is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 25, 22-03-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ren het recht het leven van een mens te beëindigen. Hun rechtsgevoel is juist niét bevredigd, indien er doodvonnissen worden ten uitvoer gebracht. Zij weten, op grond van hun Christelijke overtuiging, dat niemand aan een ander, in welk verband ook en op welke gronden ook, het leven, dat hij niet geven kan, mag ontnemen. Waaróm niet?

Een mijner vrienden heeft een schilderij in zijn studeerkamer hangen. Het stelt voor: het verraad van Judas. Op de achtergrond verschijnt een wazige figuur, die naar den, op de rand van de afgrond staanden Judas, een hand uitsteekt. De schilder heeft bedoeld: ook voor Judas is een kans op behoud geweest. En of de gerechte God hem die gegeven heeft, tot realiteit heeft doen worden in de laatste seconden van zijn leven wie zal zeggen van wel, maar ook: wie van niet?

Onze zielen zijn geteisterd. Opnieuw. Wij zitten weer met de vraag, of en hoe God heeft ingegrepen in de levens van die duizenden, die in de razernij van de oorlog zijn weggevaagd. Aan het front. Zij hielden er misschien rekening mee. Hoewel: ieder denkt er dóór te komen. In de steden. Nog kort geleden vertelde mij de burgemeester

van Darmstadt hoe 14 dagen voor de bevrijding in een bombardement van 17 minuten ruim 20.000 inwoners der stad werden gedood en ontelbaren verminkt en gewond. Een kans op behoud. Of géén kans op behoud? Stelt hier reeds niet de mens en zijn werk God voor de noodzakelijkheid in de levens in te grijpen op menselijke tijd?

God grijpt in! Meer dan wij weten en vermoeden. Anders dan wij bevroeden en daar, waar wij het niet meer mogelijk en misschien wel onnodig en onnuttig achten. Maar Hij is God. En van Zijn tijden en gelegenheden weten wij óók in dit verband niet, al zegt het geloof, dat een Vader der barmhartigheid zich over den mens ontfermt.

Mag nu die onheilige mens den heiligen God dwingen tot handelen? Kan hij dat? Het antwoord is voor ons niet twijfelachtig. En daarom: er is een deel van het Nederlandse volk, dat op geheel andere wijze in zijn consciëntie geschokt wordt. Dan namelijk, wanneer een enkele keer het dagblad meldt, dat het doodvonnis aan een mens voltrokken is.

N. G. J. V. SCHOUWENBURG.

Het Communisme ah machtsfactor

In Rotterdam weigerden de Rooms-Katholieken en de Anti-Revolutionnairen in September 1946 zitting te nemen in het college van B. en W., omdat er óók een Communist tot wethouder was gekozen.

Thans, bij de beschouwingen over de begroting, hebben beide partijen verklaard, niet te zullen volharden bij hun weigerachtige houding.

Ziehier het teken: de Communisten zijn een machtsfactor in Nederland. Het gaat mij er nu om, een paar problemen rondom dit verschijnsel nader te analyseren.

Oppervlakkig gezien, zou men kunnen oordelen, dat de geschiedenis van de Communistische Partij een herhaling is van die der S.D.A.P. van 40 jaar geleden. Ook toen een steeds sterker worden van deze partij, een langzaam, tergend langzaam zwichten van de toenmalige liberale en christelijke regenten voor deze aanwas, totdat er eindelijk wethouders, en tenslotte zelfs ministers van de S.D.A.P. kwamen. De vrijzinnig-democraten waren het meest toeschietelijk. Er was een zekere affiniteit in de doelstellingen èn er was een wijze overweging in deze groep, dat het betrekken van S.D.A.P.-vertegenwoordigers in de verantwoordelijkheid een matigende invloed zou hebben. Staat het met de Communisten van thans precies eender?

In genen dele.

In de eerste plaats was de drijfveer tot politieke activiteit toen een gedachten- en gevoelswereld, die fundamenteel van de overtuiging der andere partijen verschilde, Pas zéér kort voor de oorlog werd in de sociaal-democratische pers het verschil tussen „burgerlijk” en „proletarisch” minder antithetisch gebruikt, dan dit jaren lang het geval was. Met de Communisten van thans is dit niet het geval. Ofschoon van de kant van de Partij van de Arbeid

voortdurend gewezen wordt op de fundamentele verschillen tussen de democratisch-socialistische opvattingen aangaande mens en samenleving, doen de Communisten alle moeite te appeleren op de eenheid van alle socialisten. Zij kunnen ook niet volhouden, gelijk de oude S.D.A.P. kon doen, dat zij alleen staan tegenover de rest van Nederland in hun strijd voor sociale omvormingen. Integendeel: de sociaaleconomische doelstellingen van de Partij van de Arbeid zijn onmogelijk „burgerlijk” te noemen. Natuurlijk, de Communisten zeggen alles „consequenter”, „doortastender” te doen, m,aar zeker wat dit gebied en de concrete doelstellingen betreft, niet principieel anders.

Het is duidelijk, dat deze positie eigenaardige moeilijkheden met zich meebrengt. Voor de Communisten en voor hun tegenstanders. Voor de'communisten, omdat de critiek op de Regeringsdaden in de grond niet zo eenvoudig is, al kunnen zij natuurlijk met groter vrijheid bezwaren maken tegen allerlei misstanden, die door de Regering minder dan zijzelf wenst, worden aangepakt. Voor de tegenstanders, omdat het niet zo bar-eenvoudig is. Communisten op zakelijke gronden van deelneming aan bestuurs- en misschien straks regeringsverantwoordelijkheid uit te sluiten.

In de tweede plaats valt het welk een fundamenteel verschil er is tussen de oude socialistische beweging en de huidige Communistische Partij, wanneer wij naar haar inwendige structuur zien.

De oude sociaal-democratie had een mythe, n.l. de heilstaat. Maar zij had géén richtend en lichtend voorbeeld. Al spoedig zou in de oude sociaal-democratie het besef doordringen, dat het socialisme in de verschillende culturen zijn eigen karakter zou behouden. Zij was geestelijk afhankelijk van het werk der Duitse Sociaal-Democraten, maar zij had géén land, waar zij

heen kon reizen, om de practijk te zien. De Communisten hebben óók deze mythe, maar zij is vlees en bloed geworden. Liever; zweet en staal. Zeker, ook de Communisten zeggen, dat ieder land zijn eigen socialisme zal krijgen, en er is geen enkele reden om aan te nemen, dat zij dit niet menen. Maar ook al menen zij het, daarom kunnen zij het nog niet waar maken. Het bestaan van Rusland als voorbeeld én als machtsfactor zit hun hier dwars. Deze geestelijke afhankelijkheid wordt niet teniet gedaan''door het opheffen van de Internationale, noch door het redigeren van programmapunten. Dat wordt alleen gedaan, wanneer een waarlijk zelfstandig oordeel tegenover Rusland blijkt.

Deze situatie maakt het thans ook voor hen, die zakelijk tegen samenwerking met de Communisten geen bezwaar hebben, moeilijk, van harte gebruik te maken van deze nieuwe krachten in de Nederlandse politiek.

In de derde plaats moet er op gewezen worden, dat het Communisme als beweging in een veel ongunstiger positie verkeert, dan indertijd de oude S.D.A.P. Deze kon krachtens haar theorie gemakkelijk tot het vormen van eigen cultuurbewegingen komen. Zij had haar jeugdbeweging, haar vakbeweging, haar Instituut, haar V.A.R.A. De coöperatie, een levensverzekering en een lijkverbrandingsverëniging bloeiden in haar geestelijke sfeer. Dat alles werd ijverig en zonder critiek opgebouwd, totdat het bleek, dat deze weg niet zonder meer goed was. De gevaren werden herkend en de Martij van de Arbeid zoekt naar een verantwoorde omschakeling, waarbij het goede van vroeger behouden blijft en toch het gevaar van het isolement wordt omzeild. Men kan niet zeggen, dat zij hier nu reeds in is geslaagd.

De Communisten daarentegen kunnen deze lange weg niet gaan. Zij willen „open” zijn. Maar vanwege een gesloten theorie. Hun theorie is, dat zij invloed moeten verkrijgen door zoveel mogelijk met den ander mee te doen. Niet echter uit zin voor ruimte, maar vanwege de verwachting, dat de invloed van kernen in neutrale verenigingen groot genoeg zal zijn, om in die kring de eigenlijke problemen aan het licht te brengén. En de eigenlijke problemen zijn voor den Communist van sociaaleconomische aard.

Duidelijk is, dat op deze wijze nooit een vaste grote kern verkregen zal worden en dat de systematische scholing van het volk in de eigen organisaties nimmer op zulk een peil zal gebracht worden, als dat in de oude S.D.A.P. het geval was. En dat doet aan de soliditeit, aan de stabiliteit van het geheel zonder twijfel géén goed.

Al deze dingen (ik denk in de eerste plaats aan de geestelijke veronderstellingen van het Communisme, waarvan wij in dit blad waarlijk niet behoeven te betogen, dat wij ze verwerpen) moeten in ogenschouw worden genomen, als wij nu de vraag gaan stellen, hoe wij ons tegenover de Communisten te gedragen hebben.

Wij hebben gezien, dat het grondig fout is, op grond van de ervaringen van de vroegere S.D.A.P., allerlei conclusies te trekken. Ik geloof niet zo erg in de herhalingen in de geschiedenis en voel mij veiliger bij beschouwingen, die op de „Einmaligkeit” het accent leggen. Wij zullen deze beweging, los van onze eigen geschiedenis, op haar eigen strekkingen moeten beoordelen.

En wat moet dan onze conclusie zijn, als men ons de vraag stelt op welke wijze wij deze beweging in ons politieke leven moeten betrekken?

Allereerst, dat wij goede, persoonlijke