is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 17, 25-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de intense vroomheid van deze dienst. Een golvend rhythme, begeleid door eenvoudige, klare muziek, een om-en-om denken van het feit, dat dé Christen weet van een naderend einde, waarvan de tijd in Gods hand ligt. Een wonderlijke, vreemde, haast onwereldse stilheid, een volkomen afwezigheid van actualiteit, een liturgie, die Zondag aan Zondag herhaald wordt met een preek, een „homilie” van tien minuten, die in eigen woorden nog eens naar voren bracht, wat in de schriftiezing, gebeden en liederen was gezegd en gezongen. En dat te midden van mensen, een twee honderd denk ik, die er vrede mee hebben, terzijde van het dagelijks gebeuren te leven, omdat zij slechts vervuld zijn van het grote, naderend gebeuren Gods. Mensen, die niet haastig doen, als soms in een Roomse kerk, maar die tot het einde aandachtig meebidden en zingen, dan weer staande, dan weer knielende, omdat de tijd, zo stel ik mij voor, een andere betekenis in hun leven gekregen heeft.

Ik heb geen enkel bezwaar tegen het eigenmachtig kerk-maken van deze kring laten varen. Ik breng de wonderlijke afkomst in rekening. En toch geloof ik te moeten zeggen, dat hier een groep mensen samenkwam, die wist wat liturgie was. Die het allerinnigst-eigene vertolkt weten in de vastgestelde gebeden, bijbelstukken, liederen. Die de avondmaalgemeenschap als een werkelijke voorafschaduwing van de komende heerlijkheid'beleven.

Liturgie. Een zaak, die in de Kerk steeds dringender aan de orde zal worden gesteld. Want over de gehele breedte van de Kerk komt er aandacht voor de vormen van samenzijn, voor de wijze waarop men gemeenschappelijk deel heeft aan de geloofsschat, die de Kerk ter bewaring is gegeven.

Het verzet is duidelijk. Het komt van twee kanten. Velen vrezen, dat de „vaste” formule een verdorring zal brengen. Dat het profetische, het spontane, het persoonlijke zal wijken. Zij vrezen, dat aan de waarachtigheid schade zal worden gedaan. Wie kan formules van anderen, liefst van zéér vroeger, zo maar herhalen? En zo oppervlakkig ziet men daarin een soort conservatisme, een wereldafgewendheid, een ongevoeligheid voor de nood van het heden, die voor de Kerk gevaarlijk is.

Een ander verzet komt van de kant van hen, die Gods Woord, waarmede zij dan de Bijbel bedoelen, teruggedrongen zien. Zij zijn bang voor menselijke vondsten, ook al zouden zij dan door de traditie geheiligd zijn. Zij willen het klare Woord, en zij zijn bang voor het rhythme van de aangolvende zinnen van koor en liturg.

Beide bezwaren zitten diep, en zij zullen volstrekt ernstig moeten worden genomen. Ik meen, dat zij in het licht van wat de Bijbel ons te zeggen heeft, tenslotte geen stand houden. Maar dat doet er hier niet toe.

Ik wil op wat anders wijzen.

De vernieuwing van de liturgie zal een onderwerp moeten zijn van diepgaande theologische studie. Maar zij veronderstelt een nieuwe geestelijke houding tevens. De houding van de aanbidding in gemeenschap, waarbij men het persoonlijke geloofsleven zal „ontplooien” in voortdurende samenspraak met wat in het geheel der Kerk steeds weer zich naar voren dringt aan Waarheid. Men moet niet menen, dat de vormgeving daarvan stil staat. Integendeel: bij een levende liturgie gaat dat steeds door.

En wat voor mij daarbij van betekénis is, is dat dit andere type van leven, van aanbidden, van denken, n.l. dit eerbiedig gemeenschapsdenken en -geloven in we-

zen aansluit bij wat wij verlangen van een nieuwe socialistische gemeenschap.

Ik zeg niet, dat een liturg op het socialisme is aangelegd. Ofschoon het niet .helemaal toevallig is, dat Nederlandse leiders der z.g. iiturgische beweging (ik noem prof. Van der Leeuw en dr. Oberman ter rechter-, en dr. Van Veen en ds. Aris ter linkerzijde), veel kracht aan de bestudering en vernieuwing van de liturgie geven. En in Engeland ziet men eenzelfde verschijnsel. Alweer niet helemaal toevallig was het, dat de Engelse afgevaardigde op het Internationaal Religieus-socialistisch congres te Konolfingen, Rev. Boggis, tot ide Anglo-Kathoilieke vleugel van de Engelse Kerk behoorde.

Maar ik wijs er wel op, dat het wegstrijken van een stuk individualisme en het tegengaan van het intellectualisme, zoals de liturgie doet, en tevens het leiden naar groter, inniger godsdienstige gemeenschap een. vorm van religiositeit geeft, die gemakkelijker open is voor de dingen der wereld rondom, en zich niet verstrikt in „beginselen”, die gemeenlijk de toegang tot het socialisme blokkeren. Want wie „liturgisch” voélt zal merken, dat het „beginsel” vrucht van veel getheologiseer

een geringere plaats gaat innemen en

dat de gemeenschappelijke aanbidding, de dienst met het gehele leven sterker wordt.

Bij onze Irvinianen vanmorgen was daar niets van te merken. Misschien, als ik de kring beter zou kennen, dat ik de sporen van het hier betoogde zou opmerken. Maar ik vermoed het niet. Daarvoor staat één der vele leerstukken der Kerk te- centraal in de aandacht. Maar in het algemeen kan men het wél zeggen, dunkt mij, van het streven naar iiturgie. Het bindt op een andere manier aan de Kerk, dan het confessionalisme.

Nu moet men mij niet verdenken van een poging, om de vernieuwing der liturgie goed of aan te praten vanwege de te verwachten winst voor de Partij van de Arbeid. Zo zijn er wèl mensen onder de verpolitiekte christenen, die dat denken. Dat vermeld ik alleen, om er hartelijk over te lachen. Wat ik wèl wil, is, dat men wonderlijke samenhangen ontdekt. En'mogelijk bij een enkelen religieus-socialist, die niets van de „liturgie” moet hebben, omdat het hem zo antiek voorkomt, althans deze remming weg te nemen.

Wat men al niet kan gaan overwegen, als men de rechte paden verlaat en niet braaf naar zijn eigen kerk stapt, maar op avontuur gaat...

L. H. RUITENBERG.

GORTER

Herman Gorter, Gedichten.

Gekozen en ingeleid door

J. C. Brandt Corstius.

Van Dishoeck, Bussum 1946.

Het wordt nu twintig jaar sinds hij gestorven is, hij, misschien de geniaalste dichter die ons volk in eeuwen heeft gekend. Er verluidde weinig van hem in die latere jaren. Hij publiceerde niet, men wist als niet-ingewijde niet wat hij deed, nauwelijks waar hij leefde. Maar toen, kil en plotseling, het bericht doorkwam van zijn dood, werd men zich huiverend bewust van een groot, een onherstelbaar verlies.

Hij stierf in de bittere eenzaamheid van de zeer groten die door hun volk niet meer worden gekend, hij had het ook opgegeven, schoon in eigen zekerheden ongeschokt, om met zijn woord de tijdgenoten te bereiken; maar tot het laatst was om zijn hoofd de glorieschijn van de vijfentwintigjarige die ons eenmaal, zo lang terug al, de Mei had geschonken. Hij stierf miskend en eenzaam, en tegelijk zo algemeen en van ganser harte èrkend als misschien geen tweede.

Acht bundels ongepubliceerde poëzie

werden imzijn nalatenschap gevonden, als een bitter getuigenis van de vervreemding tussen hem en de lezers van het Nederlandse vers. Ze werden sindsdien uitgegeven, maar ik denk weinig verkocht. En nu, na twintig jaar, staat er een volledige Gorter-uitgave op stapel. Als een voorproef daarvan zou ik haast deze „Keuze” van Brandt Corstius willen beschouwen.

Gorter na twintig jaar; wat zegt zijn werk ons nu? De „Verzen” die nog geheel, en de „Liedjes” die althans ten dele van vóór de eerste Wereldoorlog dateren? „Pan”, het groots opgezette werk, door de innerlijke worsteling met die oorlog ... overspannen, zeggen de enen, stukgebroken, de anderen. „De Arbeidersraad”, zózeer gebonden aan een bepaalde, definitief voorbije tijd, en tegelijk met zo’n fanatisme erop gericht om de tijd te overwinnen en te boven te stijgen ...

Wie Gorter thans opnieuw, onbevangen en'als ware het voor het eerst, leest, wordt