is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 14, 04-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN EDELE HARTSTOCHT

Aan het begin van 1947

In 1943 verscheen als Illegaal vlugschrift een gedicht van Van Randwijk: Celdroom. Het werd opgedragen aan alle Nederlanders, die lijden of geleden hebben In Duitse gevangenissen en concentratiekampen.

De uitgeverij Vrij Nederland heeft aan het einde van 1946 een legale uitgave van dit gedicht gepubliceerd „In dankbare en eerbiedige herinnering aan onze kameraden die vielen In de strijd voor Vrij Nederland”.

Een man van het verzet wordt door de Groene opgepakt. Op de wahd van zijn cel leest hij de woorden: Gerechtigheid zal wederkeren! De woorden zijn met een spijker in de muur gekrast. Ze wekken het visioen van de Celdroom.

De muren van de gevangenis wijken en alle gevangenen treden naar buiten en stromen door het land naar het hart van Holland: Amsterdam.

Maar wie bedrukt hier binnen was, treedt juichende het zonUcht tegen, hun voeten gaan als op jong gras \ zo zacht en snel, hun stemmen kregen een diepe toon alsof een kerk

rondom de drom stond opgetrokken. „Gerechtigheid, o hemels merk, hoe wordt aan ons uw macht voltrokken!

Donderend stijgt uit de tfoep als een signaal de hoge roep: Gerechtigheid.

En ’t luisterend volk van Amsterdam herhaalt het in een diep verwonderen. lir Nederland gebeuren wonderen! Daar brandt de liefde als een vlam! Een nieuw geschieden breekt zich baan

en ’t vaderland, bevrijd van keet’nen heeft recht en waarheid aangedaan, geopenbaard in duizend’ teek’nen.

Wij zijn een schoner bouw begonnen, ’t bestek weet, wie ’t geheimnis kent: de vi'eugd uit droefenis gewonnen en liefde is het fundament.

Maar als de celdroom is uitgedroomd, is er alleen de cel en het „nog niet”.

Nog is het nacht „O God, de di'oom, die hier begon. Gij hebt de macht het waar te maken ! De wereld wankelt voor Uw ogen. Uw schepselen in bloed en slijk. ’

Vergeef ons het vermetel pogen rakelings langs Uw Koninkrijk een schone dwaze droom te spinnen dit trots en overmoedig lied ”

Vrijheid, gerechtigheid, o eindeloos beminnen, nog niet... nog niet... nog niet!

Wij herlezen de Celdroom aan het begin van 1947. De celdeuren zijn opengegaan. Maar de Celdroom Is niet verwezenlijkt, veeleer diep beschaamd. Wanneer wij de werkelijkheid nuchter onder de ogen zien, zeggen wij: nog niet... nog niet... nog niet.

Is het pogen van Van Randwijk en allen die naast hem stonden In de ene strijd, om rakelings langs het Koninkrijk Gods hun dwaze droom te dromen, al te vermetel geweest?

Wat zouden wij deze pijnlijke vraag graag bevestigend beantwoorden, om ons-

zelf veilig te stellen en te beschermen tegen alle mogelijke beschuldigingen van buiten af en meer nog van binnen uit!

Het is onmogelijk.

Deze dwaze droom is immers onze erïige hoop, de ster in de nacht, het licht in het donker. Nooit is er door een volk iets groots verricht, nooit is er in de wereld geschiedenis gemaakt zonder deze dwaze droom.

Op de keerpunten der historie worden de hopelozen en de hopenden, de onheilig ontevredenen, die niets te verliezen hebben en de heilig ontevredenen, die alles willeh winnen, op één hoop geworpen. Zij waren het, die geboeid en meegesleept werden door het nieuwe, dat het bestaande wilde omzetten, voorwaarts en opwaarts.

Het zou zeer zeker onjuist zijn, wanneer wij aan het begin van 1947 uitsluitend sombere klanken lieten horen. 1946 had niet alleen zijn donker, maar ook zijn licht. Wij denken niet het minst aan wat in sociaal opzicht door Drees en in politiek opzicht door Van Mook, Schermerhorn en Jonkman tot stand werd gebracht.

Vanwege de duurte der levensmiddelen, die voor een groot deel van ons soberheid, zoal niet gebrek en armoe betekent, lopen wij gevaar te vergeten, dat Drees metterdaad bezig is, sociale nood op te ruimen. De door hem ontworpen en door het parlement aanvaarde sociale maatregelen zijn voor duizenden een zegen.

Vanwege de felle en vaak onedele strijd rondom het vraagstuk Nederland-Indonesië en al de ellende, die het zowel voor Nederland als Indonesië met zich brengt, lopen wij gevaar te vergeten, dat onze regering samen met Sjahrir metterdaad bezig is, dit vraagstuk langs een weg van menselijkheid en gerechtigheid, met uitschakeling van het stomme en brute geweld, dat aan duizenden het leven zou kosten, op te lossen.

Dit alles neemt niet weg, dat moeheid en cynisme zich al meer van ons volk meester maken. Men kan trachten, deze moeheid en dit cynisme te verklaren als een naoorlogs verschijnsel, als een reactie op al wat wij in de bezettingsjaren hebben doorgemaakt. Daarmee heeft men echter het wezenlijke niet geraakt. Moeheid en cynisme zijn de gesteldheid van een volk, dat teleurgesteld is en niet meer in staat is, te hopen en te verwachten.

Dit is voor een volk noodlottig, wy zijn inderdaad teleurgesteld.

De Celdroom is te deerlijk beschaamd.

De berechting en de zuivering zijn een klucht geworden, maar een gruwelyke klucht, omdat zij niet alleen in het heden voor velen een schandelijk onrecht, maar ook in de toekomst voor heel ons volk een dreigend gevaar betekent.

Van een rechtvaardige verdeling der lasten, die de verarming van ons volk met zich brengt, is niet heel veel te merken. Er zijn schrynende sociale tegenstellingen. De wanverhouding tussen lonen en prij-

[zen drukt het meest op de grote massa vn{ het eenvoudige volk. De baatzucht, de coriruptie en de liederlijkheid vieren hoogtij. Met geld en relaties bereikt men meer d»H beroep op gerechtigheid. '

De reactie maakt zich al meer breed. Bovengronds presenteert zij zich als een engel des lichts, maar ondergronds doet zij haar duister werk. Zij maakt zich al meet meester van de sleutelposities. In dit verband denken wij ook aan de wijze, waaropi het beleid van onze regering ten opzicht* van Indonesië belaagd wordt. i

De socialistische beweging is verdeeld. Communisten en Sociaal-Democraten bestrijden elkaar van dag tot dag op de meest felle wijze. De strijd schijnt beide van groter betekenis dan het samen front maken tegen de macht der reactie, terwijl beide toch weten, dat de reactie deze broedertwist maar al te zeer ten eigen bate weet uit te buiten.

Na de vorige oorlog was er verwachting. Men had idealen en men hield deze idealen hoog. Er was toen veel onwerkelijke romantiek en veel oppervlakkig optimisme, die op de weerbarstige en harde stof van werkelijkheid wel moesten breken. Maar op dit ogenblik betekenen nuchterheid en realiteitszin bijna over de gehele linie gelatenheid en cynisme. De mensen hebben geen verwachting meer. Ook geen idealen. Wat zullen wij te midden van de grote wereldmachten, die de wereldgeschiedenis bepalen? Men vraagt zich enkel af, wie tenslotte Europa beheersen zal: Amerika of Rusland! En de dreiging van de atoombom hangt als een donkere wolk boven de landen. Ook boven de lage landen aan de zee.

Is de Celdroom een te vermetele droom geweest? Een eeuw geleden sprak Martinus des Amorie van der Hoeven tot zijn leerlingen het woord: „Wilt gij van de natie iets maken, wekt dan een edele hartstocht in de ziel van het volk”. moet naar zijn woord zich nooit lijdelijk en laf laten drijven op de stroom van het gebeuren. Tegenover het gruwzaam ieugengedoe in de tijd moet men zich actief te weer stellen in dienst van God. Men moet Gods medearbeider worden.

Werp een edele hartstocht in de ziel van het volk!

Heeft Van Randwijk iets anders bedoeld, toen hij poogde rakelings langs Gods Koninkrijk een schone en dwaze droom te dromen?

Wat wij nodig hebben is leiding in grote zin, een doelwit, dat al onze krachten waard is, een wijde horizon, een perspectief, eeuwigheidslicht over de kleinheid van de eigen taak en de eigen dag.

Ons volk heeft een edele hartstocht nodig en die edele hartstocht heeft in 1946 helaas noch de staat, noch de kerk in de volksziel weten te werpen.

Wanneer zij daarin in 1947 niet slagen, wanneer de krachten van de vernieuwing verzanden en doodloopen, dan zal dat de grootste schuld zijn, die zij op zich laden.

Wat wy nodig hebben is een eenheid van leven en denken, van nuchtere realiteitszin en verheven idealisme, een eenheid van droom en daad.

Wij zullen goed doen de Celdroom van Van Randwijk aan het begin van dit jaar nog eens te lezen, opdat wij ons tekort in 1946 en onze verantwoordelijkheid voor 1947 beseffen.

Van Randwijk besluit de droom, die hij in 1943 in de cel droomde, met de woorden: O God, de droom die hier begon.

Gij hebt de macht hem waar te maken! Maar God wil het waarmaken door ons.

J. J. BUSKES Jr.