is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 17, 25-01-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hing af van de reactie van het publiek. Het nam het. De winkeliers namen de leus van de regering over en beconcurreerden elkaar voortaan in de mate wap,rin zij de prijzen van hun artikelen omlaag wisten te drukken. Dat was prachtig. Het vertrouwen keerde terug, de inflatiespiraal werd teruggebogen. Hier viel niet te opponeren; iedereen, van welke partij hij ook is, juichte deze maatregelen toe. De communisten weliswaar zuurzoet en spijtig, dat deze constructieve politiek niet van hen afkomstig was. Men houde hierbij evenwel in het oog, dat de staatkunde die de communisten voeren, niet geheel en al op vage beloften en leven van de oppositie gebaseerd is. Hun macht in de vakbonden is namelijk heel groot en het is aan de sterke druk van hun leiders op de arbeiders te danken, dat de opbouw niet geremd wordt door werkstakingen.

Van belang was ook het kordate ingrijpen van minister Moutet in Hndochina, waar hij duidelijk te kennen gaf, dat de tijd voor koloniale verhoudingen voorbij is, maar de onafhankelijkheid van het land niet langs de weg van opstand tot stand mag komen; een standpunt dat practisch nogal wat moeilijkheden meebrengt, maar theoretisch onaanvechtbaar is.

Tevens ging haast ongemerkt de begroting van minister Philip erdoor; hierbij was voorzien in de reeds lang noodzakelijke bezuiniging op de militaire uitgaven. Tevens gaf Blum, zelf als minister van Buitenlandse Zaken optredend, te kennen dat het Franse standpunt ten opzichte van Duitsland niet veranderd was, en ging de gelijdelijke inlijving van het Saargebied verder. Het hoogtepunt, vlak voor het aflopen van de regeringsperiode, is echter het recente verdrag met Engeland. De Fransen meenden dat Bevin te weinig oog had voor de plausibele Franse eisen jegens Duitsland, den erfvijand, en te zeer de Duitsers bevoordeelde tegen de eisen van de voormalige bezette landen in. Door deze verschillen in standpunt waren de betrekkingen tussen beide landen zichtbaar moeilijk. Maar Blum’s reis had succes. Niet alleen bracht hij een belofte voor steenkolen uit het Roergebied mee; tevens een

Gorter het genieten waard is, maar afgezien van de Mei misschien de helft. Voorlopig is dat meer dan genoeg. Een uitgave als die van de „Kenteringssonnetten” alléén (het vorig jaar door Stuiveling bezorgd) blijft meer voor vakmensen dan voor den gewonen lezer. Van Brandt Corstius’ inleiding wil ik speciaal de fraaie bladzijden over de Mei noemen, die zonder met Van Eyck strijdig te zijn een zo geheel nieuw aspect belichten.

M. H. VAN DER ZEYDE.

Zoals de bij. van bloem tot bloem denkt aan de korf waar de weg heen leidt,

zo denk ik altijd, ’t Is mijn roem die komt, aan ons aller eenheid.

De bij heeft onbewust

in zijn kleine borst.

den drang naar zijn stam maar ik heb bewust

deze scherpe vlam.

deze, trots laaf nis, altijd nieuwe dorst.

En deze dorst is in ons allen.

ik ben niet alleen

zelfs zij die ’t niet weten, willen

worden één.

HERMAN GORTER.

het Bisschoppelijk Museum te Haarlem staat dit eikenhouten beeld van Christoffel met Christuskind (circa 1330)

„Maar Christofoor, op den oever.

Leunt zwijgende op zijn kruk, S>e stroom was stroef, maar stroever

Zijn de tranen van geluk:

Nooit was een bedding weeker. Nooit waadde hij zo onzeker.

Want nooit nog, nooit nog streek er Een handje hem door het haar —”

Strophe uit „Satyr en Christofoor” gedicht van ■M. Nijhoff uit de bundel Vormen (1931 van Dishoeck Bussum).