bedekt men niet wat er verloren is gegaan. Verloren is de ziel. En de ziel, dat waren de drukdoende negotiemensen, dat waren de brede vrouwen achter hun viskarren. Die ziel sprak ook uit de stilte op Zaterdag. ledere Zaterdag is voor den Jood een feestdag, dan is zijn huis licht en schoon. Schoon waren dan ook de anders zo roezemoezige straten in de Jodenbuurt. Men kon er dan zonder gevaar lopen, gevaar om uit te glijden over de kwistig neergeworpen bananenen sinaasappelschillen.' Waar zag men zo’n gezellige drukte als in de Jodenbuurt op Vrijdagmiddag én rook men ooit zo’n mengelmoes van ieder op zich zelf heerlijke geuren, die overigens slecht samen pasten? Zure augurken, uitjes en komkommers, alle soorten fruit ’s winters nog gepofte kastanjes en de zoete geuren van bolussen en boterkoek, die uit de banketbakkerswinkels naar buiten waaiden.

De ziel sprak ook uit die markt op Zondagmorgen: De Jodenhoek. Welke Amsterdammer heeft daar niet goede herinneringen aan? Voetje voor voetje slofte men door de eivolle Uilenburgerstraat en Houttuinen. Wat lag er al niet te koop?: van boordeknoopjes tot complete fietsen. Wijd uitgespreid lagen de vodden en altijd vond men er wel iets van zijn gading. Dan begon het loven en bieden, een kunst op zichzelf ....

Er komen nieuwe huizen en brede straten, er zullen ook wel weer markten komen. Maar de Joden „ausgerottet”.

En Amsterdam zonder zijn Jodenbuurt, zal Amsterdam niet zijn. M. K.