is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 26, 29-03-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wederoprichting afgezien moeten worden, terwijl de jeugd in een kerkelijke jeugdorganisatie haar werk zou kunnen voortzetten, ontmoette grote tegenstand en verontwaardiging. Velen, die de V.C.J.C. van vóór 1940 kenden, meenden, dat er voor haar nog een wezenlijke taak zou zijn, dat er nog een boodschap aan de wereld gebracht moest worden: de boodschap van het humanistisch Christendom, wil men van het Christelijk humanisme. En zo werd in de zomer van 1945 de V.C.J.C. wederom opgericht.

Weldra kwamen de moeilijkheden. Deze lagen niet op het terrein van de beginselen, die in de andere jeugdorganisaties veel hoofdbrekens kostten, en zij lagen op het eerste gezicht ook niet op het terrein van de organisatie. Voor het werk onder de 12- tot 16-jarigen werd de vogel-methodiek ingevoerd, met als gevolg een enorme toevloed van nieuwe leden. Het op een verantwoorde wijze leiden van een aantal jonge leden, dat enige malen zo groot was als de centrale voor de oorlog ooit geteld had, gaf aanvankelijk vele zorgen. Een groot aantal commissies en schema’s voor alle mogelijke zaken zijn sindsdien in- en opgesteld, de vele soorten instructiereeksen incluis. De weg van de oudere groepen (Jeugdgemeenschappen en Jongerenbond) ging ook lang niet over rozen. Het bleek zeer moeilijk deze jongeren aan te spreken in een taal, die bij hen aansloeg. Zeer moeizaam recruteerde men uit hen de leiding voor het Bosvolk- en Vrije Vogelwerk. Zo langzamerhand draait de V.C.J.C. al weer twee jaren na de oorlog. Weinigen zullen tevreden zijn over het werk, zoals het thans gaat, en wee degene, die er wel tevreden over is! Het enthousiasme over de

Nederlandse Jeugd Gemeenschap, dat bij een gedeelte van de leiding sterk leefde, drong lang niet in alle afdelingen door. Mede door de slechte voorlichting op dit punt, bleek men vaak niet eens precies te weten om welke zaken het ging. Een kwestie als de doodstraf bleek bij slechts weinigen te leven. Dat het fuseren van de stads- en plattelands-jonger en (V.C.J.B. en Rijzende Kerk) een probleem was, waaraan vele moeilijkheden kleefden, geeft ons te denken. Merkwaardig genoeg is dit n.l. bij nagenoeg alle andere jeugdorganisaties géén probleem. Dat de V.C.J.C. er nu, door de practijk toe gedwongen, speciale groepen voor de z.g. werkende jeugd op na gaat houden, illustreert eveneens, dat vele moeilijkheden in de sociale sector liggen. De verhouding tot het Jonge-lidmatenwerk van de Ned. Herv. Kerk is nog steeds zo ondoorzichtig, dat men zich tot nu niet daarover heeft willen of kunnen uitspreken. Een groot stuk van het kampwerk, met name het gewestelijke, blijft volkomen liggen bij gebrek aan een groep mensen, die voldoende initiatief, en verantwoordelijkheidsgevoel kunnen opbrengen om het met krachtige hand uit te bouwen tot dat machtige brok propagandaen zendingswerk, waartoe juist een vrijzinnig protestantse groep zich geroepen zou moeten gevoelen. En wanneer wij verder tal van onvolkomenheden in de organisatie buiten beschouwing laten, en kennis nemen van hetgeen de V.C.J.C. door middel van pers en radio aan „de wereld” te zeggen heeft, dan kan het welhaast niet anders, of een grote bezorgdheid vervult ons ten aanzien van dit stuk Christendom, dat de V.C.J.C. toch pretendeert te vertegenwoordigen.

Wanneer degenen, die in de „goede jaren” voor de oorlog van de V.C.J.C. deel uitmaakten, terugdenken aan de tijd, die zij in de jeugdbeweging doorbrachten, dan hebben zij zonder uitzondering'daaraan de allerbeste herinneringen. Zij Vonden daar toen een geloofsgemeenschap van jonge mensen, die hun tot een enorme steun in de latere jaren is gebleken. Uit die geloofsgemeenschap konden zij de kracht putten in de maatschappij hun weg te vinden, zonder dat zij daarvoor op een of andere wijze nadrukkelijk werden „klaargestoomd”.

Het na-oorlogse beeld is enigszins anders. Te spoedig vergeten wij steeds bij al onze beoordelingen, dat gedurende vijf jaren een enorme golf van" nihilisme en vervlakking van normen en waarden over de mensen, en daarmede ook over onze vrijzinnig Christelijke jeugd, gekomen is. Voor de oorlog zou het dwafis geweest zijn veel aandacht aan „de stijl in de jeugdbeweging” te besteden, nu ziet men in verschillende afdelingen kans om langdurige bomen over dit „probleem” op te zetten. Vele afdelingen zijn heel knus en gezellig, doch verder niet zo heel veel meer. Een soort leiderscultus, zoals deze vaak tot diep in de nacht of vroeg in de morgen gedurende zomerkampen gedemonstreerd wordt, waardoor noodzakelijkerwijs het signaal voor de reveille gegeven wordt, wanneer de zon al weer hoog aan de hemel staat, draagt vaak in geringe mate bij tot een gezonde geest in de jeugdbeweging. Het is erg jammer, dat een groot aantal leiders en leidsters aan deze gang van zaken niet of niet geheel blijken te ontkomen. Achter dit alles schuilt in de regel een gemis aan verantwoordelijkheidsgevoel en het ontbreken van de nodige (zelf) discipline. Bovendien moet het soort zelfgenoegzaamheid, dat vooral in de laatste twee jaren aan de dag gelegd wordt, voor een goede jeugdbeweging in hoge mate ongewenst geacht worden.

Tevens is het vraag, of het beleid, dat momenteel door de leiding van de V.C.J.C. gevoerd wordt, in het algemeen juist is. De opvoeding in de V.C.J.C. gaat uit van bepaalde (vrijzinnig Christelijke) geloofswaarden. In de A.J.C. b.v. is de opvoeding gericht op de komende socialistische maatschappij vorm. In het eerste geval staat het uitgangspunt vast, in het tweede geval een concreet opvoedingsideaal of -doel, zo men wil, waarbij de jongeren voorbereid worden op hun plaats en taak in de samenleving.

cPliatus

Pilatus was ontrust; hij had geen schidd gevonden In dezen Mens, die recht en rustig voor hem stond.

En op des landvoogds vraag: „Zijt gij den jodenkoni?igT’ Niets ter rechtvaardiging, alleen: Gij zegt het vond.

Pilatus werd bevreesd, want buiten ’t rechthuis riepen Verblinden: „Kruisig hem! maar Bar-Abbas laat vrij!”

Poen klonk verlossend ’t woord, als absolutie schenkend, Die mij u overgaf, is zondiger dan gij —.

En voor Zijn mild gelaat stond sidderend een rechter. Een dienstknecht, stamelend: „Zijt ge een honing, gij?

En zacht Gij zegt het; maar mijn Koninkrijk, Pilatus, Is niet van déze wereld zeide Hij.

Pilatus was ’t, als werd hij zélf gevangene.

Voltrok zich buiten hem hier niet een vreemd gericht? En ’t was, of Hij hen leidde naar de wachtenden.

Die ruw Hem sloegen op Zijn mild en stil gezicht. . .

H. VAN RIESEN.

VOLKSWELVA7

Er zijn zo van die woorden, die een mens bitter kunnen maken. Wie kan zonder zo’n gevoel spreken over vernieuwing? En is het woord barmhartigheid ook al niet zo’n geladen woord?

Welvaart. Een vooroorlogs begrip. Het kan alle nog latente wrok in ons losmaken. Het zou wat: welvaart zonder Indië, zonder Duitsland, zonder deviezen. Nee, we mogen al blij zijn, als we de armoede zo fatsoenlijk mogelijk verdelen. Over welvaart spreken we voorlopig niet. Zij, die zo redeneren, denken aan welvaart als veel rijkdom, veel geld, veel consumptie. Zij kijken naar het inkomen (d.i. het inkomen in goederen en niet in geld) en zien dat maar schraaltjes. De buikriem behoeft bij de meesten wel niet te worden aangetrokken, zoals (n de hongerwinter, maar toch ...