is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1946, no 11, 07-12-1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mag dat nu zomaar?

„Bah”, zei ik, zo dat het klonk door de hele boekwinkel, en sloeg met een klap het bundeltje dicht waarin ik had staan bladeren. Ik geloof dat ik een kleur kreeg van kwaadheid.

Werkelijk, ik heb zeldeh zoiets lelijks en gemeens gelezen als die laatste halve regel van dat bewuste sonnet, en toch komt er geen onvertogen woord in voor. Wat is dan het geval?

In 1934 gaf de dichter Nijhoff zijn „Nieuwe Gedichten” uit; van die Nieuwe Gedichten verscheen dezer dagen de vijfde druk. Achteraf gezien wil ik wel toegeven dat een aantal van die verzen, waar toentertijd menig poëzieminnaar zijn hart aan verloor, niet volmaakt waren. Toch komt de vraag: „Mag dat nu zomaar?” in mij op, als ik zie hoe de auteur in verschillende van. die, intussen bijna klassiek geworden, te*ksten heeft zitten veranderen. Hebben wij wij lezers dan niet een zeker recht om die verzen ongeschonden overgeleverd te zien? En dit klemt te meer, omdat de veranderingen, althans naar mijn persoonlijke mening, zo zelden verbeteringen zijn. Wie kan nog enig plezier hebben in De Soldaat en de Zee, als hij regel voor regel de verschillende lezingen moet gaan zitten vergelijken, of het een bedorven Middeleeuws handschrift was? Wie wendt zich niet verdrietig af van De twee Nablijvers, nu het deze grove nadrukkelijkheid gekregen heeft? In mijn exemplaar van de eerste druk heb ik welgeteld drie wijzigingen overgenomen: een in De dwaze Bijen (maar dat was in de oude lezing bijna even volmaakt), een in De Vogels (waarvan nu inderdaad de kwatrijnen nóg beter zijn, maar de terzinen mij nog steeds niet kunnen bevredigen), en een in Het Klimop, waar een kleine fout die mij altijd gehinderd had nu bijna volmaakt is hersteld. Maar de hele rest kan ik niet als winst voelen, en in verschillende gevallen alleen als een pijnlijk verlies.

Dit kan men echter nog een aesthetische kwestie noemen; een kwestie van de beroemde „smaak waarover niet te twisten valt”. Anders is het echter met dat ene sonnet, waarover ik heel bepaald wèl twisten wil. Enkele jaren na de Nieuwe Gedichten heeft de dichter in een tijdschrift acht sonnetten gepubliceerd, die nooit.gebundeld zijn. Toch horen zij m.i. tot de schoonste en waardevolste poëzie die de laatste tien jaar is geschreven, en één ervan, dat van de „fluitketel”, heeft ten spijt van zijn auteur een wat ruimere bekendheid, en naar mijn indruk in „vakkringen” zelfs een zekere vermaardheid gekregen. Wij drukken het hierbij af.

Twee regels slechts, die misschien om toelichting vragen: die plotselinge uitspraak over het „ontwaken in een trein”, wat heeft die in het verband te maken'’ Maar het moet de fluitketel zelf zijn, die deze associatie heeft opgeroepen: fluit locomotief internationale trein wakker worden in een onbekende wereld vol belofte huwelijksreis.

Heeft de vrouw dezelfde associatie gehad? Of zijn haar gedachten langs andere weg op hetzelfde punt uitgekomen? Zeker is het, dat ook zij terugdenkt aan de beloftevolle dagen van het begin. Maar niet om ze te betreuren, en zichzelf te beklagen

dat zij daar nu zo prozaïsch in dat keukentje staat, met een man die haar op zijn sloffen is nagelopen, en haar juist als zij alle aandacht nodig heeft met zijn rare vragen lastig valt. Neen, terwijl deze mensen de heel gewone dagelijkse dingen doen, wordt door de wijze waarop zij die dingen beleven het proza tot poëzie. Zoals „de damp geur wordt”.

Een ouder geworden vrouw, die haar man durft vragen om „een nieuw bruiloftslied”, moet heel zeker van haar zaak zijn. Twijfelde zij ook maar een ogenblik aan de gaafheid van hun liefde, dan zou zij het hachelijke onderwerp niet aanraken. Maar deze vrouw krijgt haar wens vervuld op hetzelfde ogenblik dat zij hem uitspreekt: de afsluiting die haar woorden aan het gedicht geven, maken dit sonnet tot „een nieuw bruiloftslied”, een bruiloftslied voor oudere mensen.

Als dit gedicht ons na aan het hart ligt, is het niet alleen omdat het een voortreffelijk geslaagd sonnet is, en een mooi en treffend vers, maar ook omdat het een uitdrukking is van Holland op zijn allerbest. Dat in een rotte, door moedeloosheid, skepsis en laffe genotzucht aangevreten tijd, een tijd zonder rust en zonder waardigheid, dergelijke poëzie kon ontstaan, is iets wat ons weer vertrouwen geeft in de toekomst van onze cultuur.

En nu staat daar in de 5e druk van de Nieuwe Gedichten onder de titel Impasse hetzelfde sonnet.

Met een kleine wijziging, denk je eerst; want de twee moeilijke regels zijn verdwenen, en hebben voor iets vlakkers en onbelangrijkers plaats gemaakt. Maar neen, die glycine en dat tuimelraam blijken maar bijkomstig: het is alles begonnen om die dosis vergif, de gemene, giftige angel in de staart.

Leuk hè? Zo’n heel kleine verandering maar, en nu staren uit datzelfde prachtige gedicht de leegte en de verveling je aan. Voor wie het oorspronkelijke niet kende, 's het nu een onbenullig, landerig, cynisch vers geworden zoals er zovele zijn (alleen knapper van techniek); maar voor wie weet wat er gebeurd is, is het een verraderlijke, venijnige steek.

Mag dat nu zomaar? Als iemand een kunstwerk van zo nobele geest en zo manlijke schoonheid gemaakt heeft, mag hij dat dan zomaar wegmoffelen en er zoiets lafs en naargeestigs voor in de plaats geven? O, men hoeft mij niet met „verklaringen” en toelichtingen aan te komen! Ik begrijp waarlijk wel, dat een vers als dat van het „bruiloftslied” zijn auteur kan gaan kwellen, vooral als anderen het prijzen en men er misschien zelf na jaren vreemd van geworden is. De pijn om eigen onmacht, zij kan ten diepste respectabel wezen; wie daarvan overtuigd wil worden leze het vers dat in de éérste druk op deze plaats stond, een vers dat mislukt en toch zo onvergetelijk prachtig is. Ja, ik wil verder gaan: er is zeker eens gefluisterd „Ik weet het niet”, dat God meer behaagt dan programmatische betuigingen vol luidruchtige toekomstzekerheid.

Maar dat alles maakt deze „mop” (want uiteindelijk is het niet anders dan een meesterlijk puntig geformuleerde en onnavolgbaar voorgedragen geestigheid) nog des te onvergefelijker. De dichter zal er

onder vrienden, zo na tafel of tijdens het bitteruur, wel veel succes mee hebben gehad. Misschien is mijn boosheid hem nog een kleine voldoening te meer. Maar weegt dat op tegen de vieze nasmaak?

M. H. VAN DER ZEYDE.

Wij stonden in de keuken: zij en ik. Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag. Maar omdat ik mij schaamde voor de vraag wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf en de kans hebbend die ik hebben wou dat zij onvoorbereid antwoorden zou, vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan. Weer is dit leven vreemd als in een trein te ontwaken en in ander land te zijn.

En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan het drupp’lend water op de koffie giet en de damp geur wordt: een nieuw bruilofts-

M. NIJHOFF

IMPASSE

Wij stonden in de keuken, zij en ik. Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag. Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf, en de kans hebbend die ik hebben wou dat zij onvoorbereid antwoorden zou, vroeg ik: waar over wil je dat ik schrijf?

Juist vangt de fluitketel te fluiten aan, haar hullend in een wolk die opwaarts schiet naar de glycine door het tuimelraam.

Dan antwoordt zij, terioijl zij langzaam aan druppelend water op de koffie giet en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

UIT HET PROT. CHRISTELIJK werkverband

Tot onze voldoening kunnen wij vaststellen, dat men in verschillende plaatsen bezig is een afdeeling van ons Protestantsch-Christelijk Werkverband op te richten. De organisatie daarvan vindt dus op een bevre(hgende wijze voortgang. Wij hopen in de loop van de tijd daarover nadere mededelingen te kunnen doen. |

intussen staan thans nieuwe afdelingen voor de vraag hoe zij de werkzaamheden zullen organiseren. Het Voorlopig Bestuur staat op het standpunt, dat men dit het beste aan de hand van de plaatselijke behoefte kan regelen. Wanneer de afdelingen ons mededelen hoe zij de zaak aanpakken, kunnen wij, wanneer wij menen, dat andere afdelingen met de ervaringen elders haar nut kunnen doen, daarvan in „Tijd en Taak” mededeling doen. Wij willen er voor ditmaal reeds de aandacht op vestigen, dat een van de leden van ons Werkverband het denkbeeld heeft geopperd om te beginnen met een bespreking van „Balans van Nederland” van Prof. Dr. G. van der Leeuw. Wij achten dit een waardevolle suggestie, die wij op deze wijze gaarne doorgeven. |

Alle correspondentie over het Prot. Chr. Werkverband van de Partij van de Arbeid te richten aan den voorzitter Mr. G. E. van Walsum, Julianalaan 8-b, Rotterdam.