is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 44, 1946, no 47, 31-08-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om den leyenden .mens

Hebt u wel eens opgemerkt, dat mensen, die zich zo bijzonder inspannen voor de grote sociale en politieke strijd, ter verdediging van de democratie, het socialisme, het humanisme ach en ook ter verdediging van Kerk en Christendom en God zelf zo heel gemakkelijk... den mens verge- ten? U kent ze wel, de typen die als maar redevoeringen houden, óók als je met z’n tweeën bent; en als ze luisteren naar de ander alleen maar luisteren naar z’n argumenten, niet naar z’n ziel, en opnieuw een redevoering afsteken om de argumenten te vernietigen... Laat ons eerlijk zijn, zo komen ze voor in de politiek waar men „de massa” moet begeesteren; zo kom je ze tegen in de sociale strijd, waar alweer de positie der massa moet worden verbeterd; zo zie je ze in de kerk, waar een dominee meent dat een stampvol kerkgebouw het eerste teken is van het aanbreken van het Koninkrijk Gods... U kent dat verschijnsel en hebt er uzelf, misschien in een ma’ssavergadering of in zo’n volle kerk mee vermaakt, en gedacht: zou Onze Lieve Heer niet glimlachen om onze dikdoenerij ...

Als u dat verschijnsel kent, hebt u er óók wel eens over doorgefilosofeerd. Is het enkei maar de aangeboren machtswil juist van den kleinen mens, die door het opgaan in de massa gróót wordt? Is het vooral te wijten aan de verzakelijking van al onze verhoudingen: het leven in de grote steden waar ieder aan ieder voorbij leeft en daarom de vereenzaming zo groot is, het industrialistisch arbeidsproces aUeen maar oog heeft voor massa-productie en massamensen, de noodzaak tot massa-maatregelen zoals onze hele sociale wetgeving is. waardoor de persoonlijke bemoeiing met enkelingen verdwijnen moet? Ik heb dit soort argumenten vaak genoeg laten gelden en geloof ook wel, dat „er wat in zit”,

JVlaar ziet u, dan betrap ik mezelf erop en juist op een ogenblik, dat ik het moeilijk vLdragen kan: nét in de gloed van een speech, of nét in een gesprek met een ander, die tegen mijn argumenten niet op kan nét in een debat waarin ik me sterk voel dat ik zelf aan het dikdoen ben, en

helemaal niet meer luister naar de ziel van de ander ... Ik geef u de verzekering, waarde lezer, dan vermaak ik me niet meer, en dan geef ik om al de argumenten van zo pas geen halve cent meer... Want zij zijn masker-argumenten, zij verbergen het wezenlijke.

4. Wat dat dan is? Vergeef me, dat ik dat alleen in ouderwetse „christelijke termen zeggen kan ik geloof niet dat men het met andere termen beter zeggen kan. Wat het wezenlijke is? Om voor de massa te strijden, haar rechten te verdedigen, haar positie te verbeteren, behoef je niets inje zelf te verloochenen. Maar om eerbiedig en aandachtig te luisteren naar de Jel van een ander, moet je weten wat zelfverloochening is en gewoonlijk vertik ik het, om dat te weten ...

Misschien heeft het goede zin al is het geen aangename bezigheid om daarover door te filosoferen. Het zal in elk geval vruchtbaarder zijn dan dat filosoferen van zo pas over de moderne maatschappij, omdat het niet gaat over de omstandigheden, de dingen die om ons heen staan, maar over den mens die ik zelf ben, en die in de eenzaamheid staat. Is het niet dit, dat ik eigenlijk weiger om mezelf te stellen, in die huiveringwekkende maar ook levenwekkende eenzaamheid waar God me tegemoet kan treden? Wonderlijk is dat, dat zelfs een dominee, die geacht wordt z’n Bijbel te kennen, deze eenvoudige waarheid vergeet: als je jezelf wilt zijn, in de diepste zin, dan moet je tenminste éénmaal in je leven, eerlijk en naakt, met al je armzaligheid, eenzaam voor God hebben gestaan. Ons eigen mens-zijn hangt af van het zijn van God in de meest persoonlijke relatie, in de eenzaamheid. Zo staat het immers in die verschillende verhalen in het Evangelie springlevend voor ons: een verlopen individu, of een gezeten burger, of een door geldzucht bezetene worden pas mens, pas zichzelf, wanneer ze door Gods kracht onderstboven zijn gekeerd. En eerst dan kunnen zij de weg van de zelfverloochening gaan.

Of ik luisteren kan naar een ander mens

hangt rechtstreeks daarmee samen, of ik heb leren luisteren naar God. Dé.drdoor word ik een mens. Krijg ik waarachtige eerbied voor een ander mens. Neen, ik schrijf géén hoofdletter M want ik bedoel geen abstracten idealen mens, maar den doodgewonen, niet zo bijster belangrijken mens die toevallig naast mij komt lopen op de weg door het leven. Zoals God zich ook heeft ingelaten met den doodgewonen mens die ik zelf ben.

Hoe ik er vandaag toe kom om over den mens te piekeren? Ik geloof door twee dingen. Ik héb me vandaag verdiept in het vraagstuk van de arbeidsverhoudingen, en allerlei plannen vanaf „Nieuwe Organen” in 1932 tot de dissertatie van mijn vriend Jan F. de Jongh nog eens de revue laten passeren. Ik ben er van overtuigd hoé belangrijk het is, om de rechtsorde en de bestaanszekerheid van „de arbeiders” zo goed mogelijk te waarborgen. Maar achter en in die grote grauwe massa van „de arbeiders” weet ik den enkelen mens, zoals ik hem ken uit mijn stille vertrouwde uren om dien méns, om zijn innerlijk leven, om zijn levensontplooiing is het miJ te doen.

En verder heb ik vandaag een en ander gelezen over de N.5.8.-ers die zullen worden losgelaten of niet. Ach neen, géén sentimentaliteit. Géén slap humanitair geroep om weet ik wat. Maar héél zakelijk en nuchter realiseer ik me, dat het ook hier om mensen gaat. Christus zou de macht hebben, om ze onderstboven te keren, om ze te breken in hun hardheid en waan of vals idealisme. Ik heb die macht niet. Stellig is het noodzakelijk, dat er maatregelen worden genomen, om ze op te vangen.,. we schrijven artikelen, en houden redevoeringen, natuurlijk. Maar nou ben ik weer bij het begin terug: misschien hebben wij de kunst verleerd of weigeren we haar toe te passen – om te luisteren naar den mens. Omdat we de zelfverloochening weigeren...

En toch gaat het bij alle sociale en politieke vraagstukken om de levende mensen. Vandaar dat het Evangelie zo persoonlijk en... kinderlijk actueel wordt als het over de politieke en sociale dingen gaat. Om den ievenden mens kè.n het alleen gaan, waar de levende God spreekt. W. B.

dan spreken over het wegnemen van al het schilderachtige en het romantische en ge zult wel enige moeilijkheid ondervinden, om deze woorden omschreven te krijgen, Vroeger of later zal het u helder worden, dat hü het vooruitzicht van een wereld, waarin „Jan evenveel waard is als zijn meester” uiterst onaangenaam vindt. Als ge nu doorgaat hem met vragen en doeltreffende voorstellen te peilen, dan gaat ge geleidelijk bemerken, hoe ’n grote rol in zijn opvatting speelt, de behoefte boven zijn medemensen uit te blinken (en terloops zult ge a.u.b. letten op uw eigen stille voldoening tegen hem in te gaan met redeneren). Het zal duidelijk voor u worden als ge het gedrag van het specimen, dat ge onder observatie hebt, vergelijkt met dat van kinderen, uw eigen gedrag en dat van de mensen rondom u, hoe grote behoefte zij allen hebben aan een besef van triomf, aan een gevoel van beter te zijn en beter te doen dan hun medemensen, en dit moet

dan liefst worden gevoeld en erkend door iemand. Deze drift is dieper dender dan de sexuele het is een soort honger. Het is de sleutel tp pgrip van zoveel lelijks in het sexuele pven, van sadistische aandriften, van hebzucht, van gierigheid en van eindeloos en onprofijtelijk bedrog en verraad, dp aan mensp hp gevoel geeft het beter dan pn ancter te hebben, zelfs wanneer ze al met boven dien ander uitkomen.

~ , , En dit is in laatste instantie de reden, waarom we een wet moeten hebben, en waarom een Magna Charta en daarmp verwante documenten er op uit zijn de menselijke natuur te beteugelen ter verdediging van het menselijk geluk. De wet is eigenlijk een systeem om die behoefte aan zelfverheerlijking boven andere levende wezens aan te passen aan het sociale leven, en ze is noodzakelijker in een collectivistische maatschappij dan in enig andere, Vertaling J. G. B.

Leestafelnieuws

M. J. Hontgerink, „Jeugdbeweging”, v. Gorcum, Assen 1946.

Een handig boekje voor wie een eerste oriëntering wil ontvangen bij de bestudering van de geschiedenis der Nederlandse jeugdbeweging.

Overigens leze men hetboekjecritisch.en lette men meer op de algemene lijnen dan op de aparte gegevens, die soms aanvechtbaar zijn. Zo b.v. op blz. 73, waar staat, dat de N.B.A.S. een verlengstuk van de actie der ouderen zou zijn geweest. Bovendien: N.B.A.S. bestaat niet meer!

L. H. R

J. J. Buskes Jr. „Een vreemdeling in een vreemd land”, over Ds. A. R. Rutgers. Kirchner, Amsterdam, f 1.—.

Een boeiende, warme beschrijving van de figuur van Ds. A. R. Rutgers, den antimilitairist en tot de 40er jaren, de eenzame onder de zijnen, omgekomen in het concentratiekamp Dachau. Enige innig-eenvoudige en gelovige brieven, met de korte getuigenis van een aantal zijner vrienden completeren deze suggestief geschreven levensbeschrijving.

'L. H. R