is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 45, 1947, no 28, 12-04-1947

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Zwarte handel is het consumeren van meer goederen dan waarop men volgens de door de overheid ingestelde distributieregels recht heeft.

Dat betekent, dat mijn vriend met z’n 6 mud anthraciet (ik gun ze hem overigens gaarn,e) even goed fout is. En dat iemand, wiens portemonnaie zo goed gevuld is, dat hij kan gaan genieten van de heerlijkheden in restaurants, even goed meer neemt dan hem toekomt. Waarom ik het zo vereng? 'Omdat het principe ligt in de rechtvaardige verdeling. Wij hebben te weinig consumptiegoederen. Die moeten dus eerlijk verdeeld worden. De overheid probeert dat met een distributiesysteem. Men is er echter niet mee af, als men zich formeel aan dat systeem houdt. Men mag b.v. niet meer dan 10 kilowatt per week gebruiken, maar dat betekent niet, dat men dit dan ook moét gebruiken. Hoe minder verbruik, hoe beter. Daardoor komt meer energie vrij voor anderen, die het harder nodig hebben. En al geeft de overheid de mensen met goede inkomens de gelegenheid eens te smullen van een extra-biefstukje in een restaurant, dat wil nog niet zeggen, dat dit niet afgaat van het beetje, dat wij maar hebben. Opoffering van dit voorrecht betekent minder armoede voor ons volk als geheel.

En hier ligt nu het zwaartepunt. Zwarte handel is daar, waar men' haalt, wat men halen kan en het mag niet hinderen of de naaste (want dat is toch nog wel een begrip, dat er is) tekort komt. „Die moet maar voor zichzelf zorgen, want dat moet ik ook” is helaas een maar al te harde waarheid, al degradeert het dengene, dié het gebruikt tot een egoist van het zuiverste liberale water.

Als we nu eerlijk zijn, dan zullen er maar weinig kunnen zeggen vrij uit te gaan. En nu zeg ik iets heel paradoxaals: dat is maar goed ook. Ik licht het toe: de farizeese zelfverheffing is een kwaad; het „wie staat zie toe, dat hy niet valle” is een waarheid, die pas tot den vallenden en gevallen mens doordringt; voor een zieke is er genezing, maar de gezonde heeft de genezing niet nodig. Daarom kan een mens wel eens dankbaar zijn voor zijn zwakheid.

niets (en dit hoort erbij) het leidt tot een nieuw pogen om op de rechte weg te komen. De zwarte handelaar in een elk van ons heeft een kans om zijn leven te beteren! En dan gaat het niet om het al of niet kopen van bonnetjes, maar om iets veel belangrijkers. Het gaat om niets meer of minder dan om het eerlijk willen zijn tegenover den naaste. Het gaat er om niet meer te nemen, dan voldoende is in deze barre tijd het leven te houden. Het gaat dus om soberheid.

En deze soberheid en een matig leven kunnen het ons weer doen ervaren, dat wij de hoeders van onze broeders behoren te zijn. Niet omdat we braaf willen wezen God behoede ons arme ellendige mensen voor het besef braaf te zijn. Maar omdat wij uit gevoel van verantwoordelijkheid weten, dat -wij ons te beperken hebben. Niet om er de hemel mee te verdienen of om geprezen te worden door de mensen, maar omdat we het niet laten kunnen.

En de practijk? Wij kunnen het inderdaad niet laten, n.l. de graai-naar-je-toe beweging en eerst-lk-en-dan-een-ander mentaliteit. Maar laten wij dat dan ook eerlijk erkennen en als de tollenaar in de tempel de barmhartigheid van onzen hemelsen Vader Inroepen, die wel heeft gegeven en die nog steeds geeft in onzen Heer Jezus Christus. Dan staan wij als arme zondaren tussen de ergere en minder erge zwarte handelaren bij het kruis en kunnen slechts stamelen: Heer wees ons zondaren genadig. En dan niet tot de orde van de dag overgaan, want dan zijn wij in de nieuwe orde van God’s heil voor een verloren wereld terecht gekomen. En in die nieuwe orde is voor onze grijperigheid en ons zwart handeltje geen plaats.

Concreet: Vecht nu maar eens tegen de wil om onmatig te zijn en kom dan maar eens tot het besef, dat wij allen struikelen in vele opzichten. Want alleen voor een gevallen mens is opgericht worden mogelijk. Bekeren betekent hier het zich keren van de brede weg van het menselijk gemak en egoisme naar de smalle weg van de verootmoediging. Drs. J. G. V. d. PLOEG.

HET LEGER DES HEILS IN DUITSLAND VERBODEN

In het begin der bezetting vermaakten we elkaar met het volgende grapje. In de Berlijnse Zoö is een ernstig ongeluk gebeurd. Een jongetje, dat naar de lèeuwen stond te kijken, werd de muts van het hoofd geslagen. Bij het oprapen kwam hij te dicht bij het hok en een der leeuwen kreeg hem te pakken, zodat het knaapje deerlijk verminkt werd. Nu was het een jodenjongen. En weet je wat er toen in de Duitse kranten kwam te staan, met koeien van letters? „Frecher Judenknabe provoziert harmlosen deutschen Löwe”! Later in de bezetting, toen we de ernst der jodenvervolging meegemaakt hadden, waren we niet meer in staat dergelijke grapjes te maken.

Dezer dagen werd ik aan deze „Frecher Judenknabe” en de „harmlosen Löwe” herinnerd, toen ik in de' dagbladen het volgende bericht las:

WERK VAN HET LEGER DES HEHiS IN DUITSLAND VERBODEN.

Aan het Leger deS Heils is toestemming geweigerd om ,zijn Evangelisatiewerk in Duitsland voort te zetten. De weigering is een gevolg van klachten van Sowjet-Russische zijde, dat het

Leger quasi-militair is en dat zijn leden een militair uniform dragen.

.Karasef, de Russische afgevaardigde, heeft deze klacht bij de Geallieerde Bestuursraad ingediend. Volgens Karasef draagt deze organisatie bij tot de ontwikkeling van militaire eigenschappen en tradities. Ook nam hij stelling tegen het bekende motto van ’t Leger des Heils „bloed en vuur”. Voorts was hij van mening, dat het Leger afwijkt van zijn religieuze taak en meer weg heeft van een sociale organisatie van leken.

Generaal Osborn, internationaal leider van het Leger des Heils, zal binnen enkele dagen naar Duitsland vertrekken en men vermoedt, dat hij zich naar Berlijn zal begeven.

Het is toch wel heel erg komiek dat de heren van de Geallieerde Bestuursraad zich zo stoten aan de „militaire uniform” van het Leger des Heils (die van liftboys en portiers zullen er nu zeker ook wel aangaan) en dat zij zich zó serieus met de demilitairisering van Duitsland bezig houden dat ze met scherpe blik tot de knappe conclusie gekomen zijn dat het Leger des Heils een quasi-militaire organisatie is. En als ze dan met droge ogen meedelen dat

deze organisatie bij draagt „tot de ontwikkeling van militaire eigenschappen en tradities, zijn we met dit scherpzinnig oordeel toch wel helemaal in de sfeer van de „frecher Judenknabe”.

Als antimilitairist ben ik nogal gevoelig voor „militaire zaken”. Maar het is toch voor mij een geheel nieuw gezichtspunt dat tot het beruchte Pruisische militairisme de organisatie van William Booth, den liefdeprediker, heeft bijgedragen. De Nazi’s hebben altijd wel gelijk gehad dat Engeland de schuld van alles is. Het is dus ook de uit Engeland overgewaaide christengemeenschap, die een bijdrage tot Duitsland’s rampspoed geleverd heeft. Wel, wel!

Vermoedelijk hebben, bij het diepgaande overleg (met Duitse „Gründlichkeit”) van de Geallieerde Bestuursraad, de Engelsen zich schuldbewust van stemming onthouden, toen het voorstel gedaan werd om het militairistische Leger des Heils te verbieden zijn Evangelisatiewerk in Duitsland voort te zetten. Of is het toch weer een echt staaltje van Engelse jingopolitiek, nl. om dit stukje militairistische bijdrage voor Engeland te reserveren?

De lust tot spotten vergaat me echter al meer als ik lees dat er stelling genomen is tegen het bekende motto (!!!) van het Leger des Heils „bloed en vuur”. Het is raogelijk, dat Karasef, de Russische afgevaardigde, niet erg bijbelvast is. De Hollandse communist, die mij in het concentratiekamp te Amersfoort mijn Nieuwe testamentje afnam, zei me, dat hij zo’n ding nog nooit gezien had, maar hij nam het toch maar af, de SS. zou wel beslissen of het een bijbel was Als Karasef van deze kracht is, kan ik me voorstellen, dat hij bij de strijdkreet ,;bloed en vuur” alleen denkt aan de nazi-leus „Blut und Ehre”. Maar was er dan bij de Engelse of Amerikaanse officieren geen, die nog een Zondagsschool doorlopen heeft en even wist op te helderen, dat het bij „Blut und Ehre” gaat om bloed van den naaste, dat men vergieten wil, maar hier om het eens vergoten bloed van Jezus Christus? Dat „vuur” hier niets te maken heeft met het vuur, dat men door de oorlog ontsteekt, maar het vuur van de Heilige Geest, waarmede de (Heer Christus zijn apostelen blaken deed en doet?

Eens, in het Romeinse Rijk, vond men de christelijke Kerk een griezelgemeenschap, want, zo fluisterde men, ze aten het vlees en bloed van iemand. En die het nog beter wisten, vertelden dat ze kindertjes aten. Vandaar dat de volkswoede der heidenen zich in vervolgingen ontlaadde. Nu zijn we in Europa dan al zover verheidenst dat de militaire staven der grote mogendheden in de strijdkreet „bloed en vuur” sabelgekletter horen, kruitdamp ruiken, atoombomaanslagen vrezen.

Ik vind het best dat Duitsland en de rest van de wereld gedemilitairiseerd worden. Maar het wordt zelfs een antimilitairist te bar als bijbelse uitdrukkingen „gevaarlijk” worden geacht om militaire eigenschappen en tradities te ontwikkelen. Want het resultaat zal zijn: een door de Geallieerde Bestuursraad gedemilitariseerde Duitse Bijbel, waaruit alle strijdterminologie gebannen is. Precies zoals de Nazi’s de Bijbel van „joodse smetten” wilden zuiveren.

De lust tot spotten vergaat me echter helemaal als ik (in cauda venenum) lees dat men van mening is, dat het Leger des Heils „afwijkt van zijn religieuze taak en meer weg heeft van een sociale organisatie van leken”. Hier komt de aap eerst recht uit de mouw. Precies zoals met de beruch-